Kristel Lammers - Energie(k) verbond
Lessen in verwonderen, verduren en veranderen De energietransitie vraagt niet alleen om techniek, maar vooral om samenwerking. In dertig energieregio’s is de afgelopen jaren een nieuwe manier van werken ontstaan, waarin overheden, netbeheerders, maatschappelijke partners, bedrijven en inwoners elkaar vinden rond een gedeeld doel. In dit essay blikt Kristel Lammers terug op wat deze samenwerking mogelijk maakte: de energie die ontstaat wanneer mensen elkaar vertrouwen, verschillen verdragen en stap voor stap vooruit bewegen. Het laat zien hoe enérgeia - potentie die werkelijkheid wordt - zichtbaar werd in de praktijk van zes jaar RES.
Over de Auteur
Kristel Lammers was van 1 september 2019 tot 1 oktober 2025 programmadirecteur van NP RES. In die periode bouwde zij aan een complex programma op meerdere schaalniveaus, met actieve betrokkenheid van diverse partijen. Ze heeft ruime ervaring met het aansturen van een langjarige transitieaanpak waarin inhoud, proces en communicatie samenkomen, en waarin de mens altijd voorop staat. Naast haar expertise in de energietransitie heeft zij een brede achtergrond in beleid en uitvoering. Eerder was zij onder meer programmamanager Omgevingswet bij de VNG en plaatsvervangend directeur bij KING/VNG Realisatie. Momenteel is Kristel kwartiermaker en programmadirecteur van de Nationale Aanpak Funderingen.
Voorwoord
Het was in 2018/2019 een serieuze poging om het anders te doen. Anders dan in de jaren daarvoor gebruikelijk was, toen het de praktijk was dat van bovenaf een doelstelling voor bijvoorbeeld windenergie werd opgelegd. Kijk maar naar de manier waarop het Energieakkoord uit 2015 moest worden uitgevoerd. Provincies kregen een te realiseren hoeveelheid windenergie opgelegd. Dat had directe gevolgen voor de uitvoering. Decentrale overheden voelden zich geen eigenaar van het proces en inwoners ervoeren het als oneerlijk dat in de ene gemeente wel windmolens moesten komen en in andere juist niet. Dat moest anders kunnen.
Het was geen probeerseltje. De initiatiefnemers geloofden hierin. Geen opdracht van bovenaf, maar een gezamenlijk geformuleerd aanbod om de energietransitie een stevige impuls te geven. Geen hiërarchie in de samenwerking, maar elke overheidslaag gelijkwaardig aan alle andere. Op basis van de uitkomsten van het Klimaatakkoord dat vele maatschappelijke organisaties hadden gesloten moest er rond 2030 ongeveer 35 TWh aan opgesteld vermogen op land staan. Niemand schreef voor of dat uit wind of zon zou moeten bestaan, alleen het totaal. De zonnepanelen op particuliere huizen werden niet meegeteld, de rest wel. De gezamenlijke overheden beloofden dat ze dit, hoe dan ook, zouden realiseren. Dat waren de leidende gedachten voor de samenwerking die uiteindelijk uitmondde in het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NP RES).
Het was nogal wat. In de eerste plaats dat de overheden geen opdracht van bovenaf hadden gekregen, maar dat ze zelf een aanbod hadden gedaan. Dat ze hadden afgesproken dat ze op basis van gelijkwaardigheid aan het werk zouden gaan. Nederland werd in 30 regio’s verdeeld. Hoeveel zon- en windprojecten gingen ze realiseren om aan die opgaven te voldoen? Niet iedereen was ervan overtuigd dat ze hierin zouden slagen. Er kwam zelfs een aparte werkgroep om te bepalen wat er gedaan zou worden als de 35 TWh niet gehaald werd. Gelukkig kon dit voornemen na verloop van tijd in de papierversnipperaar. De regio’s beloofden met elkaar geen 35, maar ongeveer 50 TWh te realiseren. Een onverwacht succes.
Het doel was de energietransitie op weg te helpen en een substantiële bijdrage te leveren aan de realisatie van hernieuwbare opwek op land. Samenwerking op basis van gelijkwaardigheid was voor eenieder nieuw. Provincies en gemeenten moesten wennen aan het feit dat zij het initiatief moesten nemen. De rijksoverheid daarentegen moest leren op haar handen te blijven zitten. Soms ging dat niet goed, maar veel vaker ging het wel goed. Er ontstond – zeker in de regio’s – trots op de manier van werken. Naast het realiseren van de opgave werd die vorm van samenwerking als een groot winstpunt gezien.
Langzamerhand raakte ook de wetenschap geïnteresseerd in dit proces. Menig wetenschapper sprak waarderende woorden over deze werkwijze. Daarbij was er veel aandacht voor de samenwerking tussen de overheidslagen en vooral tussen de bestuurslagen. Daar lagen ook wel enige uitdagingen. Denk aan de besluitvorming: past dit wel in het heilige huis van Thorbecke? Gelukkig waren er wetenschappers die het belang van deze vraag relativeerden door de behoefte aan een tussenruimte – een ruimte waarin partijen in een nuttige, functionele, maar niet besluitvormende wijze met elkaar van gedachten konden wisselen – te benadrukken.
In publicaties tot nu toe kwam de rol van de ondersteuningsstructuren minder aan bod, terwijl die een belangrijke bijdrage aan het succes hebben geleverd. Door daar niet over te schrijven, ontstond een belangrijk hiaat in de verklaring van het succes van de RES-en. Daar is met de verschijning van dit essay gelukkig een einde aan gekomen. Het gaat natuurlijk om de samenwerking tussen de diverse overheidslagen, tussen bestuurders en ambtenaren, tussen overheden en maatschappelijke organisaties. Maar dat is slechts een deel van het verhaal. Samenwerking is namelijk geen automatisme. Dat ontstaat niet zomaar. Mensen willen wel, maar hoe je het precies handen en voeten moet geven, dat is nog een heidens karwei. Je doet het er niet zomaar even bij: je moet er tijd en energie insteken om dat goed van de grond te krijgen en om vol te blijven houden. Daar heb je ondersteuning bij nodig. Een organisatie die je helpt het proces vol te houden: die vragen beantwoordt, soms dingen regelt, je bij de les houdt en je af en toe een – akelige – spiegel voorzet. In dit essay beschrijft Kristel Lammers van binnenuit hoe zo’n organisatie er uit kan zien. Wat je wel moet regelen en waarom, en waar je juist vandaan moet blijven. Laat het een inspiratiebron voor anderen zijn, want het kan echt: samenwerken op basis van gelijkwaardigheid. Je moet er alleen wel iets voor doen.
Met dit essay wordt voorzien in een kennislacune en dat op zich is al winst. Dat het ook nog leuk geschreven is en met voorbeelden wordt geïllustreerd, maakt het alleen maar aantrekkelijker om het te lezen. Daar wil ik u niet van afhouden: het is het lezen meer dan waard.
Jan Jacob van Dijk Voorzitter RES-beraad
Inleiding
Energie komt van het Griekse woord ‘enérgeia’, dat ‘aan het werk zijn’ betekent. Voor de filosoof Aristoteles is enérgeia het realiseren van een doel dat al in het wezen van een ding besloten ligt: de beweging die potentie omzet in werkelijkheid. Vaak wordt dat uitgelegd met het voorbeeld van het zaadje en de boom: in het zaadje schuilt de mogelijkheid om een boom te worden, het uitgroeien tot die boom ís zijn enérgeia.
Het zaadje waarmee we zes jaar geleden op pad zijn gegaan is de idee dat we beter in staat zijn het nationale doel te halen als we het werken aan het doel regionaal vanuit gelijkwaardigheid in de samenwerking tussen overheden en netbeheerders, maatschappelijke partners, bedrijven en inwoners vormgeven. Een adaptieve procesaanpak met duidelijke landelijke kaders én ruimte voor regionale en lokale verschillen. Aanvankelijk gericht op het realiseren van grootschalige duurzame opwek van elektriciteit op land. De manier van werken kenmerkt zich door verbinding, betekenisgeving, energie en beweging. Waar, naast het nationale doel, onderlinge wederkerige relaties, vertrouwen, openheid in communicatie en innovatie de basis van vormen. Een energie(k) verbond aan het werk. In dit essay doen we verslag van de reis van de afgelopen zes jaar en laten we zien wat werkende elementen zijn geweest waar jij als lezer hopelijk je voordeel mee kunt doen.
Voortgang, vragen en bestuurlijke dynamiek (2019–2025)
Gaan de dertig regio’s (RES’en) het nationale doel van ten minste 35 TWh duurzame opwek van elektriciteit realiseren in 2030? Wat gebeurt er in de regio’s en hoe houden we daar (toe)zicht op? Wat hebben regio’s nodig om de zelf geformuleerde ambities te realiseren? Wie grijpt in als de regio’s niet leveren wat ze hebben toegezegd? Hoe krijgen we knelpunten op de landelijke tafel? Wat als er na verkiezingen, in gemeenten en/of provincies, een andere koers wordt gevaren? Wat voor verbindingen zijn er nodig tussen de regio’s en departementen, koepels, netbeheerder(s) en landelijke maatschappelijke organisaties om de nationale klimaatambities te realiseren? En wat is de rol van het Nationaal Programma RES (NP RES)?
Zomaar een greep uit de vragen die de afgelopen jaren voorbijkwamen. In dit essay blikken we terug op ruim zes jaar (2019-2025) regionaal samenwerken dat zich richt op de energietransitie. Het waren boeiende jaren die, terugkijkend, veel lessen vertellen over handelingsperspectieven, regionale samenwerking en de puzzels die op tafel komen of soms juist niet rond een complex maatschappelijk vraagstuk.
In 2019 gaat het Nationaal Programma RES van start. Dertig regio’s staan voor een uitdaging: samen een eigen regionale energiestrategie ontwikkelen en deze strategieën met elkaar verbinden. Overheden werken stapsgewijs samen met maatschappelijke organisaties, netbeheerders, bedrijven en inwoners.
Hierbij gaat het om de wat-vraag: wat is nodig voor duurzame opwek van elektriciteit op land voor het behalen van de Nederlandse klimaatdoelen. Maar ook om de hoe-en-met-wie-vraag: op welke manier werken we regionaal samen? Hoe leren we hiervan in de regio en wat hebben we met elkaar (de dertig regio’s samen en de landelijke organisaties) geleerd? Over de waarom-vraag zijn in het Klimaatakkoord afspraken gemaakt. Wat niet betekent dat de waarom-vraag niet voortdurend in de regio’s voorbijkomt in gesprekken. Inwoners, ondernemers en nieuwe volksvertegenwoordigers zijn en voelen zich niet betrokken, gehoord en gezien in het Klimaatakkoordproces.
Voor sommigen blijkt de RES-aanpak een inspiratiebron, voor anderen een verschrikking. In de Tussenevaluatie NP RES (2024) geven de RES-regio’s aan dat zij baat hebben bij de RES-structuur en de ondersteuning door NP RES. Deze positieve geluiden worden gedeeld door gemeenten, waterschappen, provincies, netbeheerders en maatschappelijke partners. “NP RES heeft de RES-regio’s in de periode 2019-2024 goed ondersteund bij hun RES-opgave door positieve impact te genereren op de zes programmadoelstellingen. Het faciliteert daarmee op verschillende manieren (kennisdeling, monitoring, agenderen, verbinden) de RES-regio’s om hun RES-proces uit te voeren ten behoeve van de opgave van het realiseren van 35 TWh hernieuwbare energie op land.”
Tegelijkertijd neemt in januari 2025 de Tweede Kamer een motie aan om de RES-regio’s in 2030 of eerder op te heffen. Volgens de motie-Erkens wordt het doel in 2030 gehaald en kunnen de opgebouwde expertise, bevoegdheden en taken belegd worden bij de provincies. Minister Hermans (KGG) heeft de motie met klem ontraden, omdat ze een duidelijke meerwaarde ziet in de RES-regio’s als platform voor samenwerking tussen partijen. De RES is meer dan alleen het instrumentele doel van 35 TWh. Zij is een manier van werken die werkt. En ook nodig, omdat geen van de partijen in staat is om de energietransitie in z’n eentje te sturen en de doelen te realiseren. In haar brief over de Decentrale ontwikkeling van het energiesysteem kondigt ze aan de rollen van RES-regio’s en Energyboards tegen het licht te houden zodat deze op termijn aansluiten bij de decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem. “Het doel hierbij is om in te zetten op regionale samenwerking en geen nieuwe bestuurslaag te creëren.”
Voor de meeste regio’s is het geen vraag of regionaal samenwerken meerwaarde heeft. De energieregio is uitgegroeid tot een gewaardeerd kennis- en verbindingsplatform waarin gemeenten, provincies, waterschappen, netbeheerders en andere betrokkenen – zoals energiecoöperaties, natuur- en milieuorganisaties en LTO – in verbinding met het Rijk de energietransitie verkennen, vormgeven en uitvoeren. Waarin partijen naast elkaar staan, ieder met eigen mogelijkheden, rollen, taken en bevoegdheden, en werken aan de energietransitie. Waar professionals vanuit enthousiasme, gedrevenheid, pragmatisme, met oog en ruimte voor verschil samenwerken om een bijdrage te leveren aan de transitie.
De kracht zit in het ontwikkelen en delen van kennis en oplossingen die regionaal maar mogelijk ook op andere plekken werken. Er is veel informeel contact en mensen houden elkaar vast bij conflict en gedoe. Een groep die twijfels, dilemma’s en zorgen deelt om vooruit te kunnen blijven gaan. Een groep die er is voor elkaar. De RES is mede hierdoor gegroeid tot een groep, een energiek verbond, die gericht is op hetzelfde doel maar elkaar ook de ruimte geeft om het eigen pad te kiezen en bewandelen. Hoe is dit zo gekomen?
Hoe dit essay te lezen?
We blikken terug op zes jaar (2019-2025) regionaal samenwerken in de RES. Aan de hand van praktijkervaringen, bijeenkomsten, essays, de tussenevaluatie en de jaarlijkse RES-foto’s onderzoeken we wat werkte, wat niet, en – belangrijker – wat anderen van ons kunnen leren bij meerschalige maatschappelijke opgaven. Dit essay is voor beleidsmakers en bestuurders bij overheden die inspiratie en voorbeelden zoeken voor het werken aan een gezamenlijk doel vanuit lokale en regionale praktijken. Voor professionals die meer willen weten over hoe dit werken in de praktijk vorm te geven. En ook voor onderzoekers en studenten die de verbinding willen maken tussen theorie en praktijk in transities.
Het essay volgt een aantal stappen: we kijken eerst naar waar de RES vandaan komt, vervolgens gaan we in op de RES manier van werken. Daarna maken we inzichtelijk welke wetenschappelijke inzichten de basis vormen voor deze manier van werken en welke werkende elementen zijn ontstaan tijdens de uitvoering. Aan de hand van de praktijk en theorie laten we zien hoe een duurzaam netwerk van netwerken is ontstaan dat zowel divers en veerkrachtig als robuust is.
Het essay is tot stand gekomen in samenwerking met anderen. Ik dank in het bijzonder collega’s Lieke Mulder, Pascale Georgopoulou en Nicky Struijker Boudier voor hun kritische blik en nuttige feedback. En ook Co Verdaas, Marlies Honingh en Guido Rijnja ben ik zeer erkentelijk voor hun waardevolle suggesties. Deze reflecties hebben het verhaal scherper en beter gemaakt. Ik spreek over ‘wij’ omdat de RES manier van werken een gezamenlijk zoekproces is en niet dat van mij alleen.
Als we het hebben over de RES dan gaat het over de regionale energiestrategie als proces. Het proces om – met dertig regio’s in samenspel met het Nationaal Programma RES en het landelijke netwerk – het nationale doel van ten minste 35 TWh duurzame grootschalig opgewekte elektriciteit in 2030 te halen. RES-regio’s zijn de regionale samenwerkingsverbanden. NP RES is het nationaal programma dat het proces, de regio’s en het netwerk van partijen ondersteunt. Opdrachtgevers van NP RES zijn de ministeries van KGG en VRO en de koepels van decentrale overheden, namelijk de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen, in intensieve samenwerking met Netbeheer Nederland.
Waar komen we vandaan?
Waarom is een regionale aanpak voor windmolens en zon op land nodig? We schetsen hoe en waarom de RES er is gekomen.
Een stapje terug in de tijd. Het is 1961. Op de Huishoudbeurs in de Jaarbeurs in Utrecht draaien gasfornuizen non-stop in live kookshows. Bekende huisvrouwen maken ter plekke stamppotten en pannenkoeken klaar, terwijl de gasbedrijven ruim 500.000 gratis ‘Gasreceptenboekjes’ verspreiden met eenvoudige en aansprekende recepten. Deze campagne speelt in op het comfort-argument (‘snel, schoon en zuinig koken’) en zorgt ervoor dat de mystiek rond gasfornuizen verdwijnt. Net zoals op huidige demo-avonden, georganiseerd om bezwaren tegen windmolens te ontzenuwen. Dit voorbeeld komt uit het boek: De Nederlandse aardgastransitie van Sven Ringelberg. Hij reconstrueert hoe Nederland tussen grofweg 1960 en 1970 in recordtempo overstapte van turf, kolen en stadsgas naar aardgas als dominante huishoudelijke energiebron. Ringelberg beschrijft niet alleen de technische opbouw van duizenden kilometers leidingwerk en de vervanging van miljoenen kachels en boilers, maar vooral de manier waarop overheid, bedrijven en inwoners dit gezamenlijke project tot een succes maakten. De omschakeling van kolen naar aardgas leerde dat een nationale regie, een expliciete systeemarchitectuur en infrastructuur, standaardisatie en vakmanschap een transitie versnellen, mits gecombineerd met een helder verhaal. En dat het transitieproces niet zonder slag of stoot gaat. De omslag ging gepaard met weerstand, desinformatie en transitiepijn. Hoe doen we dat met de omslag naar hernieuwbare energie? Kan die omslag op eenzelfde manier plaatsvinden of is er gezien de aard van deze transitie een andere aanpak nodig?
Elektriciteit is een essentiële bouwsteen in de omslag naar hernieuwbare energie. Windturbines op land voor de opwek van elektriciteit verschenen in het landschap vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw. Opwek van duurzame elektriciteit op land met windturbines kreeg in 2013 een stevige impuls. Het Rijk wijst dan concrete gebieden aan die vanwege landschap, infrastructuur en bewoning geschikt worden gezien voor grootschalige windenergie: Eemshaven, Delfzijl, N33, Drentse Veenkoloniën, Wieringermeer, IJsselmeer Noord, Flevoland, Noordoostpolderdijk, Rotterdamse Haven, Goeree-Overflakkee, Krammersluizen. De provincies sluiten een bestuursakkoord met het Rijk voor het realiseren van 6000 MW grootschalige opwek van wind op land in 2020, als onderdeel van het Energieakkoord. Gemeenten werd gevraagd om de participatie van en communicatie met inwoners te organiseren. Door de top-downopdracht was er voor inwoners nauwelijks ruimte voor meedenken, meepraten, laat staan meedoen. De documentaire Het verdriet van de veenkoloniën, waarin de komst van een mega windturbinepark de omwonenden uit elkaar drijft, laat beeldend zien wat de impact is van goedbedoeld tekentafelbeleid. Op tal van plekken leidt deze aanpak tot ruzie, gedoe en hoogopgelopen conflicten die tot op de dag van vandaag doorwerken in levens van mensen. Het vertrouwen in de overheid en tussen overheden is geschaad.
In de volgende fase van duurzame opwek op land moest het meer ‘van onderop’. Het nationale doel van ten minste 35 TWh aan grootschalige duurzame opwek op land is in het Klimaatakkoord (2019) vastgelegd. Dit was de uitkomst van een intensief polderproces van markt, overheid en maatschappelijke organisaties aan vijf klimaattafels onder leiding van Ed Nijpels. Ook aanpak en sturing waren daar onderdeel van het gesprek. Er was behoefte aan meer gelijkwaardigheid tussen overheden onderling én meer samenwerking met maatschappelijke partners en de samenleving én aan ruimte om zelf keuzes te maken qua techniek. Keuzes voor de invulling van grootschalige opwek waren aan de regio’s zelf. Uitgangspunt was wel om vraag en aanbod zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen, een goede verhouding te realiseren tussen zon en wind om de pieken op het netwerk te vermijden en de duurzame opwek te realiseren met oog en aandacht voor de mensen in het gebied. Participatie, streven naar lokaal eigendom, ruimte voor dialoog over waar en hoe, werden onderdeel van het proces. Dit waren de geleerde lessen van het Energieakkoord. Zo ontstond de RES (Regionale Energiestrategie): een interbestuurlijke samenwerking tussen gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk, met netbeheerders, maatschappelijke organisaties en georganiseerd bedrijfsleven in een zelfbedacht regionaal verband.
Een samenwerkingsverband op regionale schaal. Omdat de gemeentelijke schaal veelal te klein is en die van de provincie veelal te groot voor het realiseren van gedeeld eigenaarschap en verantwoordelijkheid voor het realiseren van het doel. Zo ontstonden er dertig zelfgekozen regio’s. Regio’s die in hun aard, omvang en mogelijkheden verschillen, maar via een gezamenlijk doel met elkaar verbonden zijn. Een netwerkaanpak en geen bestuurslaag. Keuzes en besluiten worden genomen via de reguliere weg door de afzonderlijke gemeenteraden, Provinciale Staten en algemene besturen van waterschappen. Het is een vrijwillige, niet-vrijblijvende samenwerking. Alle betrokkenen committeren zich aan de samen opgestelde RES. Zowel overheden als onder andere maatschappelijke partners en netbeheerders.
We noemen het gekscherend samenwerking in het trappenhuis van Thorbecke, waar de voordeur wijd open staat voor maatschappelijke partners, netbeheerder(s), inwoners en ondernemers. Waar Rijk, provincie, gemeenten en waterschap, inwoners en maatschappelijke organisaties elkaar in het trappenhuis ontmoeten. Waarbij het trappenhuis verbindt. Met een metafoor moet je altijd oppassen; Mark van Twist zegt niet voor niks: “Een metafoor neemt je eerst bij de hand en later bij de neus.” Net als elke metafoor roept deze reactie en vragen op. Een huis roept bij sommigen een gevoel op van hiërarchie. En inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners hebben geen verdieping. Dat is natuurlijk niet wat we met de metafoor bedoelen. Voor ons staat de metafoor voor ontmoeting en verbinding waarbij het hebben van een informele ruimte die van iedereen en niemand is (het trappenhuis) essentieel is.
35 TWh nationaal, 55 TWh in de RES: wat betekent dat?
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat Nederland in 2030 minstens 35 TWh hernieuwbare elektriciteit op land opwekt. De techniek was vrij, maar kwam vanuit haalbaarheid neer op grootschalig wind en zon. De 30 RES-regio’s deden in 2021 – bij elkaar opgeteld – een bod van circa 55 TWh. Dat hogere bod heeft een voordeel: het creëert ruimte voor uitval en onzekerheden, vergroot de kans dat het nationale minimum wordt gehaald en bouwt een pijplijn op voor de jaren na 2030. Volgens de PBL-monitor van 2024 is de 35 TWh haalbaar, maar is 55 TWh in 2030 niet binnen bereik door onder andere netcongestie, aangescherpte normen en een stagnerende pijplijn. Een bandbreedte van 34 tot 44 TWh in 2030 is realistischer. Waarom streven naar het realiseren van het opgetelde bod van de 30 RES-regio’s van 55 TWh? De nationale en Europese afspraken én de behoefte aan betaalbare duurzame energie voor wonen, werken en vervoer houden de regio’s in beweging. Daarom houden bestuurders vast aan hun regionale ambities, ook al realiseren ze een deel van het doel pas na 2030. Bovendien onderstrepen nationale en Europese afspraken de noodzaak van meer duurzame opwek op land.
De RES manier van werken
Hoe werk je gelijkwaardig samen aan een complexe opgave als de energietransitie? We zoomen in op de oorsprong en basis van de RES manier van werken: de start, de uitgangspunten, gelijkwaardig samenwerken, het samenspel met maatschappelijke partners en sleutelfiguren in de regio.
Regio’s verschillen in aard, omvang en mogelijkheden, maar zijn onderling via het nationale doel met elkaar verbonden. Er zijn regio’s die bestaan uit één gemeente, met provincie, waterschap en netbeheerder, zoals Hoeksche Waard, Alblasserwaard en Goeree-Overflakkee. En regio’s die over provinciegrenzen heen gaan, zoals Regio Foodvalley. Regio’s die samenvallen met provinciegrenzen, zoals Groningen, Friesland, Drenthe, Flevoland en Zeeland. En sommige grote regio’s zoals de RES Noord-Holland Noord, Noord-Holland Zuid en Rotterdam Den Haag kennen weer subregio’s binnen hun RES-regiostructuur. Wie met wie samenging, kwam voort uit een veelheid van overwegingen, positieve of negatieve ervaringen en verwachtingen. Voor mensen die gewend zijn te werken vanuit een opgave vormen de dertig regio’s een prima vertrekpunt. Het helpt hen verbindingen te leggen binnen en tussen de regio’s en individueel of gezamenlijk voortgang te maken. Voor beleidsmakers en structuurdenkers is het gebrek aan centrale coördinatie en sturing, uniformiteit in opzet en structuur en ordening in de RES steevast iets waar zij over struikelen.
De kracht van de RES zit in de manier van samenwerken. Er worden informeel verbindingen gelegd, er wordt met elkaar gepuzzeld en naar elkaar geluisterd. Zo ontstaan een visie over en een (uitvoerings)strategie voor de bijdrage die geleverd kan worden aan het nationale doel. Het is de plek waar betrokkenheid en gedeeld eigenaarschap ontstaan, ook al gaat dat zeker niet vanzelf en vraagt dat veel afstemmen, meebewegen en puzzelen.
De start van het RES-proces
Voor de start van de RES-samenwerking hanteren decentrale overheden twee spelregels: niet meedoen is geen optie en de inzet van de dertig regio’s samen moet gezamenlijk optellen in 2030 tot ten minste 35 TWh gerealiseerd vermogen aan grootschalige duurzame opwek van elektriciteit op land. De minimale opdracht aan de regio’s is ogenschijnlijk overzichtelijk: het per regio gezamenlijk formuleren van een ‘eigen’ doelstelling voor de grootschalige opwek en het in kaart brengen en analyseren van bovengemeentelijke warmtebronnen. Diverse regio’s doen vanaf het begin meer samen dan opwek en warmtebronnen, zoals de regio Hart van Brabant, die klimaatadaptatie erbij neemt, en de regio Zeeland, die mobiliteit, gebouwde omgeving, landbouw en industrie vanaf dag één in scope heeft. Weer andere regio’s vinden samen met elkaar een doel stellen over opwek al uitdagend genoeg.
De volgende uitgangspunten gelden bij de vorming van de regio
- Iedere gemeente, provincie en ieder waterschap doet mee, niet meedoen is geen optie.
- Iedere regio draagt naar vermogen bij.
- Iedere regio krijgt jaarlijks een klein budget voor de basisorganisatie.
- Iedere regio levert op hetzelfde moment vergelijkbare documenten op (concept-RES, RES 1.0, voortgangsdocument).
- Iedere regio wijst een onafhankelijke bestuurlijk trekker aan.
- Iedere regio organiseert een (klein) ambtelijk team onder leiding van een RES-coördinator met daarin inhoudelijke en communicatie-expertise ten behoeve van de gezamenlijke RES.
- Iedere regio levert jaarlijks (optelbare) kwantitatieve en kwalitatieve informatie aan voor het monitoren van de voortgang in het halen van het nationale doel. De onafhankelijke monitor RES wordt jaarlijks gemaakt door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
De startsituatie is in elke regio anders en regio’s maken elk eigen afwegingen en keuzes. Elke RES-regio gaat aan de slag om te verkennen met wie ze een regio wil vormen: welke gemeenten gaan samenwerken met provincie en waterschap, welke maatschappelijke partijen werken mee. Dit informele samenwerkingsverband bepaalt vervolgens zelf hoe het gaan bijdragen aan het nationale doel. Sommige gemeenten en provincies hebben dan al ervaring opgedaan met grootschalige opwek van wind en voor anderen is het helemaal nieuw. Ook is samenwerken op het thema energie in regionaal verband voor velen nieuw. De gemeenten, provincies en waterschappen gaan samen met netbeheerder(s) en onder andere maatschappelijke partners aan de slag; ieder binnen hun bestaande taken, rollen en verantwoordelijkheden. Zo werken alle partijen in regionaal verband vrijwillig, maar niet vrijblijvend samen. Samen zijn ze verantwoordelijk voor het op- en vaststellen van het eigen regionale doel en de uitvoering ervan.
De hoeveelheid grootschalige duurzame opwek van elektriciteit op land die nodig is in 2030 was bepaald in het Klimaatakkoordproces; de techniek en locaties waren dat niet. Vanwege haalbaarheid en betaalbaarheid gaat het al snel over grootschalig gebruik van wind- en zonne-energie (met name op land). Andere bronnen zijn grootschalig niet haalbaar voor 2030. Uitgangspunt is – ook al in 2019 – om vraag en aanbod zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen en een goede balans tussen zon en wind. Dit om onbalans op het elektriciteitsnet te vermijden. Ook het streven naar 50% lokaal eigendom en zeggenschap komt erbij, om lasten en lusten in gebieden meer in evenwicht te brengen. Er komt ook meer aandacht voor inpassing van de duurzame opwek en bijbehorende infrastructuur in de leefomgeving én op het elektriciteitsnet.
De kracht van de RES zit in de manier van samenwerken. Er worden informeel verbindingen gelegd, er wordt met elkaar gepuzzeld en naar elkaar geluisterd.
Uitdagingen in het samenwerken
De RES manier van werken gaat uit van één nationaal doel waar partijen samen maar op hun eigen wijze een eigen bijdrage aan leveren. Geen van de partijen is in staat om de RES in haar eentje te realiseren. Niemand is de baas van de RES-opgave. Het is een opgave van iedereen en daarmee van niemand. Dat vraagt voortdurend zoeken naar het hoe vormgeven van gelijkwaardig samenwerken aan een gezamenlijke nationale opgave. Samen én zelf zit in de kern van de RES. Samenwerken vanuit verschillende belangen, behoeften en verantwoordelijkheden om een gezamenlijk doel te realiseren vraagt om een andere aanpak en om andere interventies dan om een ‘hiërarchische aanpak’. Maar welke dan?
Omdat niemand de baas is en het een opgave van iedereen is, is er sprake van nevenschikking: partijen naast elkaar. Waarbij je de ander als gelijke ziet en behandelt, ongeacht zijn formele rol en positie, want die kunnen verschillen. Het is een houding die uitgaat van het nemen van verantwoordelijkheid vanuit je eigen doelen en belangen en oog hebben voor de belangen en doelen van anderen. Waarbij je gericht bent op vanuit je eigen rol bijdragen aan het gezamenlijke doel of de gezamenlijke opgave en daarbij niet alleen opkomt voor je eigen belangen maar ook opkomt voor de gezamenlijke belangen. Een dubbele loyaliteit dus! Dit geldt overigens zowel in de regio als tussen de regio’s, en tussen de regio’s en het landelijke speelveld. Een dubbele loyaliteit, voor het eigen en het gezamenlijke, vraagt voortdurend balanceren tussen ‘het eigene, individuele’ en ‘het gezamenlijke, collectieve'. En dat brengt onvermijdelijk spanning, conflict en gedoe met zich mee. Nuttige spanning en gedoe als je de vaardigheden hebt om ermee om te gaan en deze productief te maken.
Gelijkwaardig aan tafel, vanuit verschillende rollen en verantwoordelijkheden, klinkt aanlokkelijk. Niemand de baas, samen aan de slag. Maar de rol en verantwoordelijkheid waarmee je als organisatie in de regio aan tafel zit zijn anders. En ze botsen soms, door de manier waarop organisaties gebouwd zijn of de taken die ze uitvoeren. Wie doet er dan wat? En op welke manier? En, om het nog ingewikkelder te maken, soms heb je als organisatie ook nog meerdere rollen en verantwoordelijkheden. En veranderen ze ook nog in de tijd omdat organisaties nieuwe taken en bevoegdheden krijgen. Dat maakt samen werken tot een uitdagend samenspel tussen mensen gericht op het gezamenlijke doel. We geven een voorbeeld. De provincie is betrokken bij de selectie van de zoekgebieden, maar is ook het bevoegd gezag voor windprojecten, stelt kaders voor ruimtelijke kwaliteit, is verantwoordelijk voor gebiedsaanpakken in het kader van de Nota Ruimte en NOVEX en programmeert en prioriteert de netuitbreidingen in hetzelfde gebied. Dé provincie bestaat niet, het zijn verschillende bestuurders, verschillende managers, verschillende ambtenaren op verschillende afdelingen. Waar tussen de thema’s ook spanning zit, het kan niet allemaal samen. Wie aan de regionale tafel zit maakt dus uit, en ook met welke rol en verantwoordelijkheid. En dat vraagt om transparantie, openheid en duidelijkheid naar elkaar over rollen en verantwoordelijkheden en hoe die zich tot elkaar verhouden inclusief eventuele interne spanningen. Liefst vanaf het begin van het samenwerkingsproces. Het kan irritaties en conflicten over rolneming hopelijk voorkomen of bespreekbaar maken. We zien dat dit belangrijk is in de RES-praktijk. En dat soms een onafhankelijk voorzitter of procesbegeleider met kennis en gezag helpt om dit gesprek te voeren.
Wat gaandeweg in de RES-processen zichtbaar wordt is dat ook de manier waarop partijen naar de gezamenlijke opgave kijken verschilt. De historie, ervaring, expertise, belangen, werkwijze, waarden en logica van iedere organisatie zijn anders. Dat herkennen, erkennen en accepteren helpt. Het vraagt om een meervoudige blik en aanpak, waar het met elkaar spreken over deze verschillen onderdeel van is. Het is de kunst om zo dicht mogelijk langs elkaar heen te leren praten.
Van wantrouwen naar groeiend vertrouwen
Landelijk – en vooral bij het Rijk en maatschappelijke partijen zoals Energie-Nederland, Netbeheer Nederland en de NVDE – is er bij de start van de RES zorg of de regio’s in staat zijn dit proces te organiseren. Bij de start van de RES is landelijk een gezamenlijke escalatieladder (de zogenoemde Route 35) opgesteld door de koepels van gemeenten, provincies en waterschappen (de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen). Deze is afgestemd met het Rijk. Kern van de ladder zijn afspraken over wanneer Rijk en provincies richting waterschappen en gemeenten (via hun koepels) hun ‘doorzettingsmacht’ in zouden zetten als het nationale doel in 2030 buiten bereik zou komen. Deze ‘landelijke route’ is (nog) niet nodig geweest. Het nationale doel van 35 TWh is in zicht. En dat is ergens maar goed ook, want het is de vraag of de koepels in staat zijn om hun leden ‘dwingend’ iets op te leggen.
Het hebben van een escalatieladder heeft vanaf het begin af aan effect op de regionale samenwerking. Het is de spreekwoordelijke ‘stok achter de deur’ en daarmee een vehikel om zelf in beweging te komen voor bestuurders en volksvertegenwoordigers in sommige regio’s: “Want anders gaat de provincie of het Rijk het weer bepalen.” En ook zien we de afgelopen jaren enkele provincies in lijn met de stappen op de ladder hun verantwoordelijkheid in het regionale proces nemen richting gemeenten. Ook zijn er regio’s die zelf afspraken hebben over escalatie onderling.
Hoe verder als het bestuurlijk vastloopt; de regio U16 heeft daarvoor een opschaalprocedure ontwikkeld. De regio maakte processen voor planuitval en het opschalen bij het vastlopen van het bestuurlijke proces. “Door nu al aan de voorkant in overleg met alle bestuurders helderheid te geven over wat we doen als het even niet lukt of moeilijker wordt, kunnen we, als er zich een complexe situatie voordoet de komende jaren, snel schakelen. Met pas als laatste stap een mogelijke inzet van het bevoegd gezag van de provincie. Dit geeft ook inzicht in wie welke rol wanneer pakt en hoe we ook in moeilijke tijden met elkaar in gesprek blijven.” Rob Jorg, voorzitter regio U16 (25-02-2022)
Uit: manifest ‘De Kracht van de Regio’: RES U16 hoe verder als het bestuurlijk vastloopt
Ondanks de gelijkwaardige intentie spelen de hiërarchische verhoudingen van het Rijk en provincie richting gemeenten in de praktijk voortdurend op. Soms is dat omdat gemeenten niet of te langzaam acteren, soms omdat de (nieuwe) politieke werkelijkheid bij provincies en rijk leidt tot druk op het aanpassen of sturen via afspraken en/of regelgeving.
Het werken vanuit gelijkwaardigheid vraagt voortdurend aandacht en onderhoud en lukt alleen als er sprake is van een gedeeld ervaren urgent belang. Om daar vorm aan te kunnen geven, is de overtuiging nodig dat je elkaar nodig hebt om (zelf) verder te komen en dat geen van de partijen bij machte is om het geheel te overzien en sturen. De basis voor die manier van werken rust op vertrouwen en op partijen die eigenaarschap en verantwoordelijkheid nemen voor zowel het gezamenlijke belang als het eigen belang.
Samenspel van en met maatschappelijke partners
Vanaf de start zitten maatschappelijke partners zoals energiecoöperaties, natuur- en milieufederaties (NMF), leden van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE), JongRES, land- en tuinbouworganisaties (LTO) en het bedrijfsleven aan tafel in het RES-proces. In de regio’s omdat zij deelnemen aan werkgroepen, stuurgroepen, adviesgroepen. Landelijk bij NP RES in de Programmaraad. Juist deze samenwerking geeft de RES een impuls. Samenwerken met markt en maatschappelijke partners is niet vanzelfsprekend. Overheden vinden het soms best spannend om informatie te vragen bij de markt of in te spelen op ontwikkelingen in de markt. De markt gaat altijd sneller dan de overheid; dat zien we bij wind, zon, SMR en batterijopslag.
Door het samen aan tafel zitten is de RES niet louter iets van de overheid, maar een maatschappelijk proces. Vooral ook omdat maatschappelijke partners, netbeheerders en marktpartijen andere belangen, behoeften en geluiden en daarmee andere stemmen inbrengen. Ze kijken vanuit een ander perspectief naar hetzelfde vraagstuk en stellen naast nuttige kritische vragen ook keuzes, aannames en oplossingen ter discussie. Maar het is meer dan dat. Door deel te nemen tonen zij ook medeverantwoordelijkheid en eigenaarschap. In diverse regio’s nemen NMF en energiecoöperaties zelfs delen van de uitvoering op zich.
In de regio’s en ook landelijk groeit het besef dat de slagkracht, denkkracht en doekracht in de regionale gemeenschap zelf zit. De overheid is een van de spelers in de transitie, maar juist de kracht van lokale partijen, bedrijven, inwoners en maatschappelijke organisaties is cruciaal om de transitie door te maken. Uit de samenwerking met de NMF is een kwaliteitsbudget ontstaan, om een impuls te kunnen geven aan het natuurinclusief ontwikkelen van zonne- en windenergie. Net na de zomervakantie van 2025 zagen we op LinkedIn een oproep voor natuurinclusieve projecten in Friesland. De NMF heeft in tal van regio’s kennisbijeenkomsten georganiseerd voor volksvertegenwoordigers, geïnteresseerden en bezorgde inwoners. Ook realiseren ze energieprojecten, zoals de natuurinclusieve energietuin Assen-Zuid.
De koepel Energie Samen maakt de afgelopen jaren een professionaliseringsslag door met de energiecoöperaties. Ze geven een stevige impuls aan bewustzijn bij Rijk, provincies en gemeenten over de rol van de (energie)gemeenschap en de aandacht voor decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem. Dankzij Energie Samen en de Participatiecoalitie krijgt het streven naar 50% lokaal eigendom een enorme impuls. De NVDE laat in haar open dagen zien wat de waarde is van hernieuwbare energie. Zij organiseren tal van regionale bijeenkomsten voor volksvertegenwoordigers.
Een andere waardevolle partner, zeker in het begin van het proces, is JongRES. JongRES brengt in de regio’s de stem van de jongeren in. Dit andere geluid – houden jullie bij het maken van de keuzes ook rekening met toekomstige generaties? – doet echt ander licht op de keuzes schijnen. Door de oproep van JongRES komen in Drenthe bijvoorbeeld de gevolgen van het uitsluiten van windmolens op land op tafel. De balans tussen zon en wind in de RES 1.0 is daardoor veranderd.
Samenvattend: de kracht van het netwerk zit in alle betrokken partijen hun rol laten spelen in het proces, niet alleen overheden. De markt gaat altijd sneller dan de overheid.
Sleutelfiguren in de regio
Elke regio krijgt een klein organisatiebudget, stelt een onafhankelijk bestuurlijk trekker aan en vormt een compact ambtelijk team onder leiding van een RES-coördinator. De bedoeling is tweeledig: slagvaardig bestuur op regionaal niveau én een ambtelijk hart dat de vele gemeenten, provincies, waterschappen, netbeheerders en maatschappelijke partners met elkaar verbindt.
De regio’s gaan aan de slag met het organiseren van een proces waarin deze partijen gezamenlijk zouden komen tot een concept-RES en RES 1.0. Een startnotitie met uitgangspunten vormt de basis voor afstemming en een gesprek met volksvertegenwoordigers. Diverse raden geven kaders mee.
Gaandeweg het werken aan de concept-RES en RES 1.0 komen er vele vragen op tafel. Hoe ga je om met de kaders van volksvertegenwoordigers van individuele gemeenten, provincie en waterschap als daar tegenstijdigheden in zitten? Hoe betrek je volksvertegenwoordigers bij de regionale afwegingen die afwijken van de eigen kaders? Hoe stel je een gezamenlijk opgesteld document vast in gemeenteraden, Provinciale Staten en algemene besturen van waterschappen en hoe ga je om met moties en amendementen? Hoe maak je afwegingen die soms lokaal pijn doen, maar regionaal het verschil maken? Hoe houd je bestuurders en volksvertegenwoordigers gecommitteerd – ook over bestuursperiodes heen?
Binnen de regionale samenwerking zijn in dit proces vanaf het begin twee rollen cruciaal; die van de bestuurlijk trekker en de RES-coördinator. De bestuurlijk trekker is degene die over de betrokken partijen heen bestuurlijk verantwoordelijk is voor het regionale samenwerkingsproces en het opleveren van een gezamenlijk op- en vastgestelde RES 1.0. De RES-coördinator is de organisatorische spin in het regionale web. Enerzijds zorgt deze voor de verbinding met de bestuurders, maar vooral is hij of zij degene die samenwerking tussen de professionals, vaak lokale en provinciale ambtenaren, experts vanuit de netbeheerder en andere stakeholders organiseert. In de loop van de tijd kwamen daar rollen bij: communicatie- (en participatie)adviseur(s), data-experts, juristen, ruimtelijke beleidsmakers, et cetera. Veelal vindt de samenwerking op thema’s in werkgroepen zoals elektriciteit, warmte en participatie plaats.
De Handreiking RES 2.0 beschrijft de functie van RES-coördinator als volgt: verantwoordelijk voor de procesbegeleiding, eerste ambtelijk aanspreekpunt voor NP RES en ‘rechterhand’ van de bestuurlijk trekker. Een Groningse vacaturetekst laat zien hoe dat er in de praktijk uitziet: de coördinator bewaakt integraliteit, stimuleert draagvlak en houdt het tempo erin bij tien gemeenten en twee waterschappen. Zorgt voor continuïteit en tempo in het inhoudelijke proces. Verbindt ambtenaren van gemeenten, provincie, waterschappen en netbeheerder rond één agenda, waardoor kennisdeling en gezamenlijke oplossingen op gang komen.
De bestuurlijk trekker is het ‘gezicht en geweten’ van de regio. In de Handreiking staat dat de bestuurlijk trekker verantwoordelijk is voor het regionale RES-proces, de bestuurlijke afstemming organiseert en aanspreekpunt is voor NP RES, koepels en departementen. In de praktijk kan dat een wethouder, gedeputeerde, burgemeester of onafhankelijke voorzitter zijn. Sommige regio’s werken zelfs met duo-trekkers om de zwaarte van de klus te verdelen.
NP RES: aanjager en verbinder
Hoe ondersteun je dertig regio’s en een landelijk netwerk in een bewegend vraagstuk? We zoomen in op de rollen in het nationaal programma en de rol van het programma bij het kennis ontwikkelen en delen, het leren van en met elkaar en het zicht houden op de regionale voortgang.
NP RES ondersteunt, stimuleert en faciliteert de dertig regio’s. Denk aan het ontwikkelen en delen van kennis, procesondersteuning (bij besluitvorming, participatie e.d.), lerende community’s, de expertpool, tal van kennisproducten, thematrekkers, communicatiemiddelen, en data-ondersteuning (analyses, rekenmethodieken etc.) En dan hebben we het nog niet over de oliemannetjes en -vrouwtjes en onze rol als cricital friend voor regio’s of departementen. Ook zorgt het nationaal programma ervoor dat de lessen en signalen uit de praktijk terechtkomen bij de opdrachtgevers: de koepels van gemeenten, provincies en waterschappen (VNG, IPO, Unie van Waterschappen) en de ministeries van VRO en KGG, in nauwe afstemming met de netbeheerders verenigd in Netbeheer Nederland.
Evaluatie van NP RES in 2024
“Het programma heeft goed zicht op wat er speelt in de regio’s en op landelijk niveau, is in staat om deze ontwikkelingen te vertalen naar bruikbare en relevante kennis en kan deze vervolgens breed verspreiden. Daarbij wordt de juiste balans gevonden tussen generieke kennis en regiospecifieke ondersteuning. NP RES heeft daarbij nagenoeg alle regio’s in enige mate weten te ondersteunen, ondanks de verschillen tussen de RES-regio’s (zoals: fase van uitvoering, aantal gemeenten, politiek klimaat). Daarbij is het programma proactief en adaptief: NP RES reageert snel op ontwikkelingen en vertaalt die naar kennis. De RES-regio’s geven aan dat zij zonder de inzet van NP RES niet hetzelfde kennisniveau hadden gehad als zij nu hebben en zien NP RES als onmisbaar in hun RES-proces.”
Het kennis ontwikkelen en delen en het leren met elkaar groeien mee met de opgave.
In het samenspel met de regio’s en de landelijke opdrachtgevers zijn binnen NP RES drie rollen te onderscheiden:
Accounthouders
Accounthouders vormen de schakel tussen regio’s en het landelijke programma met daarachter departementen en koepelorganisaties van gemeenten, provincies en waterschappen. Ze zijn dagelijks aanspreekpunt voor RES-coördinatoren en bestuurlijk trekkers in de regio’s. Ze schuiven aan bij regionale ontwikkeldagen, ondersteunen bij bijeenkomsten, voeren individuele gesprekken, verbinden mensen uit regio’s met elkaar en met deskundigen op departementen en bij RVO. De accounthouders weten wat er speelt in de dertig regio’s en landelijk en vervullen zo een verbindende (proces)rol. Ook voeren ze halfjaarlijks gesprekken in de regio waarin ze achtergronden ophalen, knelpunten signaleren en betrokkenen verbinden om het nationale doel dichterbij te brengen. Zo is in coronatijd dankzij signalen uit de regio’s meer tijd gemaakt voor het maken van de concept-RES. En werd vroegtijdig geconstateerd dat netcongestie begon te leiden tot aanpassing van de snelheid van projecten in regio’s. Ook werden met de regio’s al snel de gevolgen in beeld gebracht van de aangescherpte voorkeursvolgorde zon en de onduidelijkheid rondom de milieunormen voor windturbines. Datzelfde geldt voor de impact van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie. Informatie en signalen komen via de accounthouders direct op tafel bij de betreffende overheden.
Thematrekkers
De thematrekkers schakelen voortdurend met de regio’s, kennispartners en landelijke opdrachtgevers op hun thema. Zo zijn er thematrekkers energiesysteem, leefomgeving, wind, zon en participatie. Een deel is gedetacheerd vanuit een van de opdrachtgevers, maar werkt zonder last en ruggespraak aan het thema bij NP RES. De thematrekkers brengen op inhoud mensen bijeen vanuit de praktijk, andere programma’s, koepels en departementen. Met elkaar diepen zij hun thema uit en brengen het verder vanuit vragen en dilemma’s uit de praktijk. Deze opgedane kennis wordt weer actief gedeeld in webinars, explainervideo’s, documenten, leer- en ontwikkelsessies, sprints et cetera. Naast kennis opbouwen hebben de thematrekkers ook een belangrijke rol in het vernieuwen van en aanjagen op hun thema. Denk aan werkgroepen rondom knelpunten, het opzetten van de Helpdesks Wind op Land en Zonopwek, het leertraject Energie in de Leefomgeving, datasprints, een dataportaal, de Hackathon, Transform, energieparticipatie.nl, het manifest van DRIFT en de essaybundel ‘Nieuwe paden zoeken in transitietijd’. Zo brengen ze nieuwe inzichten en beweging in het netwerk.
Liaisons
De liaisons zijn de verbinders tussen de programmaorganisatie en haar opdrachtgevers. Ze zijn onmisbaar gebleken in het proces de afgelopen zes jaar. Zij schakelen voortdurend tussen twee werelden en geven invulling aan de ‘tweebenigheid’ waar Geert Teisman het over heeft in zijn essay Leren om spagaten te maken tussen doelen bereiken en waarde creëren. Zij halen en brengen kennis en informatie van de eigen organisatie naar het programma en visa versa. Zij zijn de eersten die aanvoelen als iets schuurt of op spanning staat of als het ingewikkeld wordt tussen de opdrachtgevende organisaties onderling of tussen de regiopraktijk, het programma en de eigen organisatie. Er is zo een plek voor het bespreken van de spanning tussen de eigen organisatiebelangen en het gezamenlijke belang in de RES.
Naast inhoud en relaties is communicatie cruciaal gebleken. Om signalen op te vangen uit samenleving en media, scherp op toon en taal te letten en daarmee het verbindingswerk te ondersteunen. Maar ook om communicatiemiddelen te maken, gericht op het vertolken, vertalen en versimpelen van complexe inhoud voor verschillende doelgroepen. Communicatieprofessionals binnen NP RES spelen een verbindende, verhelderende en aanjagende rol. Verbindend door bij het maken van middelen en handreikingen samen te werken met communicatie- en participatieprofessionals in de regio’s: een warm netwerk dat kennis en signalen uit de samenleving deelt. Verbindend ook in het delen van kennis met andere landelijke klimaat- en energieprogramma’s in het Landelijk Communicatie Netwerk Klimaat. Verhelderend door tools als de gespreksassistent (vraag-en-antwoordpagina’s), explainervideo’s, een digitaal toegankelijke NP RES-website, vele praktijkverhalen en actieve inzet van LinkedIn om doelgroepen te bereiken. Aanjagend in de betrokkenheid bij de landelijke campagne ‘Van Hoe naar Zo’, een onderzoek onder jongeren over de energietransitie en de participatieve-waarde-evaluaties (PWE’s), om een impuls te geven aan ‘het verhaal over nut en noodzaak van de energietransitie’. Iedere regio heeft een communicatie- en/of participatieprofessional die naast het werk in de uitvoering ook signalen ophaalt en kennis verder brengt naar onder andere gemeenten. Mede door de communicatie landelijk én in de dertig regio’s over de RES is de energietransitie bekend geworden bij volksvertegenwoordigers en (georganiseerde groepen van) inwoners en bedrijven.
Kennis ontwikkelen en delen en leren van en met elkaar
Er is geen blauwdruk voor de route tot aan 2030. Het is in zekere zin doelgericht aan de slag en intelligent vooruit struikelen: als het werkt doorgaan, en wanneer het niet werkt weer een nieuw pad kiezen. De RES manier van werken groeit op een organische manier. Het verbindingswerk begon met de RES-coördinatoren en de bestuurlijk trekkers. Daarna gingen de communicatieadviseurs elkaar opzoeken, en de dataspecialisten. Er kwamen ontwikkelgroepen van regio’s, waarin actuele vraagstukken werden uitgeplozen; de één een aanpak deelde die de ander ook kon gebruiken. En dat telkens weer. Zo werd de verbinding tussen ruimtelijke ontwikkeling en het energiesysteem gelegd, werd in vele regio’s de opgave verbreed van alleen opwek naar het gehele energiesysteem, kwam er een hackathon voor innovatie, en ga zo maar door. De ondersteuning om dit soort vuurtjes verder aan te wakkeren is daarbij onmisbaar. In het leren spelen wetenschappers een cruciale rol. Af en toe wordt aan wetenschappers gevraagd om van buitenaf te reflecteren op de energietransitie, de regio of een specifiek onderwerp daarbinnen. De verbinding tussen beleid, praktijk en wetenschap maakte dat het leren meer diepgang kreeg.
Een belangrijk en structureel onderdeel van de werkwijze zijn de ‘vaste’ kennis- en leermomenten. De opkomst bij het RES Beraad, de RES-coördinatorendagen, het communicatienetwerk, netwerk van dataspecialisten, webinars, leren met het netwerk en het congres is altijd hoog. Met een interessant inhoudelijk relevant aanbod wordt voorzien in een gedeelde behoefte om te leren en elkaar daarin op te zoeken.
RES-coördinatoren treffen elkaar vier keer per jaar een middag in Amersfoort. Daar worden ze gevoed met ontwikkelingen die landelijk spelen. Maar vooral ook met goede voorbeelden, werkende hulpmiddelen en actuele ervaringen in interactieve sessies. De kennis verspreidt zich via deze mensen haast vanzelf verder door het land. De gezamenlijke appgroep met accounthouders zorgt voor korte lijntjes. En ook de bestuurlijk trekkers zien elkaar zo’n vier keer per jaar, afwisselend online en fysiek, om dilemma’s te bespreken, ervaringen uit te wisselen en zich te laten voeden door nieuwe inzichten vanuit het Rijk of wetenschappers. De ontmoetingen zijn informeel, interactief en verbindend. Naast inhoud maakt het ‘lotgenotencontact’ het waardevol. Deze manier van werken is organisch doorgegroeid naar communicatieadviseurs en dataspecialisten.
Daarnaast worden er naar behoefte kleinere bijeenkomsten of juist massale webinars georganiseerd om kennis en ervaring op te bouwen en uit te wisselen. In de ontwikkelgroep energiesysteem gaan coördinatoren bijvoorbeeld met elkaar de diepte in op een inhoudelijk onderwerp, altijd aan de hand van voorbeelden en ervaringen uit de regio’s. Voor een breed publiek organiseren we jaarlijks meerdere keren ‘RES in vogelvlucht’, een introducerende kennissessie voor nieuwe RES-medewerkers, bestuurders en volksvertegenwoordigers, die zelfs na zes jaar nog telkens dertig tot veertig nieuwe deelnemers trekt. Daarnaast zijn er specialistische netwerken zoals het Landelijk Communicatie Netwerk Klimaat, voor iedereen die vanuit of samen met de overheid communiceert over de klimaatopgave.
Kennis uitwisselen, netwerken en leren gebeurt ook in groter verband op het jaarlijkse congres. Sinds 2023 wordt dat samen met het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie georganiseerd en trekt het meer dan 1400 deelnemers. Zo’n 60 workshops vormen de basis van het programma, waarin de praktijk steevast centraal staat.
Relevante informatie is online beschikbaar voor iedereen. De website van NP RES ontsluit veelgestelde vragen en antwoorden, nieuws, relevante Kamerbrieven, praktijkverhalen, explainervideo’s, de essayreeks Transitietijd, analysekaarten en de RES-Viewer zijn publiekelijk beschikbaar via de website van NP RES.
Het kennis ontwikkelen en delen en het leren met elkaar groeien mee met de opgave. Andere mensen en disciplines raken betrokken bij de regionale energietransitie. Zo groeit een netwerk van netwerken.
Landelijk zicht op de regionale voortgang
Naast kennis en leren is zicht op het doelbereik in de dertig regio’s van belang. Liggen we op koers voor 2030? Of is aanpassing, bijsturing nodig? En wie moet dan wat doen?
De uitgangspunten voor het bewaken van de voortgang in het proces zijn tweeledig: zorgen dat de regio’s meebewegen met veranderende omstandigheden en het zicht op het doel niet kwijtraken, en in dat proces de gewenste resultaten blijven leveren. Vanaf het begin is de communicatie erop gericht dat geen van de regio’s de RES 1.0 uit zou voeren zoals in 2021 vastgesteld. Maar dat dit document eerder het startpunt is van een gezamenlijke reis richting de 35 TWh. In zo’n complex transitievraagstuk kan namelijk niemand een periode van 10 jaar overzien. Gedeelde deadlines voor concept RES, RES 1.0 en de voortgangsdocumenten helpen om koers te houden. Ze geven vastigheid en collectiviteit in een bewegend speelveld én mogelijkheden voor eventuele aanpassing van de koers. Net als vaste ijkmomenten zoals de bestuurlijke reflectiegesprekken, voortgangsrapportages, RES-foto en jaarlijkse monitor van PBL. Ze voeden het leren en reflecteren.
Een tweejaarlijkse cyclus is voorzien om de regionale plannen aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Dit blijkt in de praktijk onwerkbaar. Mede door de komst van de Omgevingswet, die ervoor zorgt dat de RES een programma wordt onder de Omgevingswet met een verplichte mer-procedure. Zo lijkt een goed idee – adaptiviteit in het proces organiseren en zicht houden op de voortgang – te verworden tot een bureaucratisch en arbeidsintensief proces. Dat kan niet de bedoeling zijn. Dus is het proces van herijken en verantwoorden aangepast. De vaste iteratie voor inhoudelijke herijking van de RES is losgelaten. Iedere regio herijkt op het moment dat het in de regio relevant is. De tweejaarlijkse rapportage over doelbereik vanuit de regio’s, kwalitatief en kwantitatief, is vastgehouden. Deze voortgangsrapportages zijn openbaar en laten de ontwikkeling in de periode vanaf de vastgestelde RES 1.0 uit 2021 goed zien. De voortgangsdocumenten van 2023 en 2025 zijn voor iedereen te vinden.
Om de voortgang van de regio’s kwantitatief beter te kunnen monitoren, is een begrippenkader RES – een uniforme set van definities, terminologie en structuren – ontwikkeld. Alle betrokkenen – in de regio en landelijk bij CBS, RVO, PBL – gebruiken inmiddels dezelfde definities en terminologie. Deze gedeelde taal helpt. Hierdoor kunnen gegevens op dezelfde manier worden geïnterpreteerd. Dit heeft een enorme omslag gevraagd, zowel in de regio’s als landelijk. Doordat gegevens volgens vaste standaarden worden vastgelegd, is het beter mogelijk datasets onderling te vergelijken en op te tellen. Een helder kader dwingt tot expliciete afspraken over validaties, datatypen en verplichte velden. Daar komt bij dat data-experts minder tijd hoeven te besteden aan het ‘vertalen’ van verscheidene bronnen. Toepassing van gemeenschappelijke standaarden maakt uitwisseling met externe partijen en derdepartijsoftware ook soepeler. Ook de ontwikkeling van data en monitoring gaat stapsgewijs. Er was behoefte aan een gezamenlijk monitorinstrument dat de uitwisseling van data tussen overheden ook zou vergemakkelijken.
Inmiddels is er een eerste versie van een dataportaal waar regio’s data uitwisselen en ook zelf zicht kunnen houden op de voortgang. Ook kunnen regio’s data benutten voor het maken van strategische keuzes voor het energiesysteem.
Naast de kwantitatieve input voert NP RES ambtelijke en bestuurlijke reflectiegesprekken. Deze zijn gericht op het stimuleren van het reflecteren en leren.
Vanwege veranderingen in de zoekgebieden voor wind en zon voeren de Noord-Hollandse energieregio’s een RES-herijking uit. Hierin veranderen de zoekgebieden, maar de RES-kaders en -ambities niet. Bij de besluitvorming was het even puzzelen. “Hoe die besluitvorming het best kan plaatsvinden, was nog wel een puzzel We hebben daarvoor gespard met bestuurders en ambtenaren en bijvoorbeeld ook met de griffiers van de gemeenten. De vraag is hoe je zorgt voor optimale democratische legitimiteit en een pragmatische aanpak. Wat is de bevoegdheid van de gemeenteraden bij de RES? En hoe gaan we om met de verschillen tussen gemeenten? Er zijn namelijk ook gemeenten waar niets is veranderd in de zoekgebieden. Moeten de raden daar dan ook een besluit over nemen? Voor dat soort vraagstukken hebben we mogelijke oplossingen en scenario’s aangedragen, waarover onze bestuurlijke opdrachtgevers beslissingen hebben genomen.” Wies Thesingh, programmamanager Noord-Holland Noord (18-03-2024)
Uit: manifest ‘De kracht van de Regio’, met praktijkvoorbeeld Noord-Hollandse RES-regio’s pakken door met Herijking RES 2024
Besluitvorming in regioverband kan best een puzzel zijn. Elke betrokken overheid beslist over beleid en plannen op het eigen grondgebied, maar er is ook samenwerking op het niveau van de RES-regio met een gezamenlijk RES-bod. In de regio Alblasserwaard werden in één ruimte twee raadsvergaderingen tegelijkertijd gehouden om gezamenlijke besluiten te nemen. “Op deze manier is het mogelijk om in elkaars gezelschap met elkaar te debatteren over eventuele moties, amendementen en het voorstel zelf, maar toch zelfstandig als raad besluiten te nemen.” Marjolein Teunissen, griffier van Molenlanden (06-02-2024)
Uit: manifest ‘De kracht van de Regio’, met praktijkvoorbeeld Alleen ga je sneller, samen kom je verder
Om wat er speelt in de dertig regio’s – de stand van zaken – overzichtelijk te presenteren, maken we vanuit NP RES twee keer per jaar een zogenoemde foto. Op deze foto wordt de dagelijkse werkelijkheid van de dertig regio’s gevangen in een stilstaand beeld. Anders dan bij een ‘echte’ foto duiden we de ontwikkeling in de regio’s. Op de foto duiden ook landelijke samenwerkingspartners als de NVDE, JongRegio en de Participatiecoalitie de ontwikkelingen. En we gebruiken de foto om thema’s, kansen en knelpunten die spelen in de transitie te signaleren en agenderen.
Input voor de foto zijn gesprekken met de regio’s (ambtelijke gesprekken in het voorjaar, bestuurlijke gesprekken in het najaar) en de talrijke bijeenkomsten. Naast zicht op de voortgang in de regio, nemen we in de foto ook signalen op. Zoals de behoefte aan een landelijk beleidskader voor SMR en batterijopslag: dit omdat de praktijk leerde dat nieuwe ontwikkelingen vragen om sturing van de overheid zodat de markt niet vanuit louter commerciële marktbelangen het voortouw neemt. Als de regio’s vinden dat landelijke ontwikkelingen niet snel genoeg gaan, dan neemt één regio het voortouw en deelt de inzichten met de andere regio’s met behulp van NP RES. Zoals recent met een beleidskader voor batterijopslag. Dit speelde volop in RES West-Brabant. De regio heeft – ondersteund door de expertpool RES – een beleidskader batterijopslag ontwikkeld. Dit kader, samen met de inzichten, wordt vervolgens via een webinar weer gedeeld met andere regio’s. Een schot in de roos, blijkt uit de honderden aanmeldingen. Waarom het aanslaat? Omdat het praktisch is én aansluit bij de lokale praktijk.
Enthousiasme en energie tijdens bestuurlijke gesprekken met de RES-regio’s om terug te blikken op de RES 1.0 en vooruit te kijken naar de RES 2.0. “Ik geloof in regie vanuit het Rijk. Maar ik zie nu met hoeveel enthousiasme en energie de regio’s werken aan het boeken van resultaat en het klaren van deze klus. Dat de regio’s samen een bod van 55 TWh uitbrachten, fors hoger dan het doel van 35 TWh voor 2030, zegt natuurlijk ook wel iets. De sfeer in de gesprekken was goed. De betrokkenheid is groot, net als de wens om samen te werken en verbinding te zoeken met inwoners, maatschappelijke organisaties en talloze andere belanghebbenden. Die energie en saamhorigheid was misschien met meer regie vanuit het Rijk toch niet zo op gang gekomen.” Karin Dekker, wethouder Assen en vertegenwoordiger namens de VNG (09-12-2021)
Uit: manifest ‘De kracht van de Regio’, met praktijkvoorbeeld: Ik zie veel enthousiasme en energie in de regio’s
De foto laat dus de gezamenlijke beweging in de regio’s zien, maar geeft geen antwoorden op vragen als: hoe staat regio X ervoor, en waarom loopt het in sommige regio’s gesmeerd en in andere regio’s juist niet? De praktijkverhalen op de foto geven een inkijkje in de praktijk. Daarmee is een ‘stoplichtenoverzicht’ voorkomen. Dat doet namelijk geen recht aan de complexe realiteit en de verschillen per regio. Wel voeren we dit praktijkgesprek in diverse sessies samenmet de opdrachtgevers van NP RES in het Opdrachtgevend Beraad (OGB). En in een online kennisbijeenkomst ‘leren met het netwerk’ die gekoppeld is aan de lancering van de foto. Hier voeren regio’s, landelijke vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties zoals Energie Samen, NVDE, JongRES, NMF, koepels en departementen samen het gesprek over: Waar staan we nu? Wat is er de komende periode nodig om de beweging gaande te houden? Wie kan daarvoor wat doen? Ook wordt de foto gepresenteerd aan journalisten van landelijke en regionale media en vakbladen. Zodat ook voor hen het proces van de RES inzichtelijk en navolgbaar is.
PBL geeft in zijn jaarlijkse RES-monitor kwantitatief inzicht in hoe een regio er individueel voorstaat met betrekking tot het eigen doel. Ook geeft deze monitor aan of de regio’s samen op koers liggen voor het doelbereik in 2030. Naast kwantitatief inzicht geeft de monitor van PBL de ontwikkelingen in het speelveld goed weer en reflecteert hij op de rol van de overheid in deze transitie.
Met de foto, de onafhankelijke jaarlijkse op leren gerichte monitor RES van PBL en een kansen- en knelpuntenoverzicht slaan we, denken we, een brug tussen de behoeften van de landelijke opdrachtgevers aan inzicht, grip en controle op de voortgang en de realiteit en diversiteit van het regionale speelveld. Zicht op de voortgang van het RES-proces is niet alleen bedoeld om te weten of we samen het doel halen, maar juist ook om te leren en reflecteren en zo mee te bewegen met veranderende omstandigheden. Vanaf het begin is ruimte gecreëerd voor regio’s om hun plannen aan te passen aan veranderende inzichten en omstandigheden: de RES Herijking.
- Voorjaar: gesprek tussen accounthouder en RES coördinator. Inzichten landen op de landelijke RES foto van juni en daarover vindt een gesprek plaats tijdens RES-coördinatorenmiddag, het RES Beraad, Leren met het Netwerk en de opdrachtgevers.
- Najaar: vergelijkbaar gesprek mét de bestuurlijk trekker, iemand uit MT NP RES en samen met de accounthouder en vertegenwoordigers van koepels (VNG, IPO, Unie van Waterschappen), departementen (KGG en VRO) en netbeheerders. Deze inzichten komen op de foto van december. En net als in juni vindt daarover een gesprek plaats tijdens RES-coördinatorenmiddag, RES Beraad, Leren met het Netwerk en de opdrachtgevers.
- Twee keer per jaar: publicatie en terugkoppeling van de RES foto naar stakeholders en media.
- Jaarlijks december: de reflectieve monitor RES (PBL), gebaseerd op de data uit de regio’s, bijeenkomsten en eigen onderzoek.
- Tweejaarlijks: regionale voortgangsrapportages, vastgesteld door bestuurders (colleges) en de regionale stuurgroep (met maatschappelijke partners, netbeheerder en bedrijfsleven).
Welke inzichten hebben de RES manier van werken gevoed en gevormd?
Dit hoofdstuk geeft aan welke wetenschappelijke en theoretische inzichten de RES manier van werken hebben gevoed en gevormd de afgelopen jaren: samenwerken in netwerken, tweebenigheid, transitiedenken, werken in tussenruimtes, het belang van samen taal en betekenis geven, dialoog en meervoudig verbindingswerk.
Aan de RES manier van werken liggen inzichten uit de veranderkunde, bestuurskunde en transitieleer ten grondslag. De RES-praktijk is de afgelopen jaren ook gevoed met nieuwe inzichten. Dit samenbrengen van wetenschap en praktijk draagt bij aan het leren in de praktijk én in de wetenschap. De praktijk wordt gevoed met kennis vanuit onderzoek, de wetenschap wordt gevoed met praktijk en uitgedaagd om haar kennis zo te ontsluiten dat het door professionals in de praktijk benut kan worden. De kennisontwikkeling en kennisdeling vinden plaats via tal van manieren: trainingen, bijeenkomsten, webinars, kennissessies, dilemmasessies, ontwikkelgroepen, essays, praktijkverhalen, werkbezoeken, case- en actieonderzoeken. Zo leren we in netwerken met en van elkaar bijvoorbeeld over het omgaan met complexiteit, het belang van ruimte voor variëteit, netwerksturing, transitiedenken, polarisatie en weerstand, en gedragsinzichten. Het samen leren, via gesprekken en het gebruik van taal samen betekenis geven, en zo samen verhaal maken is onderdeel van ons werken in de tussenruimte.
De schrijvers in de eerste serie Transitietijd en diverse anderen hielpen het RES-proces verder, zoals Arash Aazami (gedistribueerde energie/energiesysteemdenken), Thea Draijer (deep democracy/polarisatie), Eva Kuit (waarachtig verhaal), Jan Rotmans (transitiedenken), Eva Wolf (waarde van weerstand) en Floor Ziegler met haar boek Een wereld van gemeenschappen.
“Als RES sta je in een breder regionaal verband als de GMR niet alleen.” Dimitri Horsthuis-Tangelder, wethouder in Overbetuwe en bestuurlijk trekker van de RES (16-02-2024) “We sluiten makkelijk aan bij andere opgaven en thema’s. Neem een onderwerp als netcongestie. Dat heeft sinds vorig jaar een grote impact op de uitvoering van de RES. Maar het speelt veel breder, ook bijvoorbeeld op het gebied van wonen. Rond integraal programmeren sloten we daarom aan bij de bestaande gebiedstafels van de opgave Groene Groei. Zo maak je gebruik van elkaars kennis en expertise.” Ine van den Hurk, procesregisseur van de RES (16-02-2024)
Uit: manifest ’De kracht van de Regio’, met praktijkvoorbeeld Wij hebben een opgave en die voeren we samen uit
Samenwerken in netwerken
Het werken in netwerken en netwerksturing vormen een strategische keuze, geen universele oplossing en zeker geen oplossing voor alle vraagstukken. Met name wicked problems, complexe vraagstukken met meerdere actoren, die niet door één actor kunnen worden opgelost, hebben baat bij een netwerkaanpak. Het netwerkdenken van Martijn van der Steen en Geert Teisman vormt een belangrijke bouwsteen in de RES. Dat dit kan werken, hebben we in het werken aan de RES ervaren. Hier is een netwerk van netwerken ontstaan.
Samenwerking tussen overheid, markt, maatschappelijke organisaties en inwoners is nodig om antwoorden te vinden op de vragen waar we voor gesteld staan. Deze vraagstukken zijn vaak ‘van nationaal belang’ maar manifesteren zich lokaal. Samenwerking is nodig en ontstaat omdat partijen een gedeeld belang hebben, niet omdat ze door iemand worden aangestuurd. De netwerken zijn veranderlijk, partijen haken aan en af en krijgen gaandeweg andere taken, rollen en verantwoordelijkheden. Het samenspel en de sturing moeten dan wel meebewegen. Dat vraagt om dynamiek en flexibiliteit. En om onderling vertrouwen, procesgerichtheid en adaptiviteit.
Zo ook in de RES. Het nationale RES-doel kan alleen bereikt worden in samenwerking tussen diverse partijen in de regio. Het initiatief lag aanvankelijk bij provincie, gemeenten en waterschap om de regionale samenwerking vorm te geven rondom het opwekdoel en de bovengemeentelijke warmtebronnen. Samen met netbeheerders en maatschappelijke partners. Het Rijk is daarbij niet de baas van de RES, maar ondersteunt en faciliteert via kaders, financiële middelen en wet- en regelgeving.
De overheid is vaak een belangrijke facilitator. Zelfbewustzijn van de eigen positie, rol en houding vanuit de overheid, is in samenwerking met andere partijen essentieel. Dit is zeker van belang wanneer het de bedoeling is dat anderen (mede-)eigenaarschap pakken en verantwoordelijkheid nemen.
De verschillende bestuursniveaus hebben eigen – verschillende – bestuurlijke vertegenwoordigingen en democratische arrangementen. Hoe die zich tot elkaar verhouden is in de RES voortdurend onderwerp van gesprek én discussie. De zoektocht die daaruit voorkomt, geeft weer hoe we in deze transitie worstelen met samenwerking tussen partners en met de samenleving. De echte samenwerking zit in het durven maken van keuzes die nodig zijn voor de toekomst, maar die bij sommige actoren of in sommige gebieden meer pijn doen dan bij anderen. Hoe doe je dat rechtvaardig? En vanuit wiens perspectief? Hoe steun je elkaar? Een nieuw onderstation, windpark of zonnepark wordt niet ‘gelijk’ over het grondgebied verdeeld. Sommige gemeenten, en daarmee inwoners en ondernemers, dragen voor deze transitie meer dan anderen. Omdat dat nodig is voor het wonen, werken en zich verplaatsen van alle inwoners en ondernemers in het gebied.
Op het regionale speelveld zie je dit terug. In sommige regio’s worstelen provincie en gemeenten over hoe, wanneer en op welke manier het gezamenlijk afgesproken regionale doel te realiseren. Het vaak ongemakkelijke gesprek wordt vermeden maar is onderdeel van de manier van werken. Je kunt niet samenwerken zonder het stellen van grenzen, het elkaar aanspreken, het delen van zorgen, twijfels en niet weten. Samenwerken vraagt om zelfkennis, verbinding en vertrouwen. Hoe dit samenspel in de regio effectief te organiseren is onderdeel van de transitie. Het vraagt een vorm van communicatie, elkaar aanspreken en leiderschap dat verder gaat dan de formele taak en rolomschrijving.
Het essay Taal voor transitie van Van der Steen et al. uit 2020 reflecteert op de eerste fase in de RES-samenwerking. In latere NSOB-essays laten Martijn van der Steen c.s. (2021,2024, 2025) de worsteling tussen Rijk, provincie en regio in de praktijk zien bij opgaven zoals de energietransitie, asiel en woningbouw: “Terwijl ze op landelijk niveau ‘op de vergadertafel liggen’ en worden besproken, manifesteren ze zich op lokaal niveau vaak direct aan de keukentafel. Daar zijn ze voelbaar, direct en dagelijks aan de orde.”
Ook hebben we ons laten inspireren door Thijs Homan, met zijn inzichten dat verandering niet planbaar en lineair is, maar een chaotisch proces. Een proces waarin tal van betekeniswolkjes – gesprekken en interpretaties tussen mensen die het gedrag sterk beïnvloeden – met elkaar botsen en daarmee van betekenis zijn voor en van invloed op de verandering. Het netwerk van netwerken in dertig regio’s is zelf ook zo’n betekeniswolkje geworden.
Iedere transitie kent een fase van ongemak en weerstand die ontstaat wanneer gevestigde belangen en routines worden uitgedaagd.
Tweebenigheid
Sturing in netwerken vraagt om ‘tweebenigheid’. Geert Teisman heeft de RES met zijn manier van kijken en denken beïnvloed. In tal van bijeenkomsten voor bestuurders, ambtenaren en netwerken inspireerde hij en reflecteerde hij, meestal aan de hand van casussen, op het RES-proces. In zijn reflectie kwam hij steevast met de opmerking dat als je er niet uitkwam, je het complexer moest maken. In zijn brieven aan Co Verdaas legde hij vaak de vinger op de zere plek. Met die inzichten konden we in de praktijk weer verder in de zoektocht naar het professioneel vorm geven van samenwerking in complexe processen.
In zijn laatste essay: Leren om spagaten te maken, tussen doelen bereiken en waarde creëren, introduceert hij het begrip tweebenigheid. Dat is het vermogen van professionals om met één been stevig te blijven staan in hun eigen organisatie – waar doelen, budgetten en formele besluiten worden verankerd. En met het andere been flexibel mee te bewegen in informele netwerken – waar coproductie en waardecreatie over organisatiegrenzen heen plaatsvinden. Sturen op doelen en het regisseren van coproductie vormen, in Teismans woorden: “Twee eigen krachten die, in elkaar versterkende balans, zorgen voor geslaagde transities.”
Voor het werk binnen de RES is die tweebenige houding onmisbaar gebleken. Het administratieve been geeft het proces legitimiteit: het agendeert problemen, verdeelt middelen en maakt afspraken bindend. Het adaptieve been creëert juist de ruimte waarin publieke, private en maatschappelijke partijen nieuwe combinaties kunnen uitproberen, hun belangen kunnen herformuleren en samen waarde kunnen scheppen voor de energietransitie. Zodra een van beide benen vastloopt, dreigt fragmentatie: organisaties blijven dan hangen in eigen resultaatverplichtingen, terwijl netwerkpartners de gelegenheid missen om hun ideeën werkelijk te verweven. Tweebenigheid herstelt die balans. Doordat verbindingswerkers, zoals RES-coördinatoren, continu schakelen tussen formele regels en de ‘tussenruimtes’ die experimenten en leerprocessen mogelijk maken.
Transitiedenken
Het transitiedenken zat aanvankelijk beperkt in de opdracht en RES manier van werken. Het doel, de 35 TWh, was heel concreet, instrumenteel, geformuleerd. Er was aan de Klimaattafels gerekend en naast besparen, importeren en andere duurzame bronnen zoals wind op zee moest er ten minste 35 TWh duurzame elektriciteit op land opgewekt worden in 2030. Iedere regio ging aan de slag met ‘rekenen’ en ‘tekenen’ hoe ze kon bijdragen aan het doel. Er werd gekeken hoe de opwek ingepast kon worden in de ruimte. Waar is er nog ‘plek’ omdat er geen andere ruimtelijke functies zijn die een claim leggen? Waar vallen windmolens het minste op in het landschap? De iteratieve opzet met de herijking gecombineerd met het systematisch terug- en vooruitblikken in het voortgangsdocument vormde een basis om het transitiedenken meer in de RES manier van werken te laten landen. Want de opgave is zo veel meer dan alleen terawatturen tellen.
De energietransitie heeft zowel een technologische als een economische, institutionele, sociale en maatschappelijke kant. Het denken van Jan Rotmans met Omarm de Chaos en zijn eerdere essay ‘RES’en: van Doel naar Beweging heeft, samen met de X-curve van Derk Loorbach, het RES-proces beïnvloed. Ze brachten de noodzakelijke aandacht voor ‘transitieruimte’ of ‘transitiepijn’ in. En lieten zien dat een transitie een botsing is tussen een wegvallende oude stabiliteit en een nieuw systeem dat “zich nog niet heeft gevormd met alle emoties, onzekerheden en ongemakken van dien”. Het oude trekt nog, terwijl het nieuwe nog geen voet aan de grond heeft. Iedere transitie kent een fase van ongemak en weerstand die ontstaat wanneer gevestigde belangen en routines – in dit geval het gecentraliseerde fossiele energiesysteem – worden uitgedaagd.
Het transitiedenken werd ook heel concreet en voelbaar in de haardvuursessies ‘De wereld van B’, waar voorlopers uit verschillende hoeken met pensionado’s, ondernemers en kunstenaars bijeenkwamen in een schapenhut op de Veluwe. De gesprekken waren geïnspireerd op het ‘van A naar B, via B’ van Martijn van der Steen. De gesprekken waren bedoeld om de wereld van B – de wereld van decentrale en duurzame energie – beter te begrijpen. We kunnen de overgang van de wereld van vandaag (A) naar de wereld van morgen (B) alleen maken volgens de principes van de wereld van morgen, dus van B. Maar dat vraagt inzicht in welke principes er ten grondslag liggen aan dat nieuwe perspectief, want dan pas kunnen we handelen naar die principes. Zodat we niet langer van A naar B gaan volgens de principes van A, maar volgens die van B. Dit leidde tot een set van ‘principes van de wereld van B’ en regionale wereld-van-B-sessies. De luiken werden opengezet om na te denken over de sociale, economische, institutionele, technologische en maatschappelijke kant van de transitie.
Zo ontstond het bewustzijn dat energie een randvoorwaarde is voor wonen, werken en zich verplaatsen en dat de verandering van het energiesysteem vanuit die sectoren wordt gedreven. Mensen willen geen energie, ze willen een huis, een auto en een baan, en daar is energie voor nodig. Maar met de decentralisering en verduurzaming van onze energiebronnen zijn betaalbaarheid en beschikbaarheid van energie niet meer zo vanzelfsprekend als bij fossiele energie.
De gesprekken over het toekomstige energiesysteem zijn nog volop gaande. Het Rijk zet in zijn visie op het toekomstig energiesysteem (NPE) in op een grotere rol voor decentrale en coöperatieve ontwikkelingen. Het spel is volop op de wagen. De trekkracht van het oude, de groei van het nieuwe: het is er allemaal. Overheden, markt, maatschappelijke partijen en inwoners zijn in beweging. Elke ontwikkeling kent winnaars en verliezers. Het is een plicht voor ons allemaal om de transitie duurzaam, eerlijk en rechtvaardig te laten zijn en het gat tussen rijk en arm niet verder te vergroten.
In de RES zien we dat heel concreet bij bijvoorbeeld keukentafelgesprekken, waar bewoners enerzijds openstaan voor duurzame initiatieven, maar anderzijds vrezen dat hun landschap en leefomgeving gaan veranderen. Maar ook tussen maatschappelijke initiatieven en gemeenten, netbeheerders en overheden kan het schuren wanneer rollen en belangen verschuiven. Pijn en frictie zijn in gesprekken met regio’s steevast genormaliseerd en benoemd, vaak met neutrale procesbegeleiding (accounthouders) en korte leerlussen: wat werkt, wordt opgeschaald; wat schuurt, wordt in gesprekken verdiept. Door transitieruimtes expliciet in governance te verankeren – met informele sessies en ontwikkelgroepen – kunnen regio’s deze pijnpunten identificeren en omzetten in leermomenten.
Het transitiedenken is daarmee direct van invloed geweest op de RES- gemeenschap.
Werken in tussenruimtes
Het begrip tussenruimte wordt door tal van wetenschappers gehanteerd. Gemeenschappelijke elementen zijn: denken en handelen en zich verhouden tot anderen op plekken waar het reflecteren en het creëren van alternatieve werkelijkheden plaats kan vinden. Niet voor niets haalt Co Verdaas in zijn essay: Intelligent vooruit struikelen in de tussenruimte Geert Teisman, Manuel Castells, Hannah Arendt en Michel Foucault aan. In de RES staat het begrip tussenruimte voor de informele lerende samenwerkings- en ontmoetingsplek voor provincie, gemeenten, waterschap, netbeheerders en maatschappelijke organisaties. Een plek waar niemand de baas is en waar deze partijen vanuit gelijkwaardigheid samen werken aan de opgave. Ieder vanuit zijn eigen taak/rol en met oog voor de verantwoordelijkheden en belangen van de ander, die ook werkt aan de gezamenlijke opdracht. De tussenruimte kent geen grenzen. Partijen in de regio’s bepalen zelf wat ze op tafel leggen om aan te werken.
De regio verbindt de organisaties die gezamenlijk én ieder in hun eigen bestuurslaag besluiten moeten nemen. Ze biedt een tussenruimte om belangen en dilemma’s in een gelijkwaardig gesprek met elkaar te bespreken. Deze gesprekken vergroten het wederzijds begrip doordat ze inzicht geven in elkaars rol, opgave en belangen. De regio beperkt zich niet tot overheden; het gaat ook om andere partijen in de samenleving. Netbeheerders, natuurorganisaties, energiecoöperaties, et cetera kunnen aan regiotafels door het land meepraten en -denken over het energiesysteem. Hierdoor ontstaat er een betere afstemming tussen plannen en kunnen gemeenten, provincie, waterschap en netbeheerder samen met maatschappelijke partners in een regio de lasten en lusten evenwichtiger verdelen in het gebied.
De regio speelt op veel plekken een waardevolle rol in de voorbereiding van de besluitvorming door gemeenten en provincies. Bestuurlijke keuzes stranden als partijen het samen goed doen minder vaak. De tegenstrijdige belangen zijn in het proces op weg naar besluitvorming al beetgepakt. Als dat proces goed is doorlopen. En dat was zeker niet altijd en overal het geval. We zagen dat daar waar volksvertegenwoordigers onvoldoende waren meegenomen in het proces ze het gevoel hadden dat ze moesten tekenen bij het kruisje. Het is dus belangrijk dat wethouders en ambtenaren hun raden goed meenemen in de belangenafwegingen en gedeelde keuzes met buurgemeenten en partners. En dat blijven doen, in de vorm van een permanente dialoog, want buiten de tussenruimte heeft iedereen nog steeds zijn rol en verantwoordelijkheid.
“De energietransitie is geen solovaart, maar een gezamenlijke reis. We varen niet op losse schepen, maar in een vloot waarin iedere gemeente, ondernemer, inwoner en partner zijn eigen rol heeft, én tegelijk bijdraagt aan onze gezamenlijke koers. Juist in de regio vinden we de balans tussen de menselijke maat en de grote opgaven van onze tijd. Door onze krachten, kennis en middelen te bundelen, bouwen we niet alleen aan een duurzaam energiesysteem, maar ook aan een veerkrachtige gemeenschap die voorbereid is op de toekomst.” – Stefan van Someren, voorzitter stuurgroep RES FruitDelta Rivierenland.
Uit: Manifest de kracht van de regio’s
Samen taal en betekenis geven
Het zoeken naar een gedeelde taal en betekenis, de theorie van sensemaking van Weick, vormt een belangrijk basis voor de RES manier van werken. We hebben gezien hoe het samen betekenis geven aan ervaringen, inzichten en het samen interpreteren, helpen om een koers te kunnen kiezen in een bewegend speelveld. De impact van COVID-19 op het RES-proces, de publieke uitspraak ‘zet de windmolens maar op zee’ van een minister, de stijgende gasprijzen en daarmee de groeiende urgentie, de polarisatie, de aangescherpte voorkeursvolgorde zon door het Rijk, de motie-Erkens: het zijn zo maar voorbeelden van waar het steeds weer samen betekenis geven aan waar we met elkaar staan, cruciaal is gebleken om de beweging regionaal gaande te houden. Hiermee worden onzekerheid, verandering en ambiguïteit permanent onderdeel van het proces. Met name het RES Beraad, de RES-coördinatorendagen en informele oploopjes helpen hierbij.
Het RES Beraad heeft zich in de jaren doorontwikkeld van elkaar informeren (Rijk en regio’s) en kennisdeling aan de hand van praktijkvoorbeelden naar een groep van lotgenoten die naast kennis ook hun worstelingen en successen en lief en leed delen. Het lotgenotencontact heeft naast een verdiepende ook een verbindende werking. Hetzelfde geldt voor RES-coördinatorenmiddagen, het communicatienetwerk, de ontwikkelgroep en in zekere zin ook het congres.
Het samen verhaal maken, het proces van samen betekenis geven, helpt bestuurders, volksvertegenwoordigers en professionals in de RES bij het omgaan met de voortdurende onzekerheid. Het samen onderzoeken, bevragen en daardoor begrijpen van wat er gebeurt en wat dat betekent voor het eigen handelen, verbindt én maakt minder eenzaam. De gesprekken helpen bij het filteren, interpreteren en structureren van informatie. De RES-foto die twee keer per jaar verschijnt, de monitor van PBL, de voortgangsdocumenten van de regio’s: het is allemaal tastbare input voor gesprekken in het netwerk. Bij crises of bij onverwachte gebeurtenissen – zoals bijvoorbeeld de motie-Erkens, die voorstelde om de RES in 2030 of eerder op te heffen, maar ook rondom de aangescherpte voorkeursvolgorde zon – stuurt NP RES vaak een mail met een eerste duiding. Daarna wordt het gesprek erover georganiseerd. Het effect van deze gesprekken is dat in de regio’s betrokkenen hun interpretaties op elkaar afstemmen, wat cruciaal is voor samenwerking. En ook de blogs, de website, de essays en de continue updates van de vraag-en-antwoordpagina’s zijn voortdurend manieren geweest om in tijden van onzekerheid houvast te creëren zodat de beweging door zou gaan. De zoektocht RES levert ook nieuwe taal op: zoals RES manier van werken, tussenruimte. trappenhuis, etc..
Dialoog: meerstemmigheid en ruimte voor dilemma’s
In het RES-proces is het voortdurend zoeken naar het aan tafel krijgen van alle relevante stemmen. Dat dit belangrijk is voor een gedragen uitkomst stond vanaf het begin als een paal boven water. Daarom is er stevig ingezet op maatschappelijke betrokkenheid en democratische besluitvorming. Daar waar het gelukt is om meerstemmigheid aan tafel te krijgen en de dialoog te voeren in plaats van te debatteren, is de regionale beweging het krachtigst geworden.
Een dialoog helpt bij het versterken van samenwerking en gelijkwaardigheid omdat in een goede dialoog mensen zich gehoord voelen. Een dialoog maakt het ook mogelijk om informatie, emoties en waarden te integreren en van elkaar te leren. Het goede gesprek, de dialoog, is essentieel in het verkennen van verschillende perspectieven en het behouden van meerstemmigheid. In verbinding met elkaar het gesprek aangaan, ideeën en waarden uitwisselen, vormt een belangrijke basis in gesprekken met inwoners en volksvertegenwoordigers, voor- en tegenstanders. Het is een voortdurende zoektocht in omgaan met weerstand, andere stemmen en andere geluiden. Hoe maak je ruimte voor verschil? Hoe ga je om met verschillende perspectieven als je zelf een sterke voorkeur hebt? Mooie voorbeelden van dat een goede dialoog bijdraagt zijn de Mutual Gains-aanpak en het burgerforum in Regio Foodvalley, het participatieproces in de Alblasserwaard en de gesprekken met inwoners van Goeree-Overflakkee.
Het is voor bestuurders vaak best spannend om twijfels en dilemma’s uit te wisselen in plaats van standpunten. Een goede dialoog bevordert gelijkwaardigheid, maar vraagt om kwetsbaarheid, open luisteren en het uitstellen van oordelen. En dat gaat niet vanzelf. We hebben ons hierin laten voeden en inspireren vanuit de deep democracy, de dilemmalogica van Guido Rijnja, het werk van Bart Brandsma als het gaat om polarisatie en de kracht van het stille midden en waardevolle inzichten over het belang van de participatieve democratie van onder andere Eefje Cuppen, Eva Wolf, Marlies Honingh en Martien Kuitenbrouwer.
Meervoudig verbindingswerk
Verbindingswerk, aandacht voor het noeste handwerk van tal van mensen, zit diep in het DNA van de RES. Het zijn de mensen die het verschil maken. Een transitie, waarin niemand het overzicht heeft en dus niemand in staat is het geheel te overzien en te sturen, vraagt om eigenaarschap en betrokkenheid van velen. Het vraagt om een zwermaanpak met een breed scala aan interventies. Hans Vermaak heeft ons met zijn eerdere werk, maar zeker ook met zijn laatste boek De logica van de lappendeken, Verbindingswerk rond vraagstukken die van iedereen en van niemand zijn helpen begrijpen wat we in de RES hebben gedaan en hoe regionale diversiteit en samenhang van binnenuit kunnen samenvloeien.
Het boek roept daardoor veel herkenbaarheid op bij allen die in de RES-gemeenschap werken. Hij geeft ons taal, een verhaal en modellen voor de praktijk van ‘werken in netwerken’, ‘verbindingswerk’ en ‘adaptief sturen’.
Over complexe vraagstukken zegt Vermaak in zijn laatste boek treffend: “Diep, breed en snel kan met dezelfde interventie niet tegelijkertijd.” Je hebt verschillende interventies nodig voor diep, breed en snel. Dat dat zo is, hebben we in de praktijk ervaren. De RES begon niet voor niks met een ‘kleine’ vraag naar het zoeken van geschikte locaties voor de grootschalige opwek van duurzame elektriciteit en het analyseren van bovengemeentelijke warmtebronnen. Als vanaf dag een het decentrale deel van het energiesysteem de opdracht was geweest, waren we nu minder ver geweest, vermoed ik. En ook het getal van ten minste 35 TWh – wat iets concreets en tastbaars qua gevoel oproept – heeft geholpen. De RES was in het begin alleen van en voor ‘energiemensen’. Er waren veel duurzaamheidsmensen en inhoudelijk deskundigen betrokken. De kring werd groter door landschapsarchitecten, ruimtelijke ordenaars, planologen, netbeheerders, dataspecialisten, innovators, participatiedeskundigen, communicatiedeskundigen, volksvertegenwoordigers, betrokken inwoners et cetera. Deze mensen keken vanuit het eigen vakgebied of hun eigen interesse met verbazing en verwondering naar de RES. Het principe van ‘the whole system in de room’ heeft gezorgd voor nieuwe verbindingen. Dit schakelen maakte de kring van betrokkenen groter en groter. En de samenhang en verbindingen tussen domeinen steviger. Ook is vanuit nieuwsgierigheid of frustratie regelmatig een steen in de vijver gegooid. De wereld van B-sessies, de Hackathon, Transform, het DRIFT-manifest en de essaybundel zijn daar voorbeelden van. Deze interventies waren bedoeld om het kritisch denken en daarmee het handelen te beïnvloeden: doen we de goede dingen en doen we de dingen goed in de RES?
Om snel breed en diep te komen zijn dus andere interventies nodig. Ze zijn aanvullend en zorgen voor robuustheid en stevigheid. Hans onderscheidt drie dimensies die elkaar versterken:
- Spreiden: professioneel verbinden en kennis delen, vaak tussen vakmensen die ongeveer hetzelfde doen; als het ingewikkeld wordt, wordt het interessant.
- Schakelen: institutioneel verbinden, tussen organisaties of bestuurslagen maar ook tussen vakgebieden en thema’s, en bestuurlijke of juridische blokkades slechten.
- Spitten: vastgeroeste patronen en belangen omwoelen en openbreken, zowel politiek als klein in je eigen praktijk, onder andere met pilots en experimenten en het introduceren van andere manieren van denken.
Deze drie dimensies of interventies zie je in alle gelederen van het RES-netwerk terugkomen. Reflecterend kan je ze best een rode draad door de RES manier van werken noemen. In bijlage 1 hebben we de NP RES -interventies geplot op het spreiden, schakelen en spitten.
Verbindingswerk in de praktijk
In dit deel zoomen we in op de werkende elementen in de RES manier van werken. Hoe werkt de theorie in de praktijk? We zoomen in op de kracht van de regio, bevragen en verwonderen, doe- en deelruimtes, kwetsbaarheid, het belang van taal en in gesprek zijn en blijven en voortdurend meebewegen met het doel voor ogen.
Om in te zoomen op betekenisvolle onderdelen in de RES manier van werken van de afgelopen zes jaar is in dit onderdeel geput uit: eigen ervaringen, de monitor PBL, de foto’s met de stand van zaken uit de regio’s, de tussenevaluatie NP RES en het onlangs verschenen manifest De kracht van de Regio: een verhaal van de regio’s samen waarin ze aan de hand van eigen praktijkvoorbeelden laten zien wat voor hen de kracht van samenwerken in de regio is.
De RES manier van werken is uitgegroeid tot een heus begrip. Die was er niet geweest zonder de vele mensen die zelf gepassioneerd aan de slag zijn en kennis delen, verbindingen leggen en er zo voor zorgen dat het netwerk van netwerken zich voedt en uitbreidt. Netwerken die zijn ontstaan vanuit verbindingswerk, niet andersom.
Kracht van de regio
De regionale schaal is voor veel aspecten van de energietransitie het werkbare midden omdat zij groot genoeg is om de energie, ruimte en infrastructuurpuzzel over gemeentegrenzen heen te leggen, maar klein genoeg om elkaar te kennen, draagvlak op te bouwen en maatwerk te leveren. Er zijn gebieden waar de provinciegrenzen en regionale schaal samenvallen, zoals in Friesland, Flevoland, Drenthe, Groningen en Zeeland. Op andere plekken is de provincie te groot om samen stappen te zetten en is deze opgedeeld in regio’s en soms zelfs subregio’s.
De kracht van de regio zit in het elkaar kennen, dezelfde taal spreken, een gedeelde identiteit. Hierdoor is het gemakkelijk informeel te verbinden: schakelen tussen mensen, belangen, bestuurslagen en schaalniveaus. De regio's de plek waar betrokkenheid en gedeeld eigenaarschap ontstaan zijn. Ook fungeert de regio volgens een RES-coördinator als schokdemper: “Meerjarige, bestendige, doelgerichte afspraken, autonoom/eigenwijs, ‘onverstoorbaar’ doorzetten. Ook, of juist, als gemeenten, provincies, Den Haag of Brussel vertraagd of wisselvallige beleid voeren.”
De regio is een concreet gebied met een gedeelde historie, gedeelde netwerken, een gedeelde betrokkenheid en taal. Daar gebeurt het: het stellen van de ambities, het bepalen van de juiste focus, het onderweg aanpassen aan de omstandigheden. Met andere woorden: iedere regio heeft zijn eigen dynamiek. Voortdurend moet er worden geschakeld vanuit het regionale naar het lokale, provinciale, nationale en soms zelfs Europese. Dit schakelen vindt plaats op tal van verschillende manieren; formeel en informeel, via stukken, overleggen, ontmoetingen. De rode draad is dat het mensenwerk is. Via relaties wordt van alles aan elkaar geknutseld en geknoopt.
Het uitpluizen van wat doen we op welke tafel en hoe voorkomen we bestuurlijke en ambtelijke drukte en dubbel werk is daarbij voortdurend onderwerp van gesprek. Want ook als niemand de baas is en niemand het alleen kan, moet het samenwerken wel effectief zijn en blijven.
Toekomstgericht bevragen en verwonderen
Nieuwsgierigheid is een gezonde eigenschap in complexe vraagstukken zoals de energietransitie. Het is 2020: er zit te veel zon in de concept-RES en dat is niet goed voor het elektriciteitsnet, aldus de netbeheerders. Te veel zon nu (in 2020) of in 2050? Een goede vraag, maar die bleek nog niet zo eenvoudig te beantwoorden. Een gezamenlijk beeld van het toekomstige energiesysteem ontbrak nog. In Nederland waren we begonnen met bouwen aan een systeem waarvan we zelf niet precies wisten hoe het eruit zou komen te zien en wat het moest doen. En dus gingen we in de RES samen op verkenning naar hoe het energiesysteem van de toekomst eruitziet. Wat voor nieuwe kenmerken brengt het met zich mee en wat betekent dat voor de weg om daar te komen en de keuzes die gemaakt worden? Onder leiding van Arash Aazami vonden ergens op de Veluwe rondom het open vuur de eerdergenoemde gesprekken plaats met experts, beleidsmakers, kunstenaars, pensionado’s en bestuurders die elkaar vonden rondom deze vraag. Wat leidde tot de eerste set aan ‘principes van de wereld van B’.
De principes van de wereld van B werden in workshops in de regio’s in gesprek gebracht. Enkele bestuurders spraken na verloop van tijd zelfs over ‘de planeet B’. Voorafgaand aan het RES-congres van 2023 werd een hackathon rond dit thema georganiseerd, om in een divers gezelschap dieper in te gaan op wat er nodig was voor het energiesysteem van de toekomst. Waardevolle inzichten werden opgedaan, die verdere validatie en verdieping nodig hadden. Uit de Hackathon groeide al snel een innovatienetwerk: Transform. Een netwerk van innovators uit markt, overheid en maatschappelijk middenveld die vanuit verschillende domeinen kennis en ervaring opdoen, samenbrengen en uitwisselen. Inmiddels publiceert Transform jaarlijks een actieonderzoek op basis van de inzichten uit het netwerk. Dicht bij de praktijk zonder taken, rollen of verantwoordelijkheden over te nemen. Ook het actieonderzoekstraject met DRIFT leidde tot inzichten die de boel opschudden; zoals het ongelijke speelveld en hoe financiële instrumenten ‘het nieuwe’ op achterstand zetten en houden. Het manifest van DRIFT en de uitkomsten van de driedaagse deep dive door Transform zijn gebruikt voor de Kamerbrief over decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem.
Activiteiten gericht op het opschudden van bestaande structuren en manieren van denken en handelen zijn nodig om ruimte te creëren voor vernieuwing en innovatie. De werkgroepen rondom de knelpunten, de heisessies Principes van de wereld van B, de Hackathon, Transform, de toekomststoel (aangeboden aan destijds verantwoordelijk minister Rob Jetten), het prachtige spoken word van Nienke Laverman bij de opening van het congres in 2022 en ook de essaybundel ‘Nieuwe paden zoeken in transitietijd’ zijn voorbeelden hiervan. Het waren pogingen om bij te dragen aan de vernieuwing.
Dit is het diepgravende deel van het verbindings- en aanjaagwerk: je komt (bedoeld en onbedoeld) aan belangen en machtsstructuren, zodat nieuwe – soms ongebruikelijke – combinaties kunnen ontkiemen. In de RES-praktijk betekent dat het zichtbaar maken én bevragen van ingesleten patronen: welke waarden sturen onze keuzes, welke groepen worden stelselmatig niet gehoord en welk taalgebruik bekrachtigt oude verhoudingen?
We hebben het meest geleerd van tegenstanders en kritische medestanders.
Doe- en deelruimtes
Een van de kenmerken van het RES-netwerk is het heen en weer schakelen tussen doe- en deelruimtes. Iedere regio heeft een eigen doeruimte, een eigen praktijk waarin het gebeurt, de ruimte waar eenieder zelf invloed op heeft. Regelmatig stappen regiocoördinatoren en RES-bestuurders uit deze eigen doeruimte in de gedeelde deelruimte, zoals het RES Beraad of de regionale stuurgroep, om te verbinden met de gemeenschappelijkheid en het gezamenlijke perspectief. Deze wisselwerking levert gedeelde ambitie en eigenaarschap op, betrokkenheid en initiatieven.
Niet alleen de regio’s schakelen tussen de doe- en deelruimtes. Ook de accounthouders van NP RES, communicatieadviseurs en RES-coördinatoren doen dat continu. Door bijvoorbeeld praktijkverhalen te beschrijven, niet alleen ter inspiratie maar ook om deze op te tillen naar toepasbare praktijken voor andere regio’s.
Niet alle regio’s zijn altijd even actief. Soms ontbreekt een zekere samenhang of een zeker commitment, soms is er onvoldoende doeruimte in een bepaalde fase. Binnen het netwerk is dat prima. Ook al is er even geen ruimte om dingen te doen, er is altijd ruimte om te blijven denken en uitwisselen. Concreet vult NP RES de gezamenlijke deelruimte met een breed palet aan leeractiviteiten en kennisproducten: Community of Practice-sessies, peer-to-peeruitwisselingen, RES-dagen, handreikingen, factsheets en praktische tools als het Afwegingskader. Regio’s krijgen zo zowel inhoudelijke stimulansen als een ‘veilige proeftuin’ om ideeën uit te proberen zonder dat elke stap direct bestuurlijk wordt afgerekend.
Ook de eigen werkwijze van NP RES is daarop ingericht. In het Programmaplan van NP RES staat expliciet dat NP RES ‘opereert in de tussenruimte, redenerend vanuit de opgave, vanuit een onafhankelijke rol’. Die opgavegerichte blik voorkomt dat discussies verzanden in organisatiebelangen. De RES-manier van werken houdt de ruimte open om alternatieven te verkennen en te leren terwijl men werkt.
Er is een veelheid aan kleine acties. Elke regio verdiept op eigen momenten – een burgerforum hier, een routekaart daar – en deelt inzichten en contacten met het grotere netwerk. Zo ontstaat een ritme tussen het lokale en het netwerk: de doe- en deelruimtes.
De Noord-Hollandse regio’s organiseerden voor besluitvormende raden, Staten en algemene besturen van de waterschappen een ‘reflectiecongres’ om hen goed te informeren en om met elkaar het gesprek aan te gaan. “Het is soms lastig om raadsleden te bereiken. En dat is ook begrijpelijk, want de RES is natuurlijk maar een van de vele onderwerpen waarmee zij zich bezighouden. Toch is het belangrijk dat zij straks weloverwogen en goed onderbouwde besluiten kunnen nemen. Daarom brengen we tijdens zo’n reflectiecongres volksvertegenwoordigers onder andere in contact met belanghebbenden, zoals agrariërs, landschaps- en natuurorganisaties en energiecoöperaties, zodat zij van elkaar weten wat hun standpunten en ideeën zijn en raads-, staten- en algemeen-bestuursleden uitgaan van de juiste aannames. We zijn ook bezig met het organiseren van een bustour langs interessante duurzame projecten. Want juist daar kun je het goede gesprek voeren en alle vragen stellen.” Wies Thesingh, programmamanager regio Noord-Holland Noord (12-02-2020)
Uit: manifest ‘De kracht van de Regio’s, met praktijkvoorbeeld Kennis delen en zaadjes zaaien
Lopen op twee benen: bestuurlijk en ambtelijk vakmanschap in de praktijk
In de dagelijkse praktijk zien we dat de mensen die werken aan de RES regelmatig een spagaat moeten maken: ze bewegen zich in de formele arena waar ze mensen en middelen moeten regelen bij gemeenten, provincie en waterschap. Of waar ze gemeenteraden en Provinciale Staten besluiten laten nemen over een regionaal programma energiesysteem, plan-mer, voortgangsrapportage of herijking van de RES. De formele arena zorgt voor legitimeit. En de samenwerkingsplek in de regio, de informele arena, is de plek waar zij in samengestelde denk- en doeruimtes helpen bij cocreatie en coproductie tussen mensen van verschillende partijen. Dit vraagt om souplesse en slim samenspel. Beide arena’s vragen om andere proces- en communicatievaardigheden.
En dat vraagt van deze professionals voortdurend balanceren tussen deze twee werelden in een en dezelfde beweging. Bij het werken aan de RES is bovendien het lef nodig om te spreken over voorstellen die afwijken van bestaande beleidslijnen van de eigen organisatie. En die voorstellen ook weer naar de formele wereld terug te brengen voor besluitvorming. Andersom krijgen besluiten van organisaties meerwaarde wanneer ze worden hergebruikt en verrijkt in het netwerk; ook daarin schuilt de essentie van tweebenigheid. Wie leert die spagaat professioneel uit te voeren, hoeft niet te kiezen tussen zekerheid en souplesse: beide blijken voorwaarden voor een energietransitie die zowel voortgang boekt als kwaliteit toevoegt.
Kwetsbaarheid
Het werken in en aan een transitie vraagt om samen zoeken en onderzoeken. Het duidelijk zijn over wat je weet, maar ook het aangeven wat je nog niet weet, is daar onderdeel van. Net als op weg gaan, oefenen en experimenteren in de praktijk om zo meer te weten te komen. Ook het aangaan van gesprekken met andersdenkenden is daar onderdeel van. Juist dat scherpt je eigen gedachten, mits je je oordeel durft los te laten. We hebben het meest geleerd van tegenstanders en kritische medestanders. Niet iedereen ziet op eenzelfde manier het nut en de noodzaak van windturbines of zonnepanelen op land. Waardesystemen en opvattingen botsen regelmatig. Het tonen van empathie, echt luisteren en het laten zien van je eigen ongemak maken sterk. Bestuurlijk trekkers schromen vaak niet om eigen worstelingen en ervaringen in te brengen. De kracht die daarvan uitgaat is enorm.
Het tonen van deze kwetsbaarheid vraagt om kalmte en beweging tegelijk. Mensen die dat beheersen zijn in staat het conflict niet weg te masseren, maar het in een bredere, gedeelde context te plaatsen. Ze zijn in staat de taal te verhelderen, het gesprek te verbreden en via een serie kleine, zichtbare stappen te laten zien dat meedoen aan de energietransitie effect heeft. Zo wordt de polariserende energie van het debat omgevormd tot de verbindende energie die de RES beoogt.
Coördinatoren, bestuurders en NP RES’ers stappen regelmatig samen bewust uit hun eigen praktijk om te reflecteren op hun eigen ongemak, taal en frames. Dat vraagt veel van jezelf als mens.
Het belang van taal en een verhaal
De woorden die we kiezen kleuren ons begrip. Ze zijn niet neutraal. Ze sturen onze ratio en emoties en beïnvloeden uiteindelijk de koers van samenleving en beleid. Wanneer we spreken over ‘schone energie’ en ‘duurzame groei’, roepen we een sfeer van optimisme en vooruitgang op. Doelen zoals ‘klimaatneutraliteit in 2050’ moeten bestuurders en beslissers een urgentiegevoel geven. Aan de andere kant mobiliseren milieuorganisaties via een andere taal. Door te spreken van ‘er is geen planeet B’ ontstaat een narratief van urgentie en morele plicht. De verschillende narratieven zijn nooit onschuldig. Ze hebben tastbare gevolgen voor beleid en maatschappij. Elk woord, elke metafoor en elke framing is doordrenkt van strategische keuzes die onze percepties, emoties en besluitvorming sturen. In de energietransitie bepaalt de taalkeuze niet alleen het publieke debat, maar ook de richting van investeringen, de invulling van beleid en de mate van sociale rechtvaardigheid. Door ons bewust te zijn van de kracht van framing en narratieven, kunnen we scherper kijken naar welke belangen achter bepaalde termen schuilgaan. Alleen dan kunnen we de transitie niet alleen technisch, maar ook democratisch en eerlijk vormgeven.
In gesprek zijn en blijven
Als dertig regio’s gelijktijdig het gesprek aangaan met volksvertegenwoordigers, maatschappelijke organisaties, inwoners en ondernemers ontstaat al gauw een kakafonie aan geluiden. Conflicten slaan – mede onder invloed van social media – over tussen regio’s. Ze reizen als het ware van Amsterdam via het Gooi naar Twente en de Achterhoek. Voor- en tegenstanders van energieprojecten lieten zich duidelijk horen, de stille meerderheid verdwijnt steeds meer naar de achtergrond. De discussie is op veel plekken verengd en verhard. Vooral windturbines waren en zijn vaak de steen des aanstoots. Zijn ze mooi of lelijk? Tasten ze het landschap aan? Hebben ze invloed op de gezondheid van omwonenden? Is er overlast van geluid en wat is daarin acceptabel?
Het RES-netwerk is al gauw geen abstract en ver-van-mijn-bedconstruct meer, maar een stellingname binnen een conflict. Er ontstaat een wij/zij-scheiding, waarin het niet meer gaat over energie die we allen nodig hebben, maar windturbines die niemand wil. Daarmee is de ontstane energie binnen het netwerk tegelijk de kwetsbaarheid daarvan. Voor je het weet ben je met z’n allen partij in het maatschappelijke of politieke debat. Het is de kunst om in gesprek te blijven met andersdenkenden en criticasters. NP RES heeft altijd de verbinding opgezocht met andersdenkenden. Het andere geluid mag er zijn en moet gehoord kunnen worden, ook als je er zelf anders naar kijkt. We zochten naar manieren om ruimte te bieden aan het andere geluid, omdat er altijd een zorg, verlangen of wens onder zit die aandacht verdient. NP RES startte samen met KGG een dialooggroep met daarin de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines (NLVOW), Windalarm en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, coöperaties en het Rijk om elkaar beter te begrijpen. En ook met diverse individuen voerden we tal van gesprekken. Zonder aandacht voor andere geluiden geen gezamenlijke transitie. Door die narratieven samen te ontrafelen voorkom je dat het gesprek vastloopt op uiterlijke symbolen en breng je het weer terug naar de onderliggende gemeenschappelijke behoefte.
Zes jaar RES lieten zien dat energie ontstaat waar mensen elkaar vinden, elkaar vertrouwen, wat gunnen, spanningen verdragen en de koers verleggen.
Voortdurend meebewegen met het doel voor ogen
Met het doel voor ogen hebben de regio’s zelf de eigen focus en scope verbreed. Energie is verbonden met het heden en de toekomst van het gebied. De voortgangsrapportages (2025) laten duidelijk zien dat het niet langer gaat over het organiseren van de grootschalige opwek van duurzame elektriciteit met behulp van zonne- en windenergie. De regio’s zijn aan de slag met duurzame energie voor wonen, werken en zich verplaatsen. En dat vraag ook decentraal dat de vraag en het aanbod, opslag en transport meer in samenhang met elkaar moeten worden aangepakt. Maar het vraagt vooral om een visie op het gebied; hoe willen we hier wonen, werken en ons verplaatsen en wat vraagt dat van energie? De visies van West-Brabant, Regio Foodvalley en Stedendriehoek laten deze ontwikkeling mooi zien. De RES is in veel regio’s gegroeid naar een gebiedsgerichte aanpak. Waarbij het oorspronkelijke doel niet uit het oog is verloren. De regio’s samen liggen op koers voor het gezamenlijke doel van ten minste 35 TWh in 2030, maar belangrijker nog: de afgelopen vier jaar heeft geen van de regio’s het eigen doel naar beneden bijgesteld. Sommige geven aan het later te gaan realiseren, op andere plekken omdat die toch beter zijn, of met andere technieken. En dat is verstandig, want het doel is niet de 35 TWh, maar een duurzaam democratisch en robuust energiesysteem. Zodat we ook in de toekomt energie hebben voor wonen, werken en ons verplaatsen op een manier waarbij we de planeet zo min mogelijk schade toebrengen.
Tot slot
Bij het sluiten van het Klimaatakkoord was het motto: meer samen, minder top-down. Op dat moment wist niemand hoe gelijktijdig en gelijkwaardig werken aan één nationaal doel in dertig regio’s eruit zou zien.
De mensen in de regio’s, in het brede netwerk en bij NP RES staken hun handen uit de mouwen en gingen enthousiast, vol vertrouwen en gedreven aan de slag. Gedreven vanuit het gezamenlijke, voorbij het eigen belang. Een lerend en (onder)zoekend proces.
Van een concept-RES naar een vastgestelde RES 1.0, een uitvoeringsprogramma RES, een herijkte RES of een regionaal programma energiesysteem. Een iteratief maar vooral ook adaptief en transitiegericht proces. Van focus op 35 TWh duurzame elektriciteitsopwek op land naar de decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem. Van windmolens en zonnevelden naar het organiseren van voldoende beschikbare en betaalbare duurzame energie voor iedereen om te wonen, werken en zich te verplaatsen. Van een technisch aangevlogen opdracht naar een sociaal-maatschappelijke en vooral menselijke opgave. Van een afspraak uit het Klimaatakkoord naar: we hebben elkaar nodig omdat geen van de organisaties in staat is het geheel te overzien en te sturen. Waarbij de regio fungeert als een informele samenwerkingsplek voor overheden, maatschappelijke partners, netbeheerders, inwoners en ondernemers.
Van incidentele contacten en ontmoetingen naar een hecht netwerk waarin kennis ontwikkelen, kennis delen en samen leren telkens een hoger niveau bereikt. Een netwerk dat inmiddels bestaat uit ontelbaar veel relaties en subnetwerkjes waarin mensen met elkaar werken aan vraagstukken, om ze te verdiepen of te verbreden of om institutionele barrières om te woelen. Waar verschil gekoesterd wordt en waar aangehaakt wordt op waar de energie op zit. Waar mensen de verbindende en cruciale schakel zijn. En waarbij het voortdurend zoeken is naar het samenspel tussen het eigene en het gezamenlijke, het individuele en het collectieve, de ‘ik’ en de ‘wij’.
De regio is ‘van iedereen en niemand’ maar voelt voor velen inmiddels als een vertrouwde tussenruimte waar het prettig is om samen aan oplossingen te werken, krachten te bundelen, inzet van mensen te delen, ideeën te toetsen, spanningen te benoemen en nieuwe combinaties te verkennen. Een energiek verbond van mensen.
Is deze manier van werken op alle vraagstukken van toepassing? Zeker niet! Het past niet voor simpele vragen waarbij samenwerken niet nodig is. En ook voor crisissituaties is het niet de eerste aanpak waaraan we denken. Maar deze manier van werken is zeker op meer vraagstukken van toepassing. Vraagstukken die zich kenmerken door meerschaligheid, tal van actoren, een duidelijke stip, maar tegelijkertijd ook nog volop onduidelijkheid en onzekerheid als het gaat over de weg en de te maken keuzes. Dan is het een mooie lerende manier van werken die eraan bijdraagt dat mensen voortdurend openstaan voor andere perspectieven. Vanuit een open, onderzoekende en luisterende houding. Resultaten zijn het gevolg van een interactie waarin uit de uitwisseling van denkbeelden, waarden en opvattingen een gezamenlijke keuze wordt gemaakt. Er is ruimte voor uitwisseling, ontmoeting, reflectie, kwetsbaarheid, gedoe. Waar de meerderheid de stem van de minderheid serieus hoort, weegt en meeneemt in de keuzes.
Gelijkwaardig samenwerken is nooit vanzelfsprekend. Mensen vormen de basis. Het begint met vertrouwen, maar vraagt ook om elkaar aan te spreken op houding, gedrag en rolneming. En vergeet voorbeeldgedrag en open communicatie niet. Zeker wanneer het ongemak te groot wordt of er ineens macht om de hoek komt kijken, het spannend wordt en het schuurt. Het is de kunst, maar ook een hele kunst, om juist dan gelijkwaardigheid in de samenwerking en het informele te behouden.
Zes jaar RES geven ons het inzicht en vertrouwen dat deze manier van regionaal samenwerken bijdraagt aan werken in en aan maatschappelijke opgaven, zoals de energietransitie. De manier van werken is verre van ideaal of perfect. Maar goed genoeg om te werken met wat er is en wat zich voordoet. Met als kern vertrouwen op en in elkaar, stap voor stap intelligent vooruit struikelen, de ander zien en behandelen als gelijke. En als het dan even anders loopt of tegenzit, helpen elkaar steunen, humor en enthousiasme. Samenwerken geeft én kost energie. Maar als het lukt om de krachten te bundelen en benutten is het meer dan de moeite waard.
Wat als enérgeia niet alleen een begrip is, maar een gewoonte? Zes jaar RES lieten zien dat energie ontstaat waar mensen elkaar vinden, elkaar vertrouwen, wat gunnen, spanningen verdragen en de koers verleggen. De kern zit in de mensen. Zo verandert potentie in werkelijkheid. Enérgeia als gewoonte, als manier van werken, is daarmee een oproep aan ons allen: ga zo door!
Bijlage 1 RES-producten en -diensten in spreiden, schakelen, spitten
Spreiden: professioneel verbinden en kennis delen, vaak tussen vakmensen die ongeveer hetzelfde doen; als het ingewikkeld wordt, wordt het interessant.
Schakelen: institutioneel verbinden, tussen organisaties of bestuurslagen maar ook tussen vakgebieden en thema’s, en bestuurlijke of juridische blokkades slechten.
Spitten: vastgeroeste patronen en belangen omwoelen en openbreken, zowel politiek als klein in je eigen praktijk, onder andere met pilots en experimenten en het introduceren van andere manieren van denken.
In deze tabel plotten we voorbeelden van RES-interventies op het raamwerk van Vermaak’. De lijst is niet limitatief bedoeld, maar geeft een indruk:
Referenties
In de literatuurlijst tref je de bronnen aan waar we in dit essay naar verwijzen en/of waar we schatplichtig aan zijn. Zij is daarmee een verantwoordings- én inspiratielijst. Daarnaast is gebruikgemaakt van blogs.
Literatuur
- Caluwé, L. de & H. Vermaak (2014), Leren Veranderen, een handboek voor de veranderkundige, Deventer, Vakmedianet
- DRIFT & NSOB (2020), Draagvlak in transities en Sturing in transities
- DRIFT (2025), De rem eraf, het decentrale manifest
- Flood, R.L. (1999), Rethinking the fifth discipline, learning within the unknowable, New York, Routledge
- Frissen, P. (2023), De integrale staat, kritiek van de samenhang, Boom
- Homan, T. (2013), Het et-cetera principe, een nieuw perspectief op organisatieontwikkeling, Den Haag, Academic Service
- Kamphuis, L. (2023), Verslaafd aan ons eigen gelijk, pleidooi voor perspectivistische lenigheid, De Bezige Bij
- Kessener, B. & L. van Oss (2019), Meer dan de som der delen, Systeemdenkers over organiseren en veranderen, Vakmedianet
- Kotter, J.P. (2006), Leiderschap bij verandering, Den Haag, SDU
- Kramer A. (2017), Olifantenpaadjes, organisatieverandering binnendoor en buitenom, Business Contact
- Krznaric, R. (2020), The good ancestor, how to think long term in a short-term world, WH Allen
- Laverman, N. (2022), RES-congresbijdrage: Sprekers - RES congres
- Morgan, G. (1986), Images of Organizations, Beverley Hills, Sage Publications
- NSOB (2020), Taal voor transities, een reflectie op de sturing van het RES-proces
- NSOB (2020), Samenwerken: van A naar B, via B
- NSOB (2021), Omgaan met verlies in transities
- NSOB (2024), Breder denken, anders doen
- NSOB (2025), De kracht van hier, over de centrale rol van decentraal bestuur
- NSOB (2025), Ruimte in regie
- NP RES-reeks ‘Nieuwe paden zoeken in transitietijd’ (2025), bundel van 11 essays met reflecties over en inspiratie voor het werken in de energietransitie
- Oss van L. & J. van ’t Hek (2015), Onderweg, pragmatisch veranderen in robuuste organisaties, Deventer, Vakmedianet
- Oss van L. & J. van ’t Hek (2020), Onmacht in samenleving en organisatie, Boom
- Peters, J. & R. Wetzels (2004), Niets nieuws onder de zon en andere toevalligheden, strategie uit chaos, Amsterdam/Antwerpen, Business bibliotheek
- Rotmans, J. en M. Verheijden (2021), Omarm de chaos, De Geus
- Rotmans, J. (2022), RES’en: van Doel naar Beweging
- Roovers D. & M. Van Dijk (2019), Wij zijn de politiek, Ambo Anthos
- Scharmer, C.O. (2009), Theory U, leading from the Future as it Emerges, San Francisco, Berrett-Koehler Publisher
- Spanjersberg, M., A. van den Hoek, E. van Zanten & R. van Wingerden (2010), Systeemdenken in de praktijk, de kunst van het verbinden
- Spanjersberg, M. (2022), Tussentaal, IJzer
- Stacey R. & C. Mowles (2016), Strategic Management and Organisational Dynamics, the challenge of complexity to ways of thinking about organisations, Pearson
- Terlouw, J. (2018), Natuurlijk, een pleidooi voor duurzaamheid
- Twist van M. (2023), Woorden wisselen, naar een hertaling van besturen, organiseren en adviseren, Boom
- Vermaak, H. (2015), Plezier beleven aan taaie vraagstukken, werkingsmechanismen van vernieuwing en weerbarstigheid, Deventer, Vakmedianet
- Vermaak, H. (2017), Iedereen verandert, nu wij nog, Vakmedianet
- Vermaak, H. (2025), De logica van de lappendeken, verbindingswerk rond vraagstukken die van iedereen en van niemand zijn, Boom
- Weick, K.E. (2012), Making sense of the organization, the impermanent organization, volume 2, Blackwell Publishing Hoboken
- Wolters, M. (2019), Ertussenin, Komma
- Wolters, M. (2022), Laklaag, Komma
- WRR (2023), WRR-rapport nr. 106 Rechtvaardigheid in klimaatbeleid. Over de verdeling van klimaatkosten
- WRR (2023), WRR-rapport nr. 108 Grip. Het maatschappelijke belang van persoonlijke controle
- Ziegler F. & T. Gautier (2023), Een wereld van gemeenschappen, Lemniscaat
- Zuurmond, A.(2025), Dwars door de orde, een onorthodoxe route naar een responsieve overheid, Pumbo
Websites
- Transform - netwerk voor voorlopers in de energietransitie - For the Future of Energy
- RESoneren — www.res-oneren.nl