Charissa Leiwakabessy - Wat we liever niet willen zien
De conditionele erkenning van jongeren in de energietransitie In dit essay onderzoekt Charissa Leiwakabessy hoe jongeren verschijnen binnen de Nederlandse energietransitie, niet als afwezige groep, maar als spiegels van de grenzen van institutionele erkenning. Vanuit haar veldwerk en de lens van erkenningsrechtvaardigheid laat zij zien hoe goedbedoelde participatie jongeren vaak reduceert tot ‘doelgroep’. Het essay betoogt dat rechtvaardige transities pas ontstaan wanneer instituties leren verschuiven: van uitnodigen naar wederkerig erkennen.
Over de auteur
Charissa Leiwakabessy is promovenda politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Haar onderzoek richt zich op energie- en woonrechtvaardigheid in de Nederlandse energietransitie, met bijzondere aandacht voor hoe dynamieken van miskenning en/of erkenning renovaties in kwetsbare buurten vormgeven. Binnen het NWO-KIC project Just Prepare: Putting REsident Practices And REsidential areas at the center of a JUST and effective energy transition in underprivileged neighbourhoods onderzoekt zij hoe bewoners, woningcorporaties en gemeenten samen rechtvaardiger vormen van transitiepraktijk ontwikkelen.
Inleiding
Tijdens mijn veldwerk kwamen er momenten voorbij die me nog altijd bijblijven. In een van de vele gesprekken met bewoners kwam er ter sprake dat een bewoner zich zorgen maakte om de veiligheid van zijn kind, omdat er in de portiek vaak mensen gebruikten of overnachtten. In een ander huis wees iemand naar de muren, waar vocht en schimmel zich langzaam hadden uitgezet. Deze bewoner maakte zich zorgen om haar kind, dat astmatisch was. En dan, tijdens een bijeenkomst, waar de toekomst van een wijk besproken werd, de plannen, de doelen, de route naar aardgasvrij, werd in diezelfde adem ook benoemd hoe een jong iemand recent was omgekomen. Even werd het stil. Daarna ging het gesprek verder, alsof er niets gebeurd was (1).
Deze momenten liggen uit elkaar in de tijd, maar vormen voor mij één lijn. Ze laten zien hoe de energietransitie zich afspeelt in een werkelijkheid die voller en rauwer is dan het Parijse klimaatakkoord (2) kan bevatten.
Pas weken later, toen ik mijn aantekeningen teruglas, besefte ik wat dit soort momenten werkelijk lieten zien. Er is geen gebrek aan empathie, maar een systeem dat niet toelaat wat niet in zijn eigen logica past. Zoals het vignet laat zien zijn bewoners niet afwezig, jongeren zijn niet onbereikbaar, hun meest urgente zorgen zijn zichtbaar. Echter worden bewoners, daarmee ook jongeren en hun levenservaringen, gefilterd en geabsorbeerd in een vocabulaire dat weinig tot geen plaats kent voor complexe en gelaagde werkelijkheden die niet simpelweg in één beleidscategorie passen. En precies daar raakt dit essay aan: erkenning betekent dat jongeren niet slechts gezien worden als ‘deelnemers aan een participatietraject’, maar als mensen met complexe leefwerelden waarin thema’s zoals veiligheid, bestaanszekerheid en toekomstbeelden voortdurend op het spel staan. Wanneer instituties die werkelijkheid niet weten te zien, worden jongeren gereduceerd tot objecten van beleid. Zij worden dan slechts gezien als een ‘doelgroep’ die ‘beter bereikt’ moet worden om de klimaatdoelen te behalen, terwijl hun meest urgente zorgen ongeadresseerd blijven. Deze beperkte blik op jongeren sluit de potentie van erkenning en rechtvaardigheid uit.
Mijn betoog aan u luidt daarom als volgt: in dit essay onderzoek ik hoe miskenning het zicht op rechtvaardigheid in de energietransitie vertroebelt. Door in te zoomen op hoe jongeren (3) verschijnen binnen beleid en praktijk in de Nederlandse context wordt zichtbaar hoe goedbedoelde vormen van participatie hun stemmen soms eerder vervormen dan versterken. Daarmee wordt duidelijk dat de vraag niet alleen is of jongeren gehoord worden, maar ook of instituties bereid zijn zich opnieuw te positioneren ten opzichte van ‘anderen’, zij het bewoners, jongeren, buurtorganisaties, andere transitieactoren, en soms zelfs tegenover hun eigen grenzen. Daarnaast laat ik zien, aan de hand van een geanonimiseerd praktijkvoorbeeld, hoe professionals kunnen leren omgaan met de grenzen van hun eigen handelingskader binnen de transitie, en wat voor lessen hieruit zichtbaar worden die ons richting kunnen geven voor herpositionering en vernieuwing van transitiepraktijken waarbij het stokt in de interactie met jongeren. Want wanneer miskenning zichtbaar wordt, houdt zij onze instituties, en daarmee ook onze bredere samenleving, een spiegel voor: wie willen wij zijn in relatie tot anderen, en durven we onszelf daarvoor te verplaatsen?
Erkenning vormt de voorwaarde waaronder de andere vormen van rechtvaardigheid betekenis krijgen.
Rechtvaardigheid in de energietransitie
Wie zich heeft verdiept in de energietransitie zal geheid het woord energierechtvaardigheid zijn tegengekomen. Het begrip duikt op in beleidsdocumenten (4), advies- en onderzoeksrapporten (5,6) en publieke debatten (7,8,9,10). Achter dat ene woord gaan verschillende betekenissen schuil, van eerlijke verdeling tot inspraak, van sociale zekerheid tot erkenning. De vraag wie überhaupt zichtbaar mag worden, welke zorgen meetellen en welke niet, is precies waar de discussie over energierechtvaardigheid om draait. Daarbij vormen drie dimensies de kern: distributieve rechtvaardigheid, procedurele rechtvaardigheid en erkenningsrechtvaardigheid (Jenkins et al., 2016). Distributieve rechtvaardigheid richt zich op de vraag wie de lusten en lasten draagt van de energietransitie. Het gaat dan vaak om vraagstukken rondom energiearmoede, nieuwe energiesystemen, infrastructuur en eigendom. Procedurele rechtvaardigheid benadrukt de eerlijkheid van besluitvorming: wie mag meepraten, welke procedures bepalen de uitkomst en hoe transparant zijn deze processen? Deze twee dimensies krijgen vaak de meeste aandacht, omdat ze relatief goed meetbaar en bestuurbaar zijn (Jenkins et al., 2016; Sovacool & Dworkin, 2015). Erkenningsrechtvaardigheid richt zich op iets fundamentelers: wie er wordt gezien als volwaardig deelnemer, en daarmee dus ook aan tafel zit en mag meebeslissen over wat er verdeeld gaat worden en hoe (Jenkins et al., 2016). In haar essentie gaat erkenning over de sociale en culturele dimensie van rechtvaardigheid, over waardigheid, zichtbaarheid en respect. Wanneer bepaalde groepen structureel over het hoofd worden gezien riskeert dit dat verdelings- en procedurele mechanismen niet alleen hun legitimiteit verliezen, maar ook dat uitkomsten van bijvoorbeeld duurzame energieprojecten kunnen leiden tot meer ongelijkheid. Zoals Nancy Fraser (2005) stelt kan er geen sprake zijn van een rechtvaardige verdeling zonder erkenning van degenen die door bestaande kaders systematisch worden gemarginaliseerd. En juist in de context van de energietransitie, waar beleid vaak technocratisch is vormgegeven, wordt zichtbaar hoe erkenning niet vanzelf tot stand komt, maar actief moet worden gecreëerd en onderhouden.
Erkenning als vergeten dimensie
Op onze eigen bodem zien we dat erkenning telkens opnieuw bevochten moet worden. Van de Dolle Mina’s (11) in de jaren zeventig tot aan Roze Zaterdag (12). Ook in het heden verschijnen steeds nieuwe vormen van erkenning: een symbolisch gebaar van het kabinet naar ouderen van Surinaamse afkomst (13), een overdracht van een Moluks monument door de koning (14) of het excuus voor het slavernijverleden (15). Tegelijkertijd zien we hoe de roep om erkenning ook klinkt vanuit onverwachte hoeken. De boerenprotesten van de afgelopen jaren (16), maar ook de strijd om erkenning van getroffen Groningers door aardgaswinning (17), maken zichtbaar hoe uiteenlopende groepen zich miskend voelen door beleid dat in eerste instantie gericht lijkt op een bepaald thema zoals duurzaamheid, maar tegelijk raakt aan bestaanszekerheid, identiteit en vertrouwen. Erkenning gaat dus niet alleen over wie historisch gemarginaliseerd is, maar ook over hoe samenlevingen omgaan met verlies, identiteit en toekomstbeelden.
Wat deze voorbeelden samen laten zien is dat erkenning nooit vanzelfsprekend is. Ze verschijnt pas na de strijd, wordt uitgesteld of blijkt steken in symboliek. En juist daarom vormt de strijd om erkenning de motor van sociale verandering (Honneth, 1995). Daarmee komt ook haar keerzijde in beeld. Want wat gebeurt er wanneer erkenning uitblijft of vervormd wordt? Erkenningstheoretici en filosofen duiden dit aan met het begrip miskenning (Honneth, 1995; Fraser, 2000; 2003; Taylor, 1994; Butler, 2005; Young, 1990). Miskenning verwijst naar situaties waarin mensen wel gezien worden, maar op een manier die hun stemmen of ervaringen marginaliseert of reduceert. Cruciaal is dat miskenning niet begrepen moet worden als simpelweg het tegenovergestelde van erkenning. Een bewonersgroep kan bijvoorbeeld worden uitgenodigd om mee te praten over de geplande transitiewerkzaamheden – een vorm van erkenning – maar tegelijkertijd worden hun meest urgente zorgen over leefbaarheid, veiligheid en achterstallig onderhoud terzijde geschoven als ‘niet relevant’ of ‘buiten scope’. Dit voorbeeld laat zien dat erkenning niet afwezig is, maar dat zij verschijnt in een selectieve en voorwaardelijke vorm. In die vervorming wordt zichtbaar dat miskenning niet voortkomt uit een gebrek aan dialoog, maar uit een ordening die bepaalt wie en wat als legitiem kan gelden. In de praktijk betekent dit dat mensen wel aanwezig zijn, maar niet in hun volle werkelijkheid zichtbaar zijn. Wanneer zorgen van bewoners of jongeren selectief worden gefilterd door beleidslogica, verdwijnen hun leefwerelden uit het zicht van instanties, maar de gevolgen van die blindheid blijven voelbaar in hun dagelijks leven. De kloof tussen systeem en leefwereld wordt zo niet kleiner, maar juist bestendigd. Juist deze dynamiek laat zien waarom erkenningsrechtvaardigheid meer is dan ‘slechts’ een derde dimensie naast distributie en procedure. Erkenning vormt de voorwaarde waaronder de andere vormen van rechtvaardigheid betekenis krijgen.
Rechtvaardigheid ontstaat niet door nieuwe kaders, maar door de bereidheid om bestaande kaders telkens opnieuw te bevragen.
Jongeren en conditionele erkenning in de energietransitie
Eerder dit jaar was ik aanwezig bij de lancering van een nieuw jongereninitiatief rond de energietransitie. De zaal was gevuld met politici, beleidsmakers en een handvol jongeren die zichtbaar trots waren.
Er werd gesproken over de noodzaak van vernieuwing, over het belang van jongeren die ‘hun stem laten horen’. Wat mij opviel waren de zinnen die bleven terugkeren: “Laat je stem horen. Kom naar ons toe. Spreek je uit.” Het klonk bemoedigend, maar ook vreemd vertrouwd, alsof ik ze al vaker had gehoord, in andere zalen, bij andere bijeenkomsten.
Tussen de woorden door, ergens in de stilte van wat niet werd gezegd, lag iets wat ik moeilijk kon plaatsen. Misschien een gemiste kans, of een ongemak dat niemand benoemde. Ik denk regelmatig nog terug aan het ongemak van dat moment. Jongeren die daar zaten, aanwezig, hoorbaar, en toch opnieuw werden opgeroepen om ‘hun stem te laten horen’. Ze waren er al, ze spraken al. Dus waarom die woorden, telkens weer?
“Laat je stem horen. Kom naar ons toe.” Zoals het vignet illustreert zijn deze woorden vaak goedbedoeld, maar zij veronderstellen dat de beweging altijd van de ander moet komen. Wat met regelmaat verschijnt als uitnodiging, blijkt in de praktijk vaak een subtiele verschuiving van verantwoordelijkheid. In dit opzicht moeten jongeren zich verplaatsen naar het institutionele midden, de juiste taal leren spreken, de juiste toon weten te vinden, de juiste timing aanvoelen. Terwijl we in het vignet en andere rapportages juist zien dat zij al aanwezig zijn in ons midden, denkend, handelend, voelend, en mee willen doen in het hier en nu.
De vraag hoe jongeren betrokken kunnen worden verschijnt dus niet in een vacuüm. Dat jongeren tot en met 30 jaar structureel ondervertegenwoordigd zijn in het besluitvormingsproces rondom de energietransitie is inmiddels bekend. Toch voelt bijna zes op de tien jongvolwassenen zich (deels) verantwoordelijk om mee te denken over het toekomstige energieverbruik in Nederland. Een op de tien jongeren wil actief betrokken worden bij het maken van plannen voor duurzame energie; een kwart tot een derde wil ten minste hun mening kunnen geven (18). Toch wordt dit potentieel zelden benut. In Europese beleidskaders (19) verschijnen jongeren vooral als een ‘doelgroep’ die via educatie en bewustwording (20) moet worden klaargestoomd voor toekomstige rollen in economie en bestuur. In Nederlandse handreikingen herhaalt dit patroon zich: jongeren moeten worden ‘geënthousiasmeerd’, ‘geactiveerd’, ‘bewust gemaakt’ (21,22,23). De toon is vriendelijk, maar de beweging blijft top-down: van het centrum naar de periferie, van het instituut naar de burger, van beleid naar praktijk.
Hierin schuilt wat ik ben gaan begrijpen als een van de manieren waarop miskenning zich uitdrukt: conditionele erkenning. Niet de afwezigheid van erkenning, maar haar vervormde verschijning. Zoals het bovenstaande vignet laat zien: erkenning wordt verleend zolang zij past binnen de counteren van het bestaande. De jongeren in de zaal waren nadrukkelijk aanwezig en toch vonden hun kennis, ervaringen en perspectieven niet de weg naar binnen in de kaders waarbinnen besluitvorming over de toekomst van morgen plaatsvindt. In die zin is conditionele erkenning niet het tegenovergestelde van miskenning, maar haar meest verfijnde gedaante. Zij houdt de schijn van openheid in stand, terwijl de grenzen van het denkbare onaangeroerd blijven. Dit is hoe onze instituties vaak werken wanneer ze over vernieuwing spreken: zij nodigen uit, maar blijven zelf waar ze zijn. De beweging moet van de ander komen. Zo wordt erkenning slechts een symbolisch eenrichtingsverkeer. Conditionele erkenning is in die zin geen mislukte poging tot dialoog, maar een symptoom van een diepere systeemlogica: ze bevestigt inclusie, maar zonder verschuiving. Zij laat de ander zien, maar nooit als gelijke. Wat ik op dat moment zag, en pas later kon duiden, is dat deze vorm van erkenning niet weigert, maar in feite reguleert. Ze is niet vijandig, maar subtiel en selectief. Er wordt geluisterd, maar alleen naar wat als redelijk of relevant wordt herkend. Er wordt ruimte geboden, maar slechts binnen de contouren van het bestaande.
Wanneer ik later beleidsdocumenten lees over jongerenparticipatie, herken ik precies dat patroon. Woorden als dialoog, betrokkenheid en bewustwording lijken te verwijzen naar nabijheid, maar kunnen vaak ook fungeren als subtiele vormen van controle. En daarmee wordt ook duidelijk wat er zich verder die avond voltrok: de manier waarop instituties ‘kijken’. In die zin herinnert deze dynamiek ons aan wat James Scott (1998) beschreef in zijn boek Seeing like a State. Scott beschrijft in zijn boek hoe instituties snel de neiging hebben om complexe en alledaagse leefwerelden te vereenvoudigen tot wat bestuurbaar, meetbaar en begrijpelijk is. Deze vereenvoudiging van het leefwerelden is niet per se problematisch, maar het heeft wel een prijs. Wat niet in de ‘lens’ past verdwijnt, en daarmee worden leefwerelden gereduceerd tot categorieën, lokale kennis verliest haar status als ‘bewijs’ en improvisatie wordt verwisseld met onvoorspelbaarheid.
Conditionele erkenning is, in zekere zin, de sociale vertaling van deze epistemische reductie. Niet omdat professionals dat zo willen, maar omdat de systemen waarin zij werken hen ertoe dwingen. Wat ik in mijn eigen onderzoek heb gezien, is dat deze reductie niet slechts theoretisch is, maar voelbaar en zichtbaar in de alledaagse transitiepraktijken van professionals. In gesprekken met hen hoor ik steeds hetzelfde spanningsveld terug. Er wordt oprecht en met toewijding gesproken over het belang van jongeren en hun betrokkenheid in de energietransitie . Tegelijkertijd botsen zij op de grenzen van de formats waarbinnen ze zelf moeten opereren. De planning, de begroting, de verantwoordingslogic. Veel van onze hedendaagse transitiepraktijken zijn ingericht op voorspelbaarheid en afrekenbaarheid, en niet zozeer op openheid of wederkerigheid. Hierdoor wordt erkenning, hoe goedbedoeld ook, steeds gevangen in een systeem dat verandering slechts toelaat voor zover zij de orde niet verstoort.
Wat als we, in plaats van te vragen hoe we bewoners of jongeren beter kunnen betrekken, onszelf zouden afvragen hoe professionals die deze taak hebben, beter ondersteund kunnen worden om de beperkingen van hun eigen systeem te doorbreken? Hoe zij ruimte kunnen creëren om werkelijk te luisteren, buiten de institutionele regels en kaders die hun handelen sturen? Want zolang de institutionele kaders bepalen wat er gehoord kan worden, blijft ook de meest welwillende professional onbedoeld medeplichtig aan een systeem dat de complexiteit van verschillende leefwerelden reduceert.
Deze vragen die het vignet oproept laten zien dat erkenningsrechtvaardigheid niet alleen iets van jongeren vraagt, maar ook van professionals. Zij vraagt om het vermogen om de eigen positie te bevragen, om de grenzen van het eigen handelingskader te (her)zien en, soms, om daar bewust tegenin te handelen. Deze complexiteit vraagt niet zozeer om meer kennis of betere methoden, maar om iets fundamentelers: de moed om de vanzelfsprekendheid van huidige handelingskaders te onderbreken en ons te verplaatsen in iets wat nog geen vorm of taal heeft. Juist daar, in die breuk tussen het zekere en het onzekere, ligt een opening voor betekenisvolle transformatie.
Radicale verbeelding: hoe het ook anders kan
In deze breuk ontvouwt zich voor mij de betekenis van ‘radicale verbeelding’. Ruha Benjamin (2018; 2020) beschrijft radicale verbeelding niet als het ontwerpen van nóg meer toekomstscenario’s naast het bestaande, maar als het vermogen om te zien dat de wereld fundamenteel anders kan worden ingericht. Zij schrijft over verbeelding als infrastructuur: niet als fantasie, maar als een collectieve capaciteit om andere werkelijkheden denkbaar te maken, juist daar waar het bestaande de grenzen van het mogelijke afbakent.
Wanneer ik dit lees naast erkenningsrechtvaardigheid, zie ik dat beide concepten in elkaars verlengde liggen. Waar miskenning laat zien waar leefwerelden, perspectieven en ervaringen worden afgevlakt of uitgesteld, opent radicale verbeelding precies datgene wat miskenning afsluit. Ze nodigt ons uit om te vragen: wat zou er gebeuren als professionals de ruimte krijgen om te experimenteren met wat nu nog buiten hun taakomschrijving valt? Wanneer ze, in plaats van te werken binnen de regels, ook de mogelijkheid krijgen om te werken aan de regels, aan de manieren waarop er over bewoners, jongeren en de toekomst wordt gedacht en besloten? Want hierin schuilt een paradox: professionals worden aangemoedigd om ‘de stem van jongeren te betrekken’, maar hebben nauwelijks ruimte om de voorwaarden daarvoor te veranderen. We kunnen dus bijna veronderstellen dat zowel jongeren als professionals op zeker niveau verlangen naar vernieuwing, maar bewegen binnen kaders die die vernieuwing juist beperken.
In deze context krijgt het concept van radicale verbeelding een betekenis van samen leren kijken voorbij de contouren van wat op dit moment bestuurbaar lijkt. Dit betekent dus niet vragen hoe jongeren beter kunnen deelnemen, of meer invloed moeten krijgen in de energietransitie, maar hoe professionals ruimte kunnen maken om de spelregels zelf te herzien, zodat jongeren niet alleen worden gehoord, maar ook mede kunnen vormgeven aan beslissingen die hun toekomst bepalen.
Tegelijkertijd roept dat spanning op. In gesprekken hoor ik vaak: ‘we kunnen niet vertragen’, ‘er is geen budget’, ‘onze procedures zijn daar niet op ingericht’. En toch zie ik in de praktijk dat het wél anders kan. Een voorbeeld:
Het is dinsdagochtend. In een buurthuis staan koffie en koekjes klaar; aan tafel zitten bewoners, professionals en vertegenwoordigers van verschillende instituties. De aanleiding is technisch: de wijk moet aardgasvrij worden. Maar al snel verschuift het gesprek. Er worden geen cijfers of KPI’s gedeeld, maar ervaringen: hoe vertrouwen groeide, hoe iemand zich eindelijk gehoord voelde, hoe nabijheid spanningen deed afnemen.
Wat mij trof, was de dubbelheid die hier zichtbaar werd. Aan de ene kant de logica van systemen die in ketens denken: stappenplannen, formats, projectdoelen. Aan de andere kant de logica van nabijheid: het samen dragen van zorgen, het dagelijks afstemmen, het besef dat samenwerking meer is dan een middel om een beleidsdoel te halen.
Juist in die botsing werd iets onthuld. Samenwerking bleek geen neutraal instrument, maar een spiegel: ze laat zien wie ruimte krijgt en wie uit beeld verdwijnt. En terwijl het formele project bijna ten einde liep, werd de wezenlijke vraag voelbaar: hoe behouden we deze manier van werken als de kaders waarbinnen we samenkwamen ophouden te bestaan?
In één stedelijke wijk waar ik langere tijd aanwezig ben, wordt niet gewerkt via standaardparticipatieformats, maar via relaties van vertrouwen en wederkerigheid die door bewoners en professionals samen zijn opgebouwd. Bewoners en ook jongeren uit die buurt, die in beleid vaak als ‘moeilijk bereikbaar’ worden gezien, blijken juist volop aanwezig zodra de ontmoeting niet begint met de vraag hoe zij binnen beleidsdoelen passen, maar met erkenning van hun eigen zorgen en praktijken.
Wat deze ochtend zichtbaar werd is dat rechtvaardigheid niet ontstaat door nieuwe kaders, maar door de bereidheid om bestaande kaders telkens opnieuw te bevragen. Met andere woorden: de grenzen van het mogelijke op te rekken.
Juist daar, in het oprekken van die grenzen, zie ik radicale verbeelding aan het werk. Wat ik in deze bijeenkomst en daaropvolgende bijeenkomsten zag, is een praktijk waarin mensen hun eigen doelen inbrengen én herijken in relatie tot die van anderen, waarin interdependentie niet verhult, maar juist expliciet gemaakt wordt. Radicale verbeelding in deze context betekent samen leren waarnemen wat tot nu toe buiten beeld viel, het erkennen van leefwerelden die niet ontworpen zijn voor beleidsdoelen, maar toch het middelpunt van deze doelen vormen. In de taal van zorgethiek gaat het dan om een doorlopende cyclus van aandachtigheid, verantwoordelijkheid, deskundigheid en responsiviteit (Tronto, 1993; Kittay, 1999): eerst zien wat er nodig is, verantwoordelijkheid nemen, bekwaam handelen en terugkoppelen naar betrokkenen. In deze buurt wordt er elke dag gebouwd aan vertrouwen, gedeelde probleemdefinities en wederkerigheid als condities waaronder individuele én collectieve doelen alleen via elkaar haalbaar worden (Ansell & Gash, 2008; Emerson & Nabatchi, 2015). Dat is veeleisend werk. Het vraagt om tijd, geld, een lange adem, om te luisteren en om verantwoordelijkheid te nemen voor het geheel als gedeeld mandaat. De implicatie is dat samenwerking zelf een rechtvaardigheidstechnologie is: ze verbindt distributie (wie draagt wat), procedure (hoe beslissen we) en erkenning (wie telt als legitieme stem) in één gemeenschappelijke praktijk.
Terugdenkend aan deze momenten herken ik wat Bruno Latour ons al decennia probeert duidelijk te maken: dat de moderniteit een fictieve scheiding heeft aangebracht tussen natuur en maatschappij, tussen technische feiten en sociale waarden (Latour, 1993). In werkelijkheid leven we in een verweven web van mensen, dingen, instituties en omgevingen. Samenwerking krijgt pas betekenis wanneer dat web als geheel wordt erkend. Wanneer we dit doortrekken naar de rol van jongeren in de energietransitie wordt duidelijk dat hun afwezigheid zelden een kwestie van onwil is, maar een kwestie van ontoegankelijkheid. Jongeren zijn er, bewoners zijn er, op straat, in buurthuizen, op scholen en universiteiten, in buurtinitiatieven, maar verschijnen vaak niet in de ruimtes waar over de toekomst, hun toekomst, wordt beslist. De vraag is dus niet of jongeren voldoende vertegenwoordigd zijn, maar waarom hun manieren van weten en handelen zo moeilijk een plek vinden binnen bestaande beleids- en besluitvormingskaders die vooral de oudere generaties belonen. Radicale verbeelding vraagt hier om een verschuiving van perspectief, om jongeren niet langer te zien als toekomstige experts, maar als aanwezige medeontwerpers van een multiculturele samenleving in transitie. Hun bijdragen liggen niet alleen in politieke participatie, in activisme of puur technologische innovatie, maar ook in de manieren waarop zij de alledaagse realiteit van wonen, energie, leefbaarheid, veiligheid en daarmee dus de toekomst vormgeven.
De bovenstaande vignetten bevatten sporen van de obstakels voor jongeren in de energietransitie, zoals hiërarchische besluitvorming, versnipperde verantwoordelijkheden, gebrek aan tijd en middelen om daadwerkelijk met elkaar in dialoog te gaan. Toch is er ook hoop, zoals het bovenstaande vignet laat zien. Als we deze reflecties doortrekken naar de rol van jongeren in de energietransitie, zien we dat vernieuwing mogelijk wordt zodra professionals zowel de moed vinden als middelen en mandaat krijgen om hun taken te verruimen én jongeren ruimte krijgen om hun ervaringen en kennis in te brengen op een gelijkwaardig niveau.
En misschien is dat, in de kern, de les van deze dinsdagochtend in het buurthuis: dat radicale verbeelding geen utopie is. Dat rechtvaardigheid niet begint bij regels of beleid, maar bij het toelaten van andere manieren van kijken, ook – en juist – van hen die de toekomst het langst zullen dragen. Voor de rol van jongeren in de energietransitie kan radicale verbeelding betekenen dat zij niet alleen meedenken en -beslissen over duurzame energiesystemen, maar ook over wat zij als meest urgent aanwijzen, zoals betaalbaar wonen en veiligheid (24). In deze optiek betekent radicale verbeelding dus het vermogen om die dagelijkse zorgen zichtbaar te maken in het heden, en niet pas in 2050.
In werkelijkheid leven we in een verweven web van mensen, dingen, instituties en omgevingen. Samenwerking krijgt pas betekenis wanneer dat web als geheel wordt erkend.
Drie bewegingen voor een rechtvaardige weg vooruit
Wat dit alles ons leert is dat de vernieuwing die wij zoeken in de energietransitie niet begint bij nog meer nieuwe strategieën, nog meer toolkits, maar bij nieuwe vormen van relaties. Als wij, als professionals, wetenschappers en medeburgers, jongeren werkelijk willen betrekken in de complexe vraagstukken die wij met z’n allen zullen moeten navigeren in onze samenleving, dan vraagt dat niet alleen om beleidsaanpassingen, maar ook om een herziening van hoe onze instituties zichzelf begrijpen in relatie tot de samenleving. Het vraagt om herverdeling van ruimte, tijd en verantwoordelijkheid, niet als symbolisch gebaar, maar als een eerste stap richting de verschuiving van macht. Dat klinkt in veel opzichten abstract, zwaar en misschien ook wel eng. Maar dat hoeft het niet te zijn. In principe is het al begonnen: in gesprekken waarin professionals durven los te laten, in projecten waarin jongeren niet alleen wordt gevraagd om mee te denken, maar ook om mee te beslissen, in buurthuizen waar op dinsdagochtend de energietransitie gezamenlijk wordt vormgegeven.
In dat licht zijn de volgende drie suggesties geen kant-en-klare oplossingen, maar een uitnodiging tot experimentatie en zelfonderzoek in het alledaagse werk van de energietransitie, daar waar wij allen elkaar tegenkomen: van jong tot oud, van burger tot ambtenaar, van buur tot voorbijganger.
1. Herontwerp van rollen en verantwoordelijkheden
Om jongeren werkelijk centraal te stellen, moeten organisaties zichzelf de vraag durven stellen: waar in onze structuur kan een jongere vandaag invloed uitoefenen en waar niet? Dit vraagt om functies die niet voor jongeren werken, maar met hen, in gedeeld mandaat, waarbij het niet gaat om ‘alleen’ adviesraden naast bestaande besluitvorming, maar om het verplaatsen van besluitvorming zélf.
Professionals kunnen dit concreet maken door jongeren niet te benaderen als inputleveranciers, maar als medeauteurs van projecten: jongeren die mogen meeschrijven, die mogen meedenken over de probleemdefinities en meebeslissen over wat er op de agenda komt te staan. Dat veronderstelt dat organisaties hun eigen taal, tempo en vormen van validiteit soms durven los te laten.
2. Afstemming van temporaliteiten
De tijd van jongeren is anders dan de tijd van beleid. Hun leven beweegt in studies, seizoenen, tijdelijke banen en existentiële onzekerheden, niet in projectplannen of horizonjaren. Wie jongeren centraal wil stellen, moet leren schakelen tussen deze ritmes.
Dat kan klein beginnen: door te vragen wanneer en hoe jongeren wíllen deelnemen, in plaats van ‘hun taal’ te leren om ze dan vervolgens te vangen in vergaderritmes die niet bij hun levensstijl passen. Maar het kan ook groter: door beleidscycli zo te ontwerpen dat ze ruimte laten voor onverwachte timing, voor momenten waarop iets gezien wil worden in plaats van ingepland.
Voor professionals betekent dit: durf te vertragen wanneer het tempo van beleid sneller is dan dat van vertrouwen. En durf te versnellen wanneer jongeren initiatief tonen dat bureaucratie dreigt te verstikken. Rechtvaardigheid is dus niet alleen verdeling, maar ook tempo-afstemming, waarbij het de kunst is om te bewegen met verschillende tijdlijnen tegelijk, zonder dat één ritme alle andere ritmes overstemt.
3. Structurele inbedding van sociale urgenties
Ten slotte, jongeren leven niet in thematische kolommen. Hun zorgen over klimaat zijn verbonden met vragen over wonen, mentale gezondheid, pesten, veiligheid en bestaanszekerheid. Wie hun perspectieven serieus neemt, moet de energietransitie opnieuw leren zien als sociaal weefsel, niet als technisch project. Dat betekent dat jongeren niet pas betrokken worden wanneer het beleid al geschreven is, maar dat zij vanaf het begin deel zijn van de vraagstelling zelf: wat is het probleem dat we proberen op te lossen en voor wie?
Hun kracht ligt niet in leeftijd, maar in hun vermogen om het vanzelfsprekende te bevragen, om te zien waar instituties blind zijn geworden. Van professionals vraagt dit iets diepers dan empathie. Het vraagt om geraakt te kunnen worden door wat niet past in bestaande beleidskaders. Alleen dan kan erkenning verschuiven van gebaar naar praktijk, van representatie naar co-creatie. Daar, in die verschuiving, begint de mogelijkheid van een transitie die niet alleen duurzaam, maar ook wederkerig, pluriform en toekomstwaardig is.
Slotbeschouwing: de spiegel van erkenning
Wat ik in dit essay heb willen laten zien, is dat de vraag: hoe betrekken we jongeren bij de energietransitie, te smal gesteld is. In de praktijk is het niet dat jongeren ontbreken, maar dat de manier waarop instituties hun processen vormgeven bepaalt wie zichtbaar wordt, onder welke voorwaarden en op welk moment. Wanneer professionals dit lezen en terugkeren naar hun organisaties hoop ik dat zij niet enkel nadenken over hoe jongeren te betrekken, maar ook over hoe hun eigen positie kan verschuiven. Want erkenning begint niet met de ander zien, maar met de bereidheid om zelf van plaats te veranderen.
Miskenning, en daarmee ook erkenning, is als het ware een spiegel. Zij laat ons niet alleen wie of wat zien, maar ook wie en wat we liever niet willen zien. Dit spiegelbeeld is niet nieuw. Elke maatschappelijke overgang kent momenten waarop sommige stemmen worden gehoord en andere verdwijnen in het geruis van beleid. De energietransitie vormt zo’n moment. Zij is niet enkel een technisch project, maar een maatschappelijke herordening die diep ingrijpt in hoe we wonen, werken en ons tot elkaar verhouden.
Daarmee keer ik terug naar het begin. Erkenning vraagt ons: wie willen wij zijn in relatie tot anderen, en wat zijn wij bereid op te geven om werkelijk te kunnen zien?
Die dubbelheid is pijnlijk en hoopvol tegelijk. Miskenning toont de grenzen van het bestaande, maar opent ook ruimte om opnieuw te leren kijken. Zij legt bloot waar de kloof zit tussen systeem en leefwerelden, tussen toekomstbeelden en het alledaagse leven. Juist dáár, in de marges, ontstaat de mogelijkheid om te herijken wat wij vanzelfsprekend zijn gaan vinden, om stemmen binnen te laten die eerder buiten de institutionele grenzen vielen.
Dit is geen oordeel over onze instituties, maar een uitnodiging tot reflectie. Want aan het einde van de dag blijven we mensen die proberen te begrijpen hoe samenleven eruit kan zien. Miskenning is dan geen falen, maar een opening: het moment waarop het bestaande zijn greep verliest en de kiem van transformatie zichtbaar wordt.
Zijn we dan bij een kantelpunt? Misschien. De gespleten spiegel van erkenning herinnert ons eraan dat elke transitie, hoe technisch ook, in wezen een oefening is in menselijkheid. Dit soort vraagstukken kunnen gezien worden als momenten waarop verschillende partijen in onze samenleving elkaars eigen grenzen en die van de ander opnieuw moeten leren zien en waar nodig is deze regels herzien en opnieuw vormgeven. In dat besef ligt, misschien, het begin van een rechtvaardige toekomst. Een die niet morgen begint, maar vandaag.
Referenties
- De vignetten in dit essay zijn geanonimiseerd om de privacy van betrokkenen te waarborgen. Sommige scènes zijn afkomstig uit mijn lopende promotieonderzoek, andere uit praktijksituaties waar ik in mijn professionele hoedanigheid bij aanwezig was.
- emissieautoriteit.nl
- In dit essay gebruik ik de term ‘jongeren’ als verzamelterm, maar ik ben mij ervan bewust dat ‘jongeren’ geen homogene groep vormen. Hun ervaringen, zorgen en posities verschillen naar sociaal-economische, culturele en geografische context, en zouden niet als die van één eenduidige categorie gelezen moeten worden.
- Rechtvaardigheid in klimaatbeleid
- Wat zijn rechtvaardige en haalbare klimaatdoelen voor Nederland
- TNO
- https://www.regionale-energiestrategie.nl/participatie/energierechtvaardigheid/default.aspx
- Energierechtvaardigheid: hoe zorgen we voor een eerlijke energietransitie
- HVA
- Nationaal KlimaatPlatform
- Dolle Mina’s
- Roze Zaterdag
- Kabinet maakt gebaar van erkenning naar ouderen van Surinaamse herkomst
- Overdracht van een Moluks monument door de koning
- Excuus voor het slavernijverleden
- Boerenprotesten
- Getroffen Groningers door aardgaswinning
- Definitieve-rapportage: Jongeren en de Energietransitie
- Europese beleidskaders
- Educatie en bewustwording
- Natuur en Milieufederatie Utrecht. (2023, 12 januari). ‘Watt Nou’: jongeren blijven meepraten over energie
- Hoe bereik je jongeren? (n.d.-b). Energieparticipatie.nl - Dé Leeromgeving Voor Participatie Bij Duurzaam Opwekken.
- Jongerenparticipatie - Hoe organiseer je dat
- Betaalbaar wonen en veiligheid
Bronnen
- Ansell, C. & Gash, A. (2008). Collaborative Governance in Theory and Practice. Journal of Public Administration Research and Theory, 18(4), 543–571.
- Benjamin, R. (2018). Race After Technology: Abolitionist Tools for the New Jim Code. Polity Press.
- Benjamin, R. (2020). Imagination and Freedom. The Andrew Carnegie Lecture, Edinburgh.
- Butler, J. (2005). Giving an Account of Oneself. New York: Fordham University Press.
- De Vries, L., Donker, A. & Nederlands Jeugdinstituut. (2024). Jeugdparticipatie in gemeenten - Een inhoudelijke verkenning.
- Emerson, K. & Nabatchi, T. (2015). Collaborative Governance Regimes. Georgetown University Press.
- Fraser, N. (2000). Rethinking Recognition. New Left Review, 3, 107–120.
- Fraser, N. (2003). Social justice in the age of identity politics: Redistribution, recognition, and participation. In N. Fraser & A. Honneth, Redistribution or Recognition? A Political-Philosophical Exchange (pp. 7–109). London: Verso.
- Honneth, A. (1996). The struggle for recognition: The Moral Grammar of Social Conflicts. MIT Press.
- Jenkins, K., McCauley, D., Heffron, R., Stephan, H. & Rehner, R. (2015). Energy justice: A conceptual review. Energy Research & Social Science, 11, 174–182.
- Kittay, E. F. (1999). Love’s Labor: Essays on Women, Equality, and Dependency. Routledge.
- Latour, B. (1993). We Have Never Been Modern. Harvard University Press.
- Scott, J. C. (1998). Seeing Like a State: How Certain Schemes to Improve the Human Condition Have Failed. Yale University Press.
- Sovacool, B. K. & Dworkin, M. H. (2015). Energy justice: Conceptual insights and practical applications. Applied Energy, 142, 435–444.
- Taylor, C. (1994). The Politics of Recognition. In A. Gutmann (Ed.), Multiculturalism: Examining the Politics of Recognition (pp. 25–73). Princeton: Princeton University Press
- Tronto, J. (1993). Moral Boundaries: A Political Argument for an Ethic of Care. Routledge.
- Voice, P. (2005). Nancy Fraser and Axel Honneth, Redistribution or Recognition? A Political-Philosophical Exchange (London and New York: Verso, 2003). Politics and Ethics Review, 1(2), 215–217.
- Young, I. M. (1990). Justice and the Politics of Difference. Princeton: Princeton University Press.