Dennis Straat - Gedrag als vliegwiel voor verandering

Kantelpunten aan de keukentafel, vergadertafel en in de politieke arena In zijn essay betoogt Dennis Straat dat gedrag een doorslaggevende rol speelt als vliegwiel voor verandering binnen de energietransitie. Hij benadrukt dat effectieve interventies verder moeten gaan dan technische en financiële prikkels en juist de gedragsmatige factoren centraal moeten stellen. Door het COM-B-model te gebruiken — waarin capaciteit, gelegenheid en motivatie elkaar voortdurend beïnvloeden — wordt duidelijk dat duurzame verandering alleen mogelijk is als mensen niet alleen in staat zijn, maar ook de juiste omgeving en motivatie ervaren om hun gedrag aan te passen.

Door: Dennis Straat - klimaatpsycholoog
Externe video

Het essay laat zien dat keuzes aan de keukentafel, in organisaties en in de politieke arena elkaar sterk beïnvloeden. Straat wijst op de noodzaak om gedrag systematisch te analyseren, de belangrijkste barrières te benoemen en te werken aan psychologische veiligheid, heldere normen en consistent beleid. Zo ontstaat ruimte voor innovatie, draagvlak en collectieve actie, waardoor werken aan het klimaatdoel onderdeel wordt van dagelijks gedrag. Hij pleit voor een aanpak waarin leefstijlverandering, systeemaanpassing en leiderschap samenkomen, zodat de energietransitie niet blijft steken in intenties, maar daadwerkelijk resulteert in maatschappelijk gedragen vooruitgang.

Over de auteur


Dennis Straat is bestuurskundige en rondde recent zijn masterstudie af tot gedragspsycholoog op het gebied van klimaatvraagstukken. Hij werkt als adviseur bij netbeheerder Liander op het snijvlak van energie en ruimte. Met zijn achtergrond als oud-burgemeester, -gedeputeerde en -wethouder combineert hij zijn bestuurlijke ervaring met gedragsexpertise in complexe besluitvormingsprocessen, zoals in de energietransitie. Hij werkt aan een gedragsinterventie die toepasbaar is op transitievraagstukken, die vragen om out-of-the-box-oplossingen waarbij de bestaande structuren en processen ter discussie moeten worden gesteld.

Inleiding


Als kleine jongen zat ik op de judovereniging in het dorp waar ik woonde. Mijn fascinatie was, naast het judopak en de kleur van mijn judoband, vooral de houdgreep. De houdgreep waarbij je met techniek, balans en respect de tegenstander onder controle probeert te krijgen op de grond. Of juist zelf probeert uit de houdgreep te komen. Het mooie is dat in de Japanse traditie van deze verdedigingssport veel aandacht wordt gevraagd voor respect voor de ander. Het gaat dus niet alleen over techniek maar ook over gedrag. Hoe je elkaar aankijkt, wat je voelt, hoe je beweegt en communiceert om ultimo de ippon te scoren met de perfecte worp voor de beslissing in de wedstrijd.

Ook de energietransitie zit in de houdgreep. De houdgreep van het realiseren van de verduurzaming van de energieproductie, die leidt tot een toenemende vraag naar elektriciteit, die op dit moment leidt tot netcongestie. Dat roept weer een nieuwe vraag op naar uitbreiding van de netcapaciteit, die weer kan leiden tot een toenemende vraag naar elektriciteit als er weer meer vermogen is. Het gevaar is dat het verminderen van energieverbruik buiten beeld raakt in dit momentum van schaarste, terwijl we juist dat momentum zouden moeten gebruiken om ons gedrag aan te passen.

Of anders gezegd: die energietransitie is er omdat die een belangrijke bijdrage kan leveren om de klimaatverandering tegen te gaan. Als we het gebruik van fossiele brandstoffen weten af te bouwen en deze weten te vervangen door duurzame bronnen gaat dat zeker helpen om de opwarming van de aarde af te remmen. Maar vooral in de westerse wereld, waar onze CO2-voetafdruk veel te hoog is, is het gevaar dat die nieuwe bronnen met nieuwe technieken geen rem op de vraag genereren en daarmee op het toenemende energieverbruik. De verduurzaming van het energiesysteem moet dus gepaard gaan met duurzaam gedrag.

De techniek moet daarbij helpen om minder energie te verbruiken nu bekend is dat onze oude en nieuwe bronnen niet onuitputtelijk zijn. En dus moet in deze transitie het systeem en ons gedrag daaraan worden aangepast.

Wat kan motiveren, zijn concrete voordelen in het hier en nu: meer comfort in huis, een lagere én stabielere energierekening, het samen doen met de buurt, een sociale norm die verduurzaming vanzelfsprekend maakt en een overheid die consistent beleid voert en zo gelegenheid schept zonder grilligheid die wantrouwen wekt. Door op die drijfveren te sturen – en ze zichtbaar te maken in keuzes, regels en producten – verandert het werken aan het klimaatdoel van iets groots en afstandelijks in dagelijks gedrag dat vol te houden is.

Het is een complexe houdgreep, waar zonder gerichte aandacht voor gedrag de doelen van de energietransitie niet worden gehaald. Technologische innovatie en financiële prikkels helpen, maar zijn zelden voldoende: uiteindelijk beslissen mensen binnen een specifieke context van gewoonten, onzekerheid en sociale normen. Om dat beter te begrijpen zullen we dus moeten judoën met iets dat we dagelijks doen en zien: met ons gedrag.

Gedrag in de energietransitie omvat alle bewuste en onbewuste handelingen, keuzes en gewoonten van individuen, groepen en organisaties die direct of indirect invloed hebben op het gebruik, de productie en de verduurzaming van energie. Het betreft niet alleen technische handelingen zoals het installeren van zonnepanelen of het verlagen van de thermostaat, maar ook de manier waarop mensen beslissingen nemen, reageren op verandering, en omgaan met nieuwe regels en sociale normen rondom energieverbruik en duurzaamheid.

Daarbovenop vindt de mens verandering van nature lastig, overweldigend of zelfs bedreigend. Zeker ook in de energietransitie. Niet omdat we de noodzaak ervan niet zien, maar omdat verandering onzekerheid met zich meebrengt. Het oude vertrouwde biedt houvast, terwijl het nieuwe nog geen vaste vorm heeft.

Opzet


Het is zinvol om de energietransitie vanuit een gedragspsychologisch perspectief te benaderen, en daarom wordt in dit essay het COM-B-model geïntroduceerd als raamwerk om inzicht te krijgen in de factoren die gedragsverandering bepalen: kennis, vaardigheden, motivatie en de gelegenheid binnen de omgeving. Gedrag wordt bewust en onbewust beïnvloed door diverse gedragsfactoren en barrières, die in het essay worden toegelicht.

Vervolgens worden drie relevante gedragsperspectieven belicht. Wat gebeurt er:

  • Aan de keukentafel, waar individuen en huishoudens besluiten over verduurzaming van de woning en het verminderen van energieverbruik.
  • Aan de vergadertafel, waar professionals systeemkeuzes worden uitgewerkt voor de verduurzaming van de energieproductie en het reorganiseren van de levering.
  • In de politieke arena, waar kaders en regelgeving worden vastgesteld.

Het essay maakt duidelijk dat gedragsonderzoek essentieel is naast technische en financiële oplossingen, dat normeren structuur biedt aan systeemverandering en dat het doorschuiven van verantwoordelijkheid naar het systeem geen duurzame oplossing biedt. Het COM-B-model vormt daarbij de basis om te begrijpen hoe capaciteit, gelegenheid en motivatie samen het succes van gedragsinterventies bepalen, zoals verder uitgewerkt wordt in de opvolgende paragrafen.

Het gevaar is dat het verminderen van energieverbruik buiten beeld raakt in dit momentum van schaarste, terwijl we dat zouden moeten gebruiken om ons gedrag aan te passen.

Gedragsmodel COM-B


Het COM-B-model van gedrag (Michie et al., 2011) is een veelgebruikt raamwerk om te begrijpen welke factoren moeten veranderen om een gedragsinterventie effectief te maken. Het model identificeert drie essentiële componenten die aanwezig moeten zijn voor elk gedrag: capaciteit, gelegenheid en motivatie. Deze componenten beïnvloeden elkaar voortdurend, waardoor gedrag kan worden gezien als onderdeel van een dynamisch systeem met zowel positieve als negatieve feedbackloops.

Het COM-B-model van gedrag (Michie et al., 2011)

Beschrijving van Het COM-B-model van gedrag (Michie et al., 2011)

Het COM-B-model van gedrag (Michie et al., 2011)

Het COM-B-model van gedrag (Michie et al., 2011)

Capaciteit

Capaciteit verwijst naar de fysieke en psychologische mogelijkheden die een persoon heeft om bepaald gedrag te kunnen vertonen. Het gaat hierbij om vaardigheden, kennis en fysieke capaciteiten. Zonder de juiste capaciteit is het onmogelijk om het gewenste gedrag te vertonen, ongeacht de motivatie of gelegenheid.

Capaciteit verwijst naar de kennis en vaardigheden die bijvoorbeeld nodig zijn bij het maken van een keuze uit de verschillende beschikbare warmtepompen (zoals hybride systemen of all-electric modellen), het benodigde vermogen, opties met grondboring, thermische batterijen, PVT-panelen of systemen via ventilatielucht. Voor een geschikte keuze is uitgebreide kennis van de systemen vereist en de vaardigheid om deze te vergelijken. Door de grote hoeveelheid aan informatie, opties en meningen kan het lastig zijn voor mensen om overzicht te houden en tot een beslissing te komen. Dit onderstreept het belang van een duidelijke en gestructureerde informatie en begeleiding om gedragsverandering te ondersteunen.

Gelegenheid

Gelegenheid omvat alle externe factoren die het gedrag mogelijk maken of belemmeren. Externe factoren kunnen zijn: de fysieke omgeving zijn, zoals de beschikbaarheid van middelen, of sociale factoren, zoals steun van vrienden, familie en collega’s, managers en bestuurders. Gelegenheid fungeert als een 'logische poort' die open moet zijn om het gedrag te laten plaatsvinden.

Stel, een individu overweegt zijn woning te isoleren om energie te besparen en bij te dragen aan duurzaamheid. Ondanks voldoende kennis over isolatiematerialen en een sterke motivatie om bij te dragen aan het klimaat, komt hij toch niet in actie. De reden ligt in zijn sociale omgeving: zijn directe buren en vrienden zetten vraagtekens bij het nut van verduurzamingsmaatregelen en maken regelmatig cynische opmerkingen over klimaatverandering. Tijdens verjaardagen en buurtbijeenkomsten wordt het onderwerp vaak lacherig afgedaan als ‘onzin’ of ‘hype’. Dit zorgt ervoor dat hij zich onzeker voelt en bang is om buiten de groep te vallen wanneer hij zijn plannen doorzet. De gedragsbarrière is hier de sociale norm, die binnen het netwerk van deze persoon werkt als een blokkade: de gelegenheid ontbreekt om het gewenste gedrag te vertonen, omdat er geen steun of zelfs sociale tegenwerking is. Hierdoor blijft de intentie om te isoleren steken bij een idee, zonder daadwerkelijk tot uitvoering over te gaan.

Motivatie

Motivatie is de interne drijfveer die een persoon aanzet tot gedrag. Het gaat daarbij dus om het willen en omvat zowel bewuste reflectieve processen, zoals plannen en evalueren, als automatische processen, zoals gewoonten en impulsen. Motivatie is dynamisch en kan fluctueren op basis van verschillende invloeden.

Stel: een gemeente wil op een stuk landbouwgrond aan de rand van het dorp een zonneweide en een windmolen plaatsen om zo een belangrijke stap te zetten richting verduurzaming. Aanvankelijk lijkt het plan goed te passen bij de duurzaamheidsambities van de gemeente en wordt het gepresenteerd als noodzakelijk voor de energietransitie. Toch ontstaat er al snel verzet onder de omwonenden en lokale agrariërs. Vanuit het COM-B-model bezien, spelen er verschillende gedragsfactoren mee in het ontstaan van dit verzet. Hoewel veel bewoners over voldoende kennis beschikken over het belang van duurzame energie (capaciteit) en de gemeente de gelegenheid biedt om mee te praten in participatieavonden (gelegenheid), blijft de motivatie om het plan te steunen vaak uit. Dit heeft verschillende oorzaken:

  • Veel bewoners zijn gehecht aan het open landschap en vrezen aantasting van hun uitzicht en rust. Deze emotionele impuls is moeilijk te veranderen met alleen rationele argumenten.
  • Sommigen twijfelen of de opbrengst van de zonneweide en windmolen wel opweegt tegen de impact op hun leefomgeving. Ze doen mee aan inspraakavonden, maar wegen steeds af of hun eigen belang niet zwaarder weegt dan het collectieve doel.
  • In dorpsapps en buurtgroepen worden negatieve ervaringen gedeeld over eerdere projecten. Hierdoor ontstaat een groepsgevoel dat ‘wij’ samen moeten opkomen voor het behoud van het dorp, wat de motivatie tot verzet versterkt.

Het gebrek aan draagvlak voor het plaatsen van de zonneweide en windmolen is dus niet alleen gebaseerd op een gebrek aan kennis of fysieke mogelijkheden, maar wordt sterk gevoed door de gedragsbarrières verliesaversie, groepsdruk en twijfel aan de voordelen. Als de gemeente in haar interventie alleen inzet op extra informatieavonden of financiële compensatie, zal deze aanpak waarschijnlijk weinig effect hebben op deze diepere motivaties. Een effectievere strategie zou kunnen zijn om het gesprek aan te gaan over de waarden die voor bewoners belangrijk zijn, ruimte te bieden voor emoties en samen te zoeken naar alternatieven of aanpassingen die recht doen aan zowel de energiedoelen als de zorgen van de bewoners.

Het COM-B-model benadrukt dat gedrag alleen zal optreden wanneer een persoon of groep zowel de capaciteit als de gelegenheid daartoe heeft, en meer gemotiveerd is om dat gedrag uit te voeren dan enig ander gedrag. Een belangrijk aspect van het model is de interactie tussen deze componenten. Bijvoorbeeld, het verbeteren van de capaciteit door training over verduurzamingsmaatregelen kan de motivatie verhogen, omdat de persoon zich daardoor competenter voelt. Evenzo kan het creëren van een ondersteunende omgeving – alle buren doen mee met de isolatie van hun woningen omdat de gemeente daar een extra subsidie voor in het vooruitzicht stelt – de gelegenheid verbeteren en daarmee de motivatie versterken.

Gedrag geeft ook feedback aan de drie componenten. Als je iets vaker doet, word je vaardiger (capaciteit), succes geeft zin om door te gaan (motivatie) en soms verandert de omgeving mee (gelegenheid), bijvoorbeeld doordat je oplaadpunten in de straat gaat gebruiken. Effect werkt dus beide kanten op. Daarom werken interventies het best wanneer ze tegelijk inzetten op capaciteit, gelegenheid én motivatie.

Bovenstaand benadrukt dus dat bij effectieve gedragsverandering interventies moeten inspelen op de complexe interactie tussen capaciteit, gelegenheid en motivatie. En die interventies vragen dus meer dan het vermoeden dat een bepaalde maatregel het probleemgedrag oplost. Het is van belang na te denken over de factoren die gedrag bepalen en te onderzoeken welke gedragsfactoren het meest bepalend zijn in een bepaalde situatie. Op basis daarvan kunnen de technieken worden gezocht die passen bij de factoren. Door die vervolgens praktisch te vertalen op de voorliggende situatie kan een interventie worden ontwikkeld.

Gedragspsychologisch onderzoek vereist een methodische benadering en kan bijdragen aan de ontwikkeling van interventies. Een eenvoudig praktijkvoorbeeld illustreert het proces. Het isoleren van een woning kan ingrijpend zijn, zeker wanneer dit aan de binnenzijde plaatsvindt. Bij de zolder, die vol staat met spullen, is opruimen vaak noodzakelijk voordat isolatie kan plaatsvinden. In dit geval is de vraag hoe om te gaan met de aanwezige spullen relevant. De praktische omstandigheden op zolder kunnen van grotere invloed zijn dan de motivatie om te isoleren. Dit geldt vooral wanneer er spullen met emotionele waarde aanwezig zijn of beperkte opslagruimte beschikbaar is. Het stimuleren tot isoleren via financiële regelingen, kennisoverdracht en het benadrukken van maatschappelijke normen is in dergelijke situaties mogelijk minder doeltreffend. Een gecombineerde aanpak waarbij ondersteuning bij het opruimen wordt geboden en daarna direct wordt geïsoleerd, kan effectiever zijn. Hierbij wordt de gedragsfactor 'praktisch ongemak' gekoppeld aan de techniek van ontzorgen, waardoor bewoners zowel fysiek als mentaal ruimte krijgen voor het uitvoeren van isolatiewerkzaamheden.

Gedragsbarrières


Dat judoën met gedrag is dus nog best lastig, omdat we als mens bewust en onbewust, individueel en in een groep, thuis en op het werk worden beïnvloed door gedragsfactoren en daaraan gerelateerde valkuilen. Deze gedragsbarrières – onder andere beschreven door Gifford (2011) en Korteling et al. (2023) – zijn talrijk, divers en hangen samen met zowel persoonlijke als sociale factoren.

Het gaat dan bijvoorbeeld om de overtuiging dat de energietransitie op te lossen is met alleen techniek (techno-salvation) aangevuld met financiële prikkels.

Mensen zijn terughoudend als er onzekerheid is over nieuwe technieken of wanneer er sprake is van het ontbreken van een goed kostenoverzicht of informatie over de terugverdientijd.

Mensen hechten vaak meer waarde aan het voorkomen van verlies dan aan het realiseren van winst, waardoor ze terughoudend kunnen zijn om te veranderen.

Mensen zoeken houvast en zekerheid in de bestaande situatie, omdat het veranderen van gewoontes en het verlaten van het vertrouwde hen onzeker maakt, zelfs als ze weten dat verduurzamen voordeliger kan zijn op de lange termijn.

Mensen hebben de neiging om vooral informatie te zoeken of te geloven die hun bestaande overtuigingen of gevoelens bevestigt, terwijl tegenstrijdige signalen genegeerd of gebagatelliseerd worden. Deze confirmation bias zorgt er zo voor dat mensen vooral bevestiging zoeken voor hun gevoel van machteloosheid, waardoor motivatie en betrokkenheid afnemen.

Mensen geven zichzelf na het nemen van een duurzame stap de 'licentie' om verdere inspanningen achterwege te laten, omdat ze vinden dat hun bijdrage voldoende is geweest, bijvoorbeeld na het plaatsen van zonnepanelen en de aanschaf van een elektrische auto. Ze vinden dat verdere stappen nu bij anderen liggen, die in hun ogen achterblijven.

Gedragsbarrières kunnen de gewenste gedragsverandering dus beperken. Ze staan vaak tussen de intentie om ander gedrag te vertonen en het feitelijk handelen. Willen is dus nog niet meteen doen. En copingmechanismen zet de mens vaak bewust en onbewust in, die nog eens kunnen worden versterkt door onze sociale omgeving. Zich bewust zijn van de gedragsfactoren uit het COM-B-model en het herkennen van de gedragsbarrières zijn belangrijke stappen om te begrijpen hoe gedrag van invloed is op de energietransitie.

Een eerlijke en rechtvaardige energietransitie begint dus bij degenen die het meeste kunnen doen en waarschijnlijk al het nodige hebben gedaan.

Gedrag vanuit verschillende perspectieven


Goed nadenken over het willen, kunnen en de omgevingsfactoren helpt dus om te checken waar het kantelpunt kan zitten om te gaan handelen. Het geeft inzicht in gedrag dat vervolgens verschillend vorm kan krijgen:

  1. Thuis aan de keukentafel wordt gediscussieerd en besloten over individuele keuzes per huishouden, die vaak op korte termijn wel of niet worden gerealiseerd.
  2. In de sectoren die werken aan de energietransitie liggen op de vergadertafel de langetermijnsysteemkeuzes voor en staan complexe dilemma’s centraal over verduurzaming van de energieproductie, de levering en netcongestie en de flexibilisering van de energie-infrastructuur.
  3. En ten slotte is er de politieke arena, waar de wet- en regelgeving en beleidsmatige kaders democratisch worden bepaald. Langetermijnvisies strijden hier vaak met kortetermijnbelangen met als gevaar wisselend beleid dat aan de keuken- en vergadertafel tot onrust leidt.

1. Thuis aan de keukentafel

De keukentafel betreft het individuele niveau van de bewoner die in het huishouden afwegingen maakt hoe energie te besparen en nieuwe technieken toe te passen.

Waarom is dit perspectief belangrijk?

Omdat isolatie van de woningvoorraad en het beperken van energieverbruik belangrijk zijn. Als het ons collectief lukt ons gedrag aan de keukentafel te veranderen is dat onmiskenbaar een grote bijdrage aan de energietransitie. Maar er zijn dus talloze gedragsbarrières die tussen de intentie en het feitelijke gedrag in staan. En het maakt ook een groot verschil of het gedrag van bewoners is die veel gelegenheid hebben om zelf keuzes te maken: kennis, vaardigheden, geld en een sociale omgeving die ook hetzelfde doet. Of van bewoners die het veel minder breed hebben en maandelijks de eindjes aan elkaar moeten knopen, nog los van problemen thuis. Dan denk je echt niet in eerste instantie aan isolatie of de aanschaf van een warmtepomp.

Thuis zit veel winst in isolatie, van een eenvoudige tochtstrip tot dakisolatie, én in het slim aansturen van grote energieslurpers. Dat werkt het best als we ons gebruik afstemmen op de laadpaal, warmtepomp, zonnepanelen, thuisbatterij, wasmachine, droger, vaatwasser en inductiekookplaat.

Wat gaat er nu mis?

De intention-behaviour-gap verklaart waarom de intentie om gedrag te veranderen vaak niet hetzelfde is als overgaan tot actie: vastgeroeste gewoonten, gedoe (veel te veel moeten uitzoeken), gebrek aan praktische kennis van hoe het aan te pakken (vaak gecombineerd met onzekerheid over nieuwe technologieën), overtuigingen of het werkt, gegroeid wantrouwen door inconsequent overheidsbeleid (veranderende subsidies, afschaffen salderingsregeling, wel/geen verplichte hybride warmtepomp) en een gebrek aan middelen en mentale ruimte bij mensen die minder te besteden hebben of andere urgentere problemen thuis hebben.

Daarnaast probeert de overheid ons gedrag vaak op individueel niveau te beïnvloeden. Vaak worden we daar rechtstreeks op aangesproken, bijvoorbeeld door campagnes en andere communicatie-uitingen. We spreken over i-frame-interventies (Zhao et al., 2023) omdat ze individueel gedrag proberen te beïnvloeden, terwijl er ook systeemverandering nodig is (s-frame-interventies). Zonder de goede context en randvoorwaarden gaan we niet collectief ons gedrag aanpassen. Anders gezegd: leefstijlverandering en dus een andere mindset moet op systeemniveau plaatsvinden in alle aspecten van de samenleving (IPCC, 2022). Autogebruik verminderen vraagt bijvoorbeeld om goed en betrouwbaar openbaar vervoer, een dicht netwerk van deelsystemen en een fysieke inrichting van de (stedelijke) omgeving met prioriteit voor wandelaars en fietsers. Alleen maar de fiets stimuleren op persoonlijk gedrag in een niet uitnodigende of zelfs onveilige verkeerssituatie werkt niet.

Waar zit ruimte voor verbetering?

Gedrag kan zich richten op het verminderen van energiegebruik: isolatie, thermostaat een graadje lager of minder gebruik van de grote energievragers in je huis (minder laden, minder vaak de wasmachine aan of de wasdroger het huis uit). Maar ook op het verspreiden van energieverbruik (minder op het piekmoment dat iedereen veel energie verbruikt, bijv. door lager vermogen voor het laden van de auto of juist dan de batterij voor eigen gebruik inzetten). Ten slotte kan je sturen op het verplaatsen van energieverbruik: laadpalen uitschakelen tussen 16.00 en 20.00 uur en auto’s alleen ’s avonds, ’s nachts of op een ander moment overdag laden. Of je geïsoleerde huis verwarmen en tussen 16.00 en 20.00 uur de warmtepomp uitzetten.

Deze systematische analyse verdient wel nuance. Generiek is zij toepasbaar maar er moet natuurlijk aandacht zijn voor kwetsbare groepen. Mensen die bijna niets te besteden hebben, hebben heel vaak de genoemde apparaten niet of nauwelijks in huis. Hun verwarming staat waarschijnlijk uit om hoge kosten te vermijden. Hun energieverbruik en daarmee hun voetafdruk is daarmee ook relatief klein. Deze groep verdient hulp om comfortabel te kunnen wonen, zonder dat daarbij het verbruik en dus ook de rekening enorm stijgt.

Het is met andere woorden vooral aan diegenen die het zich kunnen veroorloven en de kennis en vaardigheden hebben om hun gedrag te veranderen. Zij zijn nog steeds de grote verbruikers op het niveau van de huishoudens. Een eerlijke en rechtvaardige energietransitie begint dus bij degenen die het meeste kunnen doen en waarschijnlijk al het nodige hebben gedaan.

Hoe kan gedrag hieraan bijdragen?

De gelegenheid of omgeving is dus heel belangrijk om gedrag te kunnen veranderen. We spreken in dit verband van ‘response advocacy’: de acties en strategieën die worden ingezet om een specifieke zaak of reactie op een situatie te ondersteunen, vaak in de context van sociale, milieu- of politieke kwesties. Het omvat het vergroten van bewustzijn, het mobiliseren van steun en het beïnvloeden van besluitvormers om actie te ondernemen. Die context om gedragsverandering te stimuleren is dus heel belangrijk. Alleen inzetten op individuele motivatie, vaak met techniek en een financiële prikkel, is daarom lang niet altijd voldoende. Het belang van de context is overigens niet alleen fysiek relevant.

De sociale gelegenheid (of sociale norm) beïnvloedt ook onze intentie om gedrag te veranderen. ‘Conditional cooperation’ is een belangrijke factor, waarbij individuen of groepen bereid zijn om alleen samen te werken onder bepaalde voorwaarden of als zij zien dat anderen ook bereid zijn om bij te dragen. Dit concept wordt vaak bestudeerd in de context van sociale dilemma's, waarbij samenwerking kan leiden tot betere uitkomsten voor de groep, maar waarbij individuen ook de neiging hebben om hun eigen belangen te maximaliseren. In situaties van conditioneel samenwerken kan de bereidheid om samen te werken afhangen van factoren zoals vertrouwen, sociale normen en de waargenomen bereidheid van anderen om ook bij te dragen. Bijvoorbeeld bij klimaatvraagstukken, waar mensen bereid zijn om duurzame gedragsverandering te omarmen als ze zien dat anderen dat ook doen. Dan ben je samen eigenaar.

Naast de beslissingen aan de keukentafel is de vergadertafel erg belangrijk. En ook daar is gedrag bepalend.

2. In de sectoren aan de vergadertafel

Waarom is dit perspectief belangrijk?

In de boardrooms en directiekamers van een groot aantal organisaties die werken aan de energietransitie moeten lastige besluiten worden genomen over hoe het energiesysteem aan te passen. Soms vraagt dat om out-of-the-box-oplossingen die nog niet eerder zijn bedacht, laat staan uitgevoerd en procesmatig geordend. Gemeenten, woningcorporaties en projectontwikkelaars worstelen met de vraag hoe woonwijken te kunnen realiseren nu de netcongestie grenzen stelt aan wat kan. Lokale opslag, opwek en uitwisseling is een thema geworden in netbewuste nieuwbouwwijken en dat vraagt om meer assets in de wijk en een andere opzet van het energiesysteem waar nieuwe bewoners nog geen weet van hebben. Netbeheerders vragen zich bij de uitbreiding van de netcapaciteit af in hoeverre groeiend elektriciteitsverbruik nog kan worden gefaciliteerd door het bouwen van verdeelstations, transformatorhuisjes en het leggen van kabels. Ondernemers op bedrijventerreinen zoeken naar oplossingen voor het uitwisselen van energie door middel van energy hubs. Innovators zoeken oplossingen om aan nieuwe standaarden te voldoen. En intussen wordt opgemerkt dat al deze ruimtevragers zien dat alles ingepast moet worden. Energie is structurerend geworden in de planologie en dat vraagt om nieuwe samenwerkingen.

Het wordt bijvoorbeeld heel lastig als een nieuwbouwwijk alleen kan worden aangelegd met een collectief systeem van opslag als die opslagcapaciteit niet kan worden ingepast in het stedenbouwkundig ontwerp (dat vaak al klaarligt). Want als de maatregelen ten koste gaat van het aantal woningen of andere voorzieningen drukt dat op de grondexploitatie. Het is goed denkbaar dat iedereen weet dat deze hobbel op de een of andere manier moet worden genomen omdat het gevaar is dat de wijk er anders helemaal niet kan komen. Maar dat in de besluitvorming alle deelbelangen toch tegenover elkaar komen te staan. Vanuit het COM-B-model is de kennis aanwezig maar zijn de vaardigheden om het besluitvormingsproces anders te doen er nog niet. En daarmee is er dus ook geen gelegenheid om out-of-the-box-oplossingen op tafel te leggen. En dat motiveert medewerkers, die de besluitvorming voorbereiden, niet om deze oplossingen te opperen. Als zij zich onveilig voelen, zullen ze waarschijnlijk volharden in het blijven doen zoals het altijd ging. Er kan dan zelfs een spiral of inaction ontstaan.

Wat gaat er nu mis?

Besluiten zijn als het ware het bestaansrecht van organisaties. Seidl & Becker (2006) betogen daarbij dat organisaties hun besluiten als een houvast gebruiken om de onzekerheid om hen heen te reduceren: met het eerstvolgende besluit grijpen zij vaak terug op de zekerheid die voorgaande besluiten boden. Het gedrag van de medewerkers wordt beïnvloed door de bestaande besluitvormingsprocessen en de politiek-bestuurlijke besturing, die bepaald zijn door de (wettelijke) taken, de context en de cultuur van de organisatie. Anderzijds kan hun gedrag een bijdrage leveren aan diezelfde processen en besturing, waardoor ze ook invloed kunnen hebben op aanpassingen daarvan.

Stel je voor: tijdens een stuurgroepvergadering over de start van de bouw van een nieuwe woonwijk komt naar voren dat de verduurzamingsopgave – bijvoorbeeld het integreren van lokale energieopslag of extra isolatiemaatregelen – nauwelijks in het bestaande stedenbouwkundig plan is meegenomen. Een jonge projectleider wil dit punt bespreekbaar maken, maar merkt dat de voorzitter sterk vasthoudt aan de vooraf vastgestelde agenda en besluitvormingsprocedure: "We volgen de procedure zoals die altijd is geweest, want anders raken we achter op onze planning." Hierdoor voelt de projectleider zich geremd om tegen de stroom in te gaan en blijft het bij een korte opmerking die niet verder wordt opgepakt. Anderen in de vergadering herkennen het knelpunt, maar houden zich stil uit angst het proces te verstoren of als lastig te worden gezien. Zo blijft het bestaande plan leidend, wordt de verduurzamingsopgave onvoldoende meegenomen, en zorgt de status quo bias samen met het gebrek aan psychologische veiligheid ervoor dat innovatieve voorstellen niet gehoord worden.

Status quo bias

In de bestaande organisatie uit gedrag zich vaak als weerstand: de status quo wordt verdedigd met beroep op dominante principes zoals het voorkomen van willekeur en precedenten, en op rechtmatigheid en doelmatigheid (Korteling et al., 2023; Braams, 2022). Deze principes worden dan absoluut gebruikt als onmogelijkheid om ondanks de waarde van deze principes te kunnen kijken naar andere manieren van besluitvorming (“het kan niet, want het leidt tot willekeur of een precedent”) of men vervalt in oude patronen (De Vries, 2023). Bij een snel veranderend transitievraagstuk, zoals de energietransitie, werkt dat gedrag belemmerend bij de besluitvorming die nodig is, omdat die is ingekaderd door eerdere besluiten. Vaak bedacht en vastgelegd in een tijd dat de grote transities minder urgentie hadden. Het zijn vaak bestaande beleidskaders (eigen regels die belemmerend werken), bestaande processen en gewoontes (“dat doen we hier altijd zo”), wettelijke regels of verordeningen (“mag niet”) die geen recht meer doen aan het actuele vraagstuk. Bewustwording is nodig om nieuwe wegen te bewandelen om regels en beleid zo nodig snel te kunnen aanpassen.

Psychologische veiligheid

Naast vasthouden aan de bestaande situatie is psychologische veiligheid een cruciale gedragsfactor in besluitvormingsprocessen (Straat, 2025). Met psychologische veiligheid wordt hier bedoeld dat de bestaande gewoontes en processen geen veilige ruimte bieden om met nieuwe voorstellen te komen of om het proces ter discussie te stellen. Dan houdt men zich stil en accepteert dat het nu niet het goede moment is, vaak omdat er geen ruimte voor wordt geboden tijdens de discussie en er ook geen mandaat wordt gevoeld voor een afwijkende inbreng. Dit ‘self silencing’-effect kan zelf ‘besmettelijk’ zijn als meer mensen er last van hebben en er toch niets van zeggen. De norm om niet het proces te verstoren leidt tot een collectief ‘bystander’-effect. Het kan zelfs zo ver gaan dat - omdat het gevoel is dat een ander geluid niet wordt gewaardeerd – medewerkers vrezen op een zijspoor te worden gezet als ze wel interveniëren.

Waar zit ruimte voor verbetering?

Vanuit het besef dat complexe besluitvorming in de energietransitie nodig is voor de opgaven, is het ook duidelijk dat die alleen werkt als we het anders doen dan we gewend zijn. En dus moet er ruimte zijn om innovatieve en onorthodoxe ideeën op een goede en veilige manier met elkaar te bespreken zodat noodzakelijke besluiten voor de energietransitie mogelijk zijn (Straat, 2025).

Er is dus een behoefte om psychologische veiligheid te borgen bij het nemen van besluiten. Dat vraagt om een mandaat van management en bestuur voor het uitwerken van onorthodoxe oplossingen, ook als die niet meteen mogelijk zijn. En om die voorstellen een plek te geven in het besluitvormingsproces. Om dat te doen is het nodig na te denken over een set van afspraken die zorgen voor veiligheid in het proces.

Hoe kan gedrag hieraan bijdragen?

Van den Brand et al. (2012) bepleiten een aanpak waarbij “leiders werknemers motiveren tot innovatief werkgedrag door een leiderschapsstijl te hanteren waarbij ze een visie uitdragen en werknemers uitdagen de status quo in twijfel te trekken, out of the box te denken, nieuwe ideeën te opperen en toe te passen”. Leiders creëren daarmee de noodzakelijke gelegenheid door er expliciet om te vragen en erop te sturen en er ruimte aan te geven. Zij maken de veilige werkomgeving door dit uitgangspunt als nieuwe sociale norm te positioneren. En dat is contra wat de status quo in besluitvormingsprocessen nu vaak teweegbrengt. Het vraagt om innovatief werkgedrag en een werkklimaat waarin teamleren wordt gestimuleerd. Leiders hebben dus een cruciale taak om de kaders hiervoor te scheppen, zodat de psychologische veiligheid is geborgd.

Terug naar het eerdere voorbeeld: de voorzitter opent de bijeenkomst met een inspirerende visie op een duurzame leefomgeving, waarbij hij of zij expliciet uitspreekt dat het huidige stedenbouwkundige plan nog te weinig rekening houdt met belangrijke verduurzamingsopgaven, zoals het integreren van lokale energieopslag of het toepassen van extra isolatiemaatregelen. Vervolgens nodigt de voorzitter alle deelnemers – van projectontwikkelaars tot gemeenteambtenaren en betrokken buurtbewoners – uit om de bestaande plannen kritisch tegen het licht te houden en actief mee te denken over innovatieve, onorthodoxe oplossingen. Tijdens een open brainstormsessie krijgen alle aanwezigen de ruimte om out of the box te denken en suggesties te doen, zonder dat deze direct worden beoordeeld op haalbaarheid binnen de huidige kaders.

Ideeën die worden aangedragen, zoals het experimenteren met buurtbatterijen voor gezamenlijke energieopslag, het toepassen van circulaire bouwmaterialen of het betrekken van toekomstige bewoners bij het ontwerpen van duurzame voorzieningen, krijgen een prominente plek op de agenda voor nadere uitwerking. Door deze aanpak ontstaat er ruimte voor teamleren en wordt de psychologische veiligheid vergroot, waardoor de stuurgroep daadwerkelijk vernieuwende besluiten kan nemen die beter aansluiten bij de duurzaamheidsambities van de nieuwbouwwijk.

3. In de politieke arena

Waarom is dit perspectief belangrijk?

De perspectieven op gedrag verschillen aan keukentafel en vergadertafel en zijn te complex om naadloos op elkaar aan te sluiten. In de energietransitie is daarnaast het perspectief van de politiek relevant, vooral omdat daar vanuit gedrag weer andere factoren nadrukkelijker meespelen.

In de politieke arena bepalen politici en bestuurders de randvoorwaarden met wet- en regelgeving, aangepaste procedures en een langetermijnkoers. De politieke besluitvorming wordt daarnaast bepaald door een belangenstrijd, waarbij de kortetermijnbelangen strijden met de langetermijnvisie. Kiezersgunst, achterbannen, partijprogramma’s en coalitieafspraken maken de politieke verschillen duidelijk.

Wat gaat er nu mis?

Maar die kortetermijnaandacht voor politiek gewin zorgt ook voor wisselend beleid, onzekerheid en onduidelijkheid over de koers op lange termijn. In de energietransitie belemmert dat een vaste koers met duidelijke uitgangspunten.

Daarbovenop komen toenemende verdeeldheid, versplintering van het politieke landschap, snelle wisselingen en maatregelen die worden teruggedraaid. Het gevolg is dat het vertrouwen in de politiek afneemt en onzekerheid ontstaat over investeringsbeslissingen. Dat is bijvoorbeeld te zien bij het voorstel voor de gefaseerde afschaffing van de salderingsregeling, die geen meerderheid kreeg met het argument dat de regeling in stand moest worden gehouden. Het kabinet-Schoof besloot vervolgens de regeling alsnog en nu in één keer af te schaffen (NOS, 2024). Dat leidde tot onzekerheid bij bewoners en een duidelijke afname van de vraag naar zonnepanelen, waar ondernemers de gevolgen van zien. Bij het besluit windparken op zee minder snel te realiseren ontstond onduidelijkheid over de langetermijnkoers. In 2040 zullen er veel minder windturbines op zee staan dan eerder is afgesproken. In plaats van 50 gigawatt vermogen rekent het kabinet nu op 30 tot 40 gigawatt (Volkskrant, 2025). Hogere prijzen en netcongestie spelen daarbij een rol, maar die dragen tegelijkertijd niet bij aan de gestelde klimaatdoelstellingen. Zo ook de financiering van een aantal zaken uit het klimaatfonds van een half miljard om de eindafrekening van de energie met een paar tientjes te verlagen, een fossiele subsidie van 650 miljoen bedoeld om bedrijven te compenseren voor hoge elektriciteitskosten en het opvangen van twee belastingen die niet doorgaan: de CO2-heffing voor de industrie en de plastictaks (NOS, 2025). Het zijn politieke compromissen die in de politieke arena na veel discussie zijn afgesproken maar tegelijk voor onduidelijkheid en onzekerheid over de koers zorgen.

Waar zit ruimte voor verbetering?

De grote transities en dus ook de energietransitie zijn gebaat bij een stabiele langetermijnkoers die niet afhankelijk is van op de korte termijn wisselende politieke standpunten. Het is een open deur, maar helaas steeds zichtbaarder in het politieke landschap van vandaag. Je punt binnenhalen en afrekenen met de besluiten uit het verleden door de koers na de verkiezingen helemaal te veranderen is een heel belangrijk deel geworden van het politieke spel in de Haagse bubbel. Het is enerzijds hoe de democratie werkt, anderzijds leidt het tot onzekerheid, wantrouwen, afwachten, stilstand en onvoldoende resultaten op de lange termijn. En daar zit precies het punt: de bias van dit politieke theater is dat de lange termijn wel erkend wordt maar steeds doorkruist wordt door politieke ‘successen’ op de korte termijn.

Het lijkt onoplosbaar, omdat ook hier sprake is van een systeemprobleem waar de sociale norm van de politieke bubbel werkt als een gedragsbarrière. Politiek is dus ook gedrag en het oplossen van transitievraagstukken begint daarom bij de bewustwording van hoeveel effect dit gedrag heeft op het niet oplossen van transitievraagstukken. Debatten zijn steeds feller en gepolariseerd geworden en voor elkaar overschreeuwen geldt hetzelfde. Ik denk dat veel politici best weten dat deze manier van politiek bedrijven niet werkt, maar de oorzaak buiten henzelf leggen: ‘de kiezer beslist’, ‘de politieke verhoudingen laten dat niet toe’, ‘we moeten een compromis sluiten’, ‘zo werkt het proces nu eenmaal’, enzovoort. Politiek leiderschap vraagt hier om verantwoordelijkheid nemen, doorpakken en elkaar op dat gedrag aanspreken. Kortom: tijd voor bezinning—anders lossen we de grote vraagstukken in dit land niet op.

Een eerste stap is om zich goed rekenschap te geven van de gedragsbarrières in de politieke arena: wat doen politici bewust en onbewust om de publieke opinie te beïnvloeden (Lu, 2020):

  • Selectieve informatie zoeken die je argumenten bevestigen, wat leidt tot polarisatie en gefilterde standpunten vanuit je eigen bubbel. Deze bril van de politieke bubbel zorgt ervoor dat je niet meer openstaat voor andere argumenten.
  • De mate waarin over verschillende kwesties wordt gerapporteerd en gediscussieerd. Kort gezegd: hoe meer aandacht (in de media), hoe meer discussie en debat. Dat kunnen incidenten zijn die de aandacht afleiden van de langetermijnopgaven. Vaak wordt daarbij een beroep op emotie gedaan en wordt een kwestie een politiek item waar iedereen zich mee bemoeit (‘horse-race style coverage’).
  • Een idee dat steeds groter en geloofwaardiger wordt omdat er steeds meer over gesproken wordt. We gaan dan aannemen dat er een kern van waarheid in zit zonder dat goed te checken.
  • Het romantiseren van en het verlangen naar het verleden en het gevoel van verval dat voortkomt uit het idee dat het ideaal van vroeger is verdwenen. Vroeger was alles beter als politiek uitgangspunt.
  • Groepsdenken (of zelfs groepsdruk) waarin politici zich schikken in een standpunt om een conflict te minimaliseren (bijvoorbeeld als onderdeel van de fractiediscipline). Nieuwe en afwijkende standpunten komen dan niet meer op tafel.
  • Overschatten van de hoeveelheid mensen die het eens zijn met een idee of standpunten. Valse consensus is het gevolg en kan de politieke koers dan toch bepalen.
  • Selectief focussen op informatie (concision bias), waardoor nuances verloren gaan. Framing van een aantal argumenten leidt dan tot soundbites die maar een deel van de totale politieke afweging omvatten.

Een illustratief voorbeeld van deze concision bias in de politieke arena is de recente discussie over het niet langer verplicht stellen van de hybride warmtepomp. In het politieke debat werd deze maatregel vaak gereduceerd tot enkele kernargumenten: de kosten voor huishoudens, het gedoe voor bestaande woningen en de keuzevrijheid. Hierdoor raakten belangrijke nuances ondergesneeuwd, zoals de voordelen voor de energietransitie (minder gasverbruik en een mogelijke tussenstap in deze tijd van netcongestie). Politici en media (Pointer, 2023) vatten het complexe vraagstuk samen in korte soundbites (“kost de burger veel geld”), waardoor het brede scala aan argumenten en afwegingen niet volledig werd meegenomen (“alleen als de cv-ketel moet worden vervangen”). Dit beperkte beeld droeg bij aan het besluit om de verplichting te schrappen, terwijl alternatieve oplossingen en bredere maatschappelijke belangen nauwelijks aan bod kwamen.

Hoe kan gedrag hieraan bijdragen?

Het gedrag in de politieke arena heeft dus een heel eigen dynamiek die anders is dan die aan de keuken- en beslistafel. En tegelijkertijd een heel grote invloed heeft. Dat besef vraagt een grote verantwoordelijkheid om politiek gedrag te focussen op de lange termijn en zich bewust te zijn van de valkuilen in de politieke arena. Politiek is gedrag en het gedrag van politici doet er dus toe.

Noodzakelijk is dan wel dat de gedragsbarrières van de politieke arena worden doorbroken en men zich realiseert dat transitiegedrag in de politiek alleen maar lukt als er moeilijke keuzes worden gemaakt. Dat lijkt haast ondenkbaar in de huidige politieke tijd maar is randvoorwaardelijk voor het succes van waar dit essay mee begon: de energietransitie die bijdraagt aan het oplossen van het klimaatvraagstuk. Leiderschap, duidelijkheid en doorbijten zijn hard nodig. Zijn die er niet, dan ontstaat er onzekerheid bij organisaties die de transitie uitwerken en moeten dragen en zullen bewoners en ondernemers afhaken. En stilstand is achteruitgang, wat we ons niet kunnen permitteren.

Dat vraagt om out-of-the-box oplossingen die nog niet eerder zijn bedacht, laat staan uitgevoerd en procesmatig zijn geordend.

Conclusie: transitiegedrag vereist inzicht, geduld en strategie


De wederzijdse beïnvloeding van de leefwereld, systeemwereld en politieke context kan binnen de energietransitie leiden tot onbegrip, onzekerheid en wantrouwen bij burgers en bedrijven. Gegronde kennis van gedrag is dan ook een kritische succesfactor. Onderstaand worden drie conclusies en aanbevelingen uitgewerkt:

Gedrag doet ertoe!

Het is essentieel om gedrag volwaardig mee te nemen in de afwegingen rondom de energietransitie. Deze transitie wordt immers niet uitsluitend door economische en technische factoren bepaald; menselijk gedrag kent een grotere complexiteit. Het proces vereist een diepgaand begrip van sociale dynamiek en de context waarin keuzes worden gemaakt. Door serieus aandacht te besteden aan het gedrag van mensen – inclusief hun twijfels, weerstand en copingstrategieën – kunnen transities doelmatiger worden gerealiseerd. Bij het bepalen van welke gedragsfactoren relevant zijn, dienen capaciteit, motivatie en gelegenheid stelselmatig te worden meegenomen. Overweeg bij complexe vraagstukken ondersteuning door experts op het gebied van gedrag, vergelijkbaar met de inzet van medewerkers met technische en financiële expertise. Dan helpen concrete voordelen in het hier en nu: meer comfort in huis, een lagere én stabielere energierekening, het samen doen met de buurt en een sociale norm die verduurzaming vanzelfsprekend maakt. Dat vraagt om ruimte voor organisaties die op systeemniveau oplossingen uitwerken en een overheid die consistent beleid voert en zo gelegenheid schept, zonder grilligheid die wantrouwen wekt. Door op die drijfveren te sturen – en ze zichtbaar te maken in keuzes, regels en producten – verandert het werken aan het klimaatdoel in de energietransitie van iets groots en afstandelijks in dagelijks gedrag dat vol te houden is.

Normeren en stimuleren

Hoewel het stimuleren van keuzevrijheid vaak centraal staat bij gedragsbeïnvloeding, is normeren essentieel om individuele gedragsveranderingen te realiseren. Wanneer motivatie uitsluitend op eigen initiatief berust, worden doelstellingen doorgaans niet bereikt; enkel een beperkte groep zal actie ondernemen terwijl de meerderheid door sociale normen, beperkte kennis, vaardigheden en praktische bezwaren onvoldoende stappen zet. Het is daarom noodzakelijk adequaat randvoorwaarden te creëren. Dit vereist beleidsmatige scherpte van zowel de overheid als relevante sectoren binnen de energietransitie. Zij dienen mogelijkheden te bieden waarin normering wordt gecombineerd met aandacht voor het gedrag van bewoners en ondernemers. Daarbij is het van belang rekening te houden met de diverse barrières die vanuit verschillende perspectieven kunnen ontstaan. Zolang men wacht op initiatief van anderen, blijft de situatie onveranderd en ontstaat het risico op een vicieuze cirkel van passiviteit.

Geef het systeem niet de schuld

Iedereen die betrokken is bij de energietransitie vormt een essentieel onderdeel van het systeem, waardoor ieders gedrag van belang is. Reacties zoals “kan niet”, “wij doen dit al op een andere manier”, of “het past niet binnen de processen of is niet toegestaan vanwege regels en protocollen”, belemmeren de gedragsverandering die nodig is voor transitie. Het doorbreken van bestaande gewoontes binnen organisaties vereist besluitvorming in een veilige en stimulerende omgeving. Investeer in een lerende organisatiecultuur waarin innovatie centraal staat, en stimuleer deze als leidinggevende of bestuurder. Moedig aan om de status quo ter discussie te stellen en sta open voor innovatieve en onconventionele ideeën. Zorg daarnaast voor heldere werkafspraken, zodat medewerkers zich bevoegd voelen om in een veilige setting initiatieven te nemen.  

Referenties