Eileen Moyer - De weegschaal van rechtvaardigheid en de schalen van de energietransitie

De productie van groene waterstof draagt bij aan de energietransitie hier, maar raakt mensen en natuur in andere landen. Onderzoekers Eileen Moyer, Linda Musariri en Margaretha Wewerinke-Singh pleiten voor rechtvaardigheid: laat lokale gemeenschappen meebeslissen en compenseer hen goed. In Boegoebaai werkt de Zuid-Afrikaanse overheid aan plannen voor een nieuwe haven, grote zonnevelden en waterstoffabrieken voor export, onder andere naar Nederland. Dat bedreigt heilige plekken, vooroudergraven en een kwetsbaar natuurgebied waar de Nama al generaties leven. Een rechtvaardige energietransitie vereist naleving van bestaande mensenrechten- en milieunormen, en om actieve inzet om deze rechten te verdedigen wanneer ze onder druk staan. Nederland moet niet alleen investeren in infrastructuur en innovatie, maar ook in rechtvaardigheid.

Door: Prof. dr. Eileen Moyer, dr. Linda Musariri en dr. Margaretha Wewerinke‑Singh
Externe video

Over de auteurs


Prof. dr. Eileen Moyer is hoogleraar Antropologie van Klimaatverandering aan de Universiteit van Amsterdam. Samen met professor Lenore Manderson van de Universiteit van de Witwatersrand leidt zij het NWO-NRF-project EcoImagining, dat onderzoekt hoe pogingen om de toekomst van water-, energie- en voedselzekerheid in Zuid-Afrika veilig te stellen zich ontvouwen in een context van dagelijkse onzekerheid, die wordt gevormd door klimaatverandering, neokolonialisme en slecht bestuur.

Dr. Linda Musariri is universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam bij de afdeling Antropologie. Ze promoveerde in de antropologie aan het Amsterdam Institute of Social Science Research (AISSR) van de Universiteit van Amsterdam. Linda Musariri is geïnteresseerd in het begrijpen van machtsverschillen, ongelijkheden en epistemologische onrechtvaardigheden die verankerd zijn in kennisproductieprocessen. Ze hanteert een kritische ontwikkelingsbenadering om onderzoek te doen naar geweld, migratie, gender en klimaatverandering.

Dr. Margaretha Wewerinke‑Singh is universitair hoofddocent duurzaamheidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam, adjunct-hoogleraar rechten aan de University of Fiji, internationaal advocaat en lid van het Permanent Hof van Arbitrage. Zij was onder andere hoofdadvocaat voor Vanuatu in de adviesprocedures over klimaatverandering bij het Internationaal Gerechtshof, het Internationaal Zeerechttribunaal en het Inter-Amerikaanse Hof voor de Mensenrechten.

Het onderzoek naar de ontwikkeling van waterstof in Nederland en Zuid-Afrika wordt mede ondersteund door twee onderzoeksprogramma’s van de Universiteit van Amsterdam: EnLens (Energietransitie door de lens van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen) en Decolonial Futures.

Inleiding


In dit essay laten de auteurs zien dat ‘rechtvaardigheid’ zowel de weegschaal als de maatstaf vormt waarmee en waarlangs keuzes in de Nederlandse energietransitie moeten worden gewogen. Aan de hand van de Boegoebaai‑corridor in Zuid‑Afrika verbinden zij antropologisch veldwerk met de recente rechtsontwikkeling op het gebied van klimaatrechtvaardigheid en mensenrechten. Het stuk vertaalt het door de auteurs geschetste kader van rechtvaardigheid naar concrete verantwoordelijkheden voor overheid en bedrijfsleven in waardeketens voor ‘groene’ waterstof: van koolstofbudgetten en herstelplichten tot due diligence, vrijwillige, voorafgaande en geïnformeerde toestemming (Engels: free, prior and informed consent, FPIC) en zorg voor meer‑dan‑menselijk leven. Hier verwijzen we naar ecologische kwesties die verder gaan dan alleen menselijke belangen, zoals de bescherming van zeldzame planten, trekvogels, Kaapse pelsrobben en walvissen die leven in het kwetsbare kustecosysteem van Richtersveld.

Nu we in Nederland overstappen van fossiele brandstoffen naar waterstof, zonne-energie en windenergie, moeten we ons niet alleen afvragen hoe we deze transitie kunnen versnellen, maar ook waar en hoe we de technologieën produceren en aanschaffen die dit mogelijk maken. Van de aankoop van zonnepanelen en windturbines tot de winning van kritieke mineralen en de productie van waterstof: rechtvaardigheid vereist dat we de volledige keten van effecten onderzoeken. Dit houdt onder meer in dat we ervoor zorgen dat degenen die het meest worden getroffen door de winning – of dat nu in onze eigen RES-regio's is of in plaatsen als het Richtersveld in Zuid-Afrika – worden gehoord, gerespecteerd en eerlijk worden gecompenseerd. Het Richtersveld, een UNESCO-werelderfgoedlocatie en kwetsbare kustwoestijn, is de thuisbasis van de inheemse Nama-bevolking, die ondanks het winnen van een baanbrekende landclaim lange tijd van de besluitvorming is uitgesloten. Het is nu de voorgestelde locatie voor de Boegoebaai-waterstofcorridor. Dit roept urgente vragen op over rechtvaardigheid, toestemming en ecologische verantwoordelijkheid.

De corridor is niet bedoeld om te voorzien in lokale energiebehoeften.

Rechtvaardigheid in het energietransitiediscours


Rechtvaardigheid in de energietransitie is meer dan de vraag wie betaalt of wie profiteert. Zij gaat ook over wie mag meepraten, wiens kennis en levenswijze als volwaardig worden gezien, hoe we omgaan met toekomstige generaties en met het meer‑dan‑menselijke leven waarop ook onze energievoorziening steunt. In de energierechtvaardigheidsliteratuur worden doorgaans drie klassieke dimensies onderscheiden – verdelings‑, procedurele en erkenningsrechtvaardigheid [1] – waarbij recent overtuigend is bepleit dat intergenerationele en relationele (multi‑species) rechtvaardigheid daar onlosmakelijk bij horen. [2]

Wie naar de Nederlandse energietoekomst kijkt, ziet bovendien dat ‘schaal’ ertoe doet –letterlijk en figuurlijk. De energietransitie wordt gemeten in kilotonnen CO₂ en gigawattuur, maar ook in meerdere geografische en temporele schalen tegelijk: van de wijk waar een windpark verrijst, via Europese marktregels, tot de wereldwijde waardeketen van ‘groene’ waterstof. Ons essay speelt precies met dat spanningsveld: de weegschaal van de rechtvaardigheid en de schalen waarop keuzes hun gewicht vinden. De empirische data die we in kaart brengen markeren die spanningen scherp: lokale ontheemding versus globale koolstofboekhouding, centrum‑periferierelaties binnen Nederland en de uitbesteding van risico’s naar voormalige koloniale gebieden die nu worden gepresenteerd als ‘energiecorridors’.

Een nauwe, puur technisch‑economische lezing van de transitie – sneller uitrollen, schaalvoordelen pakken, ‘groen’ importeren waar mogelijk – mist wat rechtvaardigheid juist vereist. Verdelingsrechtvaardigheid dwingt ons ons af te vragen wie de lasten van mijnbouw, watergebruik of havenuitbreiding draagt en wie de baten incasseert; procedurele rechtvaardigheid vraagt of betrokkenen tijdig, volwaardig en doorlopend meebeslissen; erkenningsrechtvaardigheid vraagt of de leefwijzen, taal en kennis van bijvoorbeeld Nama- en Khoi‑San-gemeenschappen een hoofdzaak zijn in plaats van bijzaak; intergenerationele rechtvaardigheid vraagt of we beleid toetsen aan cumulatieve risico’s en gevolgen voor de komende decennia en daarna [3]; relationele rechtvaardigheid ten slotte vraagt of rivieren, kustecosystemen en weidegronden als dragers van leven in de besluitvorming meetellen. [4]

Daarmee raken we de kern van dit essay: de Nederlandse ‘groene energie’-ambitie, en breder de energie‑infrastructuur die zij vergt, is onlosmakelijk verbonden met zuidelijke corridors zoals het voorgestelde exportknooppunt Boegoebaai in Zuid‑Afrika. Wie die corridor door een rechtvaardigheidslens bekijkt, ziet dat ‘groene’ energie in Europa kan leunen op intens water‑ en landgebruik, havenuitbreiding en mijnbouw elders – met juridische en morele vragen over medeverantwoordelijkheid. Ons werk positioneert precies deze wisselwerking tussen inheemse rechtvaardigheidsopvattingen, rechten van de natuur en een op mensenrechten gebaseerde transitie.

Belangrijk is dat het recht deze brede lezing niet alleen toelaat maar steeds duidelijker vereist. Internationale en regionale rechtsfora benadrukken dat staten daadwerkelijke bescherming moeten bieden tegen ernstige klimaat‑ en milieurisico’s, onder meer door regulering van private partijen, en dat beleidskaders moeten aansluiten op wetenschappelijk vastgestelde koolstofbudgetten. Dat onderstreepte het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in KlimaSeniorinnen tegen Zwitserland (2024): het Hof oordeelde dat het gebrek aan voldoende nationaal beleid en regelgeving om klimaatverandering tegen te gaan, een schending was van art. 8 EVRM wegens hiaten in het nationale kader. [5]

Het Internationaal Zeerechttribunaal verduidelijkte in 2024 dat staten op grond van het Zeerechtverdrag verplicht zijn broeikasgasvervuiling van het mariene milieu te voorkomen, te verminderen en te beheersen met due diligence en in lijn met de best beschikbare wetenschap. [6] En in juli 2025 gaf het Internationaal Gerechtshof een baanbrekend advies: staten zijn onder internationaal recht gehouden het klimaat en een gezond milieu te beschermen, in samenwerking, met het oog op huidige en toekomstige generaties, en door ook private actoren effectief te reguleren. [7]

Wat volgt daaruit voor Nederland en voor in Nederland gevestigde of opererende ondernemingen die in Zuidelijk Afrika energie‑ of grondstoffenketens opbouwen? Allereerst dat ‘rechtvaardigheid’ niet optioneel is maar in de kern van de juridische toets ligt. De Hoge Raad bevestigde in de Urgenda-zaak al dat er een positieve verplichting op de Staat rust om effectieve maatregelen te nemen tegen gevaarlijke klimaatverandering op basis van de artikelen 2 en 8 EVRM. [8]

Bedrijven blijven evenmin buiten beeld. De Haagse rechter verplichtte Shell in 2021 tot forse emissiereducties; het Haagse hof oordeelde in november 2024 dat er ook voor bedrijven een zorgplicht bestaat om gevaarlijke klimaatverandering tegen te gaan, al verbond het daar geen exact emissiereductiepercentage aan. [9] Deze zorgplicht krijgt vorm door een scala aan internationale standaarden, zoals de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (‘UN Guiding Principles’), en door wetenschappelijke inzichten over het klimaat.

Deze lijn wordt intussen ingebed in het Europese recht: de EU‑richtlijn zorgplicht duurzaam ondernemen (CSDDD) is op 25 juli 2024 in werking getreden en verplicht grote ondernemingen tot mensenrechten‑ en milieu-due‑diligence in hun volledige waardeketen, inclusief het vaststellen en uitvoeren van een klimaattransitieplan met tijdsgebonden doelen. [10]

Samengevat: de weegschaal van rechtvaardigheid kantelt naar een normatief kader dat verdelings‑, procedurele, erkennings‑, intergenerationele en relationele dimensies integreert. Tegen deze achtergrond beschouwen wij Boegoebaai als scharnierpunt in de schaal‑ en corridorlogica van de Nederlandse waterstofambitie.

Van wijk tot wereld: schalen en corridors


De ambities van Nederland op het gebied van energietransitie worden vaak gepresenteerd als een win-winsituatie: we voorzien in onze nationale energiebehoeften en economische veerkracht en dragen tegelijkertijd bij aan de wereldwijde klimaatdoelstellingen. Maar in ons streven naar betaalbare groene waterstof moeten we ook rekening houden met de wereldwijde gevolgen van hoe en waar die waterstof wordt geproduceerd. Lokale ambities – of het nu op wijk-, gemeentelijk of nationaal niveau is – zijn nauw verweven met extractieve processen elders. Van de uitbreiding van wind- en zonne-energie in Nederlandse wijken tot de import van waterstof via internationale corridors: onze keuzes hebben een domino-effect. Wat thuis duurzaam lijkt, kan in het buitenland verborgen kosten met zich meebrengen.

Nederland presenteert zich als toekomstige importhub voor waterstof en derivaten. Dat impliceert nieuwe corridors tussen havens in Nederland en productiezones in het zuiden, waaronder de beoogde ontwikkeling van Boegoebaai in de Noord Kaap van Zuid Afrika. Uit publiek beschikbare documenten blijkt een netwerk van intentieverklaringen en samenwerkingsafspraken: zo is er een memorandum tussen de Noord Kaap en de Haven van Rotterdam (vraagaggregatie), en ontwikkelt een Nederlands Zuid Afrikaans fonds (SA H2) met steun van Climate Fund Managers en Invest International financieringsmogelijkheden voor waterstofprojecten. [11]

Die corridorlogica verbindt lokale ecologie en leefwijzen met Europese klimaat en industriepolitiek. Een rechtvaardige beoordeling vereist daarom oog voor de verdeling van baten en lasten (land en watergebruik, havenaanslagen, werkgelegenheid), voor wie wanneer en hoe kan meebeslissen (FPIC en doorlopende participatie), voor erkenning van inheemse kennis en geschiedenis, en voor de bescherming van toekomstige generaties en meer dan menselijke levensvormen. [12]

De Noord-Kaap van Zuid-Afrika ondergaat een nieuwe mijnbouwhausse, gedreven door de wereldwijde vraag naar koper, nikkel en zink, mineralen die essentieel zijn voor de energietransitie in Europa en de productie van elektrische voertuigen en hernieuwbare technologieën. [13] Hoewel deze opleving door sommigen in het economisch achtergebleven Richtersveld, waar de werkloosheid en armoede hoog blijven, wordt toegejuicht, versterkt zij ook al lang bestaande spanningen rond landtoegang, milieuverontreiniging en historisch onrecht.

De ontwikkelingslocatie ligt in het Richtersveld, een gebied dat van oudsher wordt bewoond door Nama- en Khoi-San-gemeenschappen. Deze groepen hebben eeuwen van onteigening, genocide en gedwongen verhuizingen door koloniale en apartheidsregimes moeten doorstaan.

Vandaag de dag worden ze geconfronteerd met een nieuwe golf van ontheemding, deze keer onder de vlag van duurzaamheid. De voorgestelde haven doorsnijdt heilige gebieden. Boegoeberg, gelegen aan de voet van de inham, wordt door de lokale Nama’s als heilig beschouwd. Er groeien geneeskrachtige planten die nergens anders te vinden zijn en er zijn vooroudergraven. Dit zijn geen symbolische zaken – het zijn materiële uitingen van inheems recht, ecologisch rentmeesterschap en culturele continuïteit.

Boegoeberg, grenzend aan de beperkte mijnbouwzones van Alexkor – het diamantbedrijf in staatseigendom – is een brandpunt van deze spanningen. De berg is heilig voor de Nama-gemeenschappen en ontoegankelijk voor het publiek, maar ligt aan de rand van een voorgestelde waterstof- en mineralenexportcorridor. Alexkor is al lange tijd verwikkeld in juridische geschillen, omdat het de Nama’s niet heeft gecompenseerd volgens de voorwaarden van een historische gerechtelijke uitspraak uit 2003, die de landrechten van de inheemse bevolking bevestigde en het delen van de winst van de diamantwinning oplegde. [14] Ondanks de uitspraak is de restitutie ondermijnd door corruptie, staatsinmenging en het niet naleven van gerechtelijke bevelen.

De ineenstorting van de koperprijzen aan het begin van de jaren 2000 leidde tot de sluiting van veel mijnen in de regio. Deze verlaten locaties zijn hotspots geworden voor illegale ambachtelijke mijnbouw – plaatselijk bekend als ‘zama zama’ – die vaak gewelddadig is en wordt gecontroleerd door criminele syndicaten. [15] Doordat de Zuid-Afrikaanse regering nalaat om de milieuregelgeving te handhaven of de gemeenschap op een zinvolle manier te raadplegen, zoals vereist is volgens de Mineral and Petroleum Resources Development Act (MPRDA), is het wantrouwen onder de Nama’s alleen maar toegenomen. [16][17] In deze context dreigt de Boegoebaai-waterstofcorridor het zoveelste hoofdstuk te worden in een lange geschiedenis van winningsontwikkeling zonder toestemming, verantwoording of voordeel voor de direct betrokkenen.

De Boegoebaai-waterstofcorridor wordt gepositioneerd als een strategische aanwinst in de energietransitie van Nederland en Europa. Maar achter de retoriek van groene groei gaat een bekend patroon schuil: grootschalige infrastructuur ontworpen voor de export, ontwikkeld met minimaal overleg en opgelegd aan historisch gemarginaliseerde gemeenschappen. De corridor is niet bedoeld om te voorzien in lokale energiebehoeften. Hij zal de winning en overzeese verscheping van waterstof en kritieke mineralen – waaronder koper, zink en nikkel – die essentieel zijn voor het koolstofvrij maken van Europa, vergemakkelijken. Infrastructurele plannen omvatten een diepwaterhaven, een uitgebreid wegennet en een spoorlijn die het Richtersveld met bredere exportroutes verbindt, evenals de installatie van grootschalige zonnepanelen en een zeewaterontziltingsinstallatie.

Tijdens ons etnografisch onderzoek in juli 2025 vergezelde een plaatselijke oudere – die eerder voor de naastgelegen mijn had gewerkt – ons op een rondrit door het gebied. Hij verklaarde herhaaldelijk dat de ontwikkeling ‘gewoon nergens op slaat’. Zijn kritiek was niet anti ontwikkeling, maar was gebaseerd op tientallen jaren ervaring en culturele kennis. Hij merkte op dat Alexkor de berg altijd onaangeroerd had gelaten, omdat het erkende dat de inheemse gemeenschappen geen toestemming hadden gegeven voor het gebruik ervan.

Dit gevoel dat het gewoon geen zin had om het Boegoeberg-gebied te ontwikkelen als een diepzeehaven en groene waterstofcorridor werd herhaald door de meesten die we spraken, van wie niemand tegen het idee van ontwikkeling of het brengen van banen naar de regio was. Vissers in Port Nolloth en bewoners van Alexander Bay – respectievelijk ten zuiden en ten noorden van Boegoebaai – spraken hun sterke steun uit voor herstel en uitbreiding van de bestaande haveninfrastructuur. Toch lijken deze alternatieven te worden uitgesloten van de planningsdiscussies. De beweegredenen om een nieuwe haven te bouwen op een locatie die volgens de plaatselijke bevolking niet eens een baai is maar een ‘berg’, blijven onduidelijk. Er zijn geen transparante haalbaarheidsstudies uitgevoerd. Er heeft geen zinvolle raadpleging van de gemeenschap plaatsgevonden. De logica van de corridor lijkt in de eerste plaats extractief te zijn. De waterstof die in de regio wordt geproduceerd is bestemd voor de export. Het havenproject is ontworpen om grondstoffen te verplaatsen, waaronder waterstof, kritieke mineralen en landbouwgoederen uit de Oranjerivier. Naast vage beloften over werkgelegenheid lijkt er weinig aandacht te zijn besteed aan lokale ontwikkeling of het voorzien in de behoeften van lokale gemeenschappen.

Leden van de gemeenschap in Richtersveld hebben ook hun diepe scepsis geuit over de beloften van groene waterstof, waarbij ze wijzen op een gebrek aan transparantie rond milieueffectrapportages en een beperkt begrip van de waterstofproductie bij het publiek. Hoewel groene waterstof als ‘schoon’ op de markt wordt gebracht, zijn de bewoners daarvan niet overtuigd. Groene waterstof wordt geproduceerd door elektrolyse, een proces dat water splitst in waterstof en zuurstof met behulp van elektriciteit – meestal afkomstig van hernieuwbare energie. In droge gebieden zoals het Richtersveld vereist dit grootschalige ontzilting om zeewater om te zetten in zoet water dat geschikt is voor elektrolyse. Het hoge zonnepotentieel van de regio – gemiddeld meer dan 2500 uren zonneschijn per jaar – maakt het technisch haalbaar om elektrolyse op zonne-energie uit te voeren. [18] De lokale gemeenschappen hebben echter weinig inzicht in de milieueffecten daarvan. Er bestaat onder meer bezorgdheid over de ecologische gevolgen van de lozing van ontziltingspekel, over de aantasting van de bestaansmiddelen van de inheemse vissers en over de bedreiging van de vogelhabitats in de nabijgelegen wetlands van Port Alexander die in de Ramsar-conventie zijn aangewezen.

Recente studies hebben ook alarm geslagen over de chemische voetafdruk van de waterstofproductie. Afvalwater van elektrolyseprocessen blijkt verhoogde concentraties per- en polyfluoralkylstoffen (pfas) te bevatten, een klasse van persistente en giftige chemicaliën die in elektrolysemembramen worden gebruikt. [19] Deze stoffen zijn moeilijk te verwijderen en vormen langetermijnrisico's voor aquatische ecosystemen en de menselijke gezondheid. Dergelijke risico's zijn echter niet naar voren gekomen in lokale consultaties. Bewoners melden verwarring over de reikwijdte van het project, dat niet alleen haveninfrastructuur omvat, maar ook zonnepanelen, ontziltingsinstallaties en uitgebreide transportcorridors. De cumulatieve impact van deze ontwikkelingen op land, water en bestaansmiddelen blijft onduidelijk. Bij gebrek aan duidelijke milieueffectbeoordelingen moeten de leden van de gemeenschap maar speculeren over de gevolgen. Deze onzekerheid wordt nog verergerd door historische grieven, waaronder de uitsluiting van de stem van de Nama’s bij eerdere mijnbouw- en infrastructuurprojecten. Zonder zinvolle betrokkenheid en toegang tot technische informatie dreigt de belofte van ‘schone’ waterstof een nieuw winningsverhaal te worden dat wordt opgelegd aan een regio die al gebukt gaat onder milieu- en sociaal onrecht.

Een parallelle controverse heeft het scepticisme van de gemeenschap versterkt. De recente milieueffectrapportage (MER) van Shell Oil voor ultradiepe olie- en gasexploratie voor de kust van de Noord-Kaap heeft wijdverspreid verzet opgeroepen. De voorgestelde boringen – op een diepte van meer dan 3000 meter – zijn goedgekeurd, ondanks ernstige zorgen over ecologische risico's en het ontbreken van noodplannen. Kleinschalige Khoi-San-vissers uit Port Nolloth en omliggende gemeenschappen hebben zich aangesloten bij maatschappelijke groeperingen die een rechtszaak hebben aangespannen om het project tegen te houden. [20] Dit slepende geschil onderstreept een breder patroon van winningsprojecten die groen licht krijgen zonder dat er sprake is van een betekenisvolle betrokkenheid, waardoor het wantrouwen in zowel bedrijven als regelgevende instanties toeneemt.

Ondanks de beweringen van de regering dat de Boegoebaai-waterstofcorridor tot 50.000 permanente banen zal opleveren en de infrastructuurontwikkeling in de Noord-Kaap zal aanjagen [21], waren de Nama-vertegenwoordigers die wij spraken niet overtuigd. Er is nog steeds een hoge werkloosheid in de hele regio en in het verleden hebben mijnbouwprojecten voornamelijk gebruikgemaakt van arbeidsmigranten, waardoor de inheemse bevolking er niet van profiteerde. "Deze ontwikkeling komt mijn volk niet ten goede", legde een stamoudste uit. "Er is geen opleiding voor de jeugd... Hoewel ze ons vertellen dat Boegoebaai banen zal opleveren, zijn deze niet voor ons. Het is voor hoogopgeleiden – die vaardigheden heeft onze jeugd niet." Het gaat niet alleen om de toegang tot werk, maar ook om structurele uitsluiting van deelname aan opleiding en talentontwikkeling. Er zijn al eerder beloften gedaan over het verwerven van vaardigheden, maar het enige opleidingscentrum in de regio is nu ongebruikt. Toen we langs een verlaten Alexkor-opleidingscentrum in Port Alexander reden, dat hij een witte olifant noemde, merkte dezelfde oudere persoon op dat "vóór 1994 (het einde van de apartheid) er opleidingen waren voor mijnwerkers, elektriciens en ketelmakers. We hebben een opleidingscentrum [dat daar nu staat] als een witte olifant ... Als je ziet hoe de Nama-bevolking in hun levensonderhoud voorziet, is dat echt erg ... we zijn afhankelijk van voedselpakketten, kinderen kunnen niet naar school omdat ze geen boeken of schoenen hebben". Daarentegen zagen de mensen die we spraken in het mijnstadje Springbok, waar vooral mensen wonen wier ouders en grootouders de afgelopen decennia naar het gebied waren gemigreerd voor mijnwerk, het waterstofproject als een potentiële bron van werkgelegenheid en vroegen zij zich openlijk af waarom de Nama’s tegen ontwikkeling leken te zijn.

Elke golf van extractieve ontwikkeling – van koper- en diamantwinning tot havenuitbreiding – gaat gepaard met de belofte van werkgelegenheid, maar Nama-gemeenschappen worden stelselmatig buitengesloten. De bezorgdheid gaat niet alleen uit naar de toegang tot werk, maar ook naar de uitroeiing van traditionele manieren van leven en de afwezigheid van een zinvol bestaan.

De visserij, die ooit centraal stond in de economie van Port Nolloth, is gestaag verdrongen door de mijnbouw. "Ik ben een visser van de vierde generatie, dit is alles wat ik ken en dit is wat ik voor mijn kinderen zal achterlaten", zei een gesprekspartner. Anderen beschreven hoe het rivierkreeftbestand afnam nadat de kustlijn werd opgeëist door Alexkor Mine. "We weten niet hoe we op het land ons brood moeten verdienen, we weten hoe we het op zee moeten doen." De waterstofcorridor, gesteund door Sasol – een petrochemisch staatsbedrijf met een lange geschiedenis van milieu- en sociale controverse – wordt gezien als een voortzetting van dit patroon. "We kunnen winst niet boven mensen stellen, dat kunnen we niet doen", zei een visser, verwijzend naar de gezondsheidsgevolgen van eerdere mijnbouw, waaronder aangeboren afwijkingen door blootstelling aan giftige stoffen.

We zouden ons land terugkrijgen, maar ze gaven ons papier en hielden de diamanten.

Historisch onrecht en het verlies van vertrouwen


De belofte van ontwikkeling in het Richtersveld kan niet los worden gezien van de lange en pijnlijke geschiedenis van landonteigening en betwiste restitutie. In 1994 voerde de nieuwe democratie van Zuid-Afrika wettelijke mechanismen in om het verlies van land op grond van ras aan te pakken onder de Black Land Act van 1913. In 1998 dienden gemeenschappen uit Richtersveld, Kuboes, Sandrift, Lekkersing en Eksteenfontein een landclaim in tegen Alexkor Ltd., een diamantmijnbedrijf in staatseigendom, voor ongeveer 85.000 hectare kustland tussen Port Nolloth en Alexander Bay. De regering en Alexkor betwistten de claim met het argument dat de Nama-gemeenschap geen ‘echte’ gemeenschap zou zijn volgens de Restitution of Land Rights Act en als nomaden het land niet effectief hadden gebruikt. Het Land Claims Court wees de zaak aanvankelijk af, met als motivering dat de onteigening in 1925 plaatsvond door de ontdekking van diamanten en niet door rassendiscriminatie, en dat het land in 1847 aan de Britse Kroon was verloren.

Het Hooggerechtshof erkende dat de gemeenschap op grond van inheems gewoonterecht rechten op het land had, vergelijkbaar met rechten uit het gewoonterecht. Deze beslissing werd aangevochten door Alexkor en de overheid, maar in 2003 sprak het Constitutionele Hof zich ondubbelzinnig uit ten gunste van de Richtersveld-gemeenschap. In 2007 trof het Land Claims Court een schikking ter waarde van 440 miljoen rand, inclusief de overdracht van 194.600 hectare land en een gezamenlijke mijnbouwonderneming waarin de gemeenschap een belang van 49% zou hebben. [22]

Toch heeft de belofte van restitutie zich niet vertaald in een betekenisvolle transformatie. Het land zou beheerd worden door de Communal Property Association (CPA), maar de mensen die wij interviewden twijfelden aan de geldigheid van de CPA. "Ze gebruiken de naam van de gemeenschap, wat fraude is. Maar er staat niets in voor de gemeenschap, dat is fraude, fraude, fraude!...Zij [Alexkor] hebben 51% van het land genomen, dus het is dezelfde regering die over ons regeert. Die van ons is alleen op papier", vertelde een ouderling. Hij vervolgde: "In 2007, na de uitspraak van de rechtbank, legden ze de gemeenschap slechts twee opties voor: de gemeente of de CPA. Niemand wist wat de CPA was." Na verloop van tijd begrepen ze dat de CPA opereerde in naam van de Nama-gemeenschap en de belangen van de overheid diende.

De CPA – oorspronkelijk bekend als de Sida !hub Communal Property Association – werd in 2001 opgericht om land en ontwikkeling te beheren namens de bewoners van het Richtersveld. De CPA opereert via vier commerciële entiteiten die zich richten op landbouw, mijnbouw, milieuherstel en vastgoedbeheer. Hoewel het mandaat het creëren van banen en de ontwikkeling van infrastructuur omvat, melden leden van de gemeenschap dat het is geïnfiltreerd door politieke en overheidsactoren. "Het is een politieke organisatie", benadrukte een stamoudste. Een andere Nama-leider en PTWC-adviesraadslid bevestigde dit standpunt en noemde financieel wanbeheer en de verstrengeling van de CPA in de bredere corruptie die door de Zondo-commissie aan het licht is gebracht. [23]

De erfenis van de mislukte restitutie doemt op boven de Boegoebaai-waterstofcorridor. Voor veel inwoners van de Nama wekken dezelfde actoren – Alexkor, het Department of Mineral Resources and Energy en tegenwoordig ook Sasol – opnieuw verwachtingen van ontwikkeling, maar het vertrouwen is al lang geschaad. De uitspraak van het Constitutionele Hof uit 2003 was bedoeld om niet alleen land, maar ook waardigheid en erkenning te herstellen. Maar, zoals een stamoudste het verwoordde: "We zouden ons land terugkrijgen, maar ze gaven ons papier en hielden de diamanten." De teruggave, hoewel juridisch van grote betekenis, heeft zich niet vertaald in een materiële transformatie. Macht en winst blijven in de handen van een kleine groep.

Deze geschiedenis bepaalt hoe de waterstofcorridor wordt gezien – niet als een nieuwe kans, maar als een voortzetting van de logica van de winningsindustrie die het Nama-volk lange tijd heeft gemarginaliseerd. De voorgestelde infrastructuur – haven, zonnepanelen, ontziltingsinstallaties en transportcorridors – is niet neutraal. Zij doorsnijdt heilige landschappen, voorouderlijke graven en kwetsbare ecosystemen. “Ik ben niet tegen ontwikkeling”, verduidelijkte een Nama-oudste. Dit was iets wat we van de meeste mensen met wie we spraken te horen kregen. Er was in principe brede steun voor ontwikkeling, en vooral onder jongere Nama-mensen was er een voorzichtige hoop dat een waterstofcorridor voordelen voor de regio zou kunnen opleveren – mits de manier waarop de ontwikkeling van de waterstofcorridor tot stand zou komen op een manier zou gebeuren die onherstelbare schade zou voorkomen. Deze jongere stemmen benadrukten de noodzaak van een echt inclusief en dekoloniaal overlegproces, een proces dat hun recht erkent om beslissingen te nemen die hun toekomst zullen bepalen. Hoewel ze vertrouwen hebben in de wijsheid van hun ouderen, willen ze ook dat hun eigen perspectieven en aspiraties worden gehoord. De belangrijkste zorg, die door alle generaties werd gedeeld, was de locatie: Boegoeberg, een plek met een diepe culturele en spirituele betekenis. Dezelfde oudste vervolgde: "Ik ben ertegen dat dit op heilige grond gebeurt. Dit zijn geen overwegingen die op één weegschaal kunnen worden afgewogen. Het verlies van cultureel erfgoed, ecologische integriteit en intergenerationele kennis kan niet worden gecompenseerd door het creëren van banen, vooral niet wanneer die banen misschien nooit werkelijkheid worden voor de gemeenschappen die het meest worden getroffen."

Voor velen vormt de voorgestelde ontwikkeling een bedreiging voor voorouderlijke graven, heilige planten die worden gebruikt voor genezing en de continuïteit van culturele praktijken die in het land zijn geworteld. Lokale vissers vrezen ook dat ze worden uitgesloten van traditionele visgronden, wat doet denken aan eerdere ervaringen met onteigening. Het Boegoebaai-project wordt volgens hen bijna uitsluitend bekeken in termen van economische schaal – gigawatt, exportvolumes, werkgelegenheidsprognoses – terwijl geen rekening wordt gehouden met de culturele, ecologische en intergenerationele aspecten die voor de mensen die daar wonen het belangrijkst zijn.

Nu de Nederlandse regering en investeerders onderhandelingen aangaan met de Zuid-Afrikaanse regering en Sasol, hebben zij een reële invloed om ervoor te zorgen dat historische onrechtvaardigheden – zoals het uitsluiten van het Nama-volk van landrestitutie, het niet handhaven van rechterlijke uitspraken en het gebrek aan overleg bij winningsprojecten – worden erkend en aangepakt. Zonder de toezegging van Nederland en Europa om waterstof uit Zuid-Afrika te importeren, kan de Boegoebaai-corridor niet de benodigde financiering verkrijgen. Dat geeft ons, als beleidsmakers, burgers en ondernemers, de verantwoordelijkheid om actie te ondernemen. We kunnen erop aandringen dat elk partnerschap bindende toezeggingen omvat met betrekking tot vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming (FPIC), transparante milieueffectbeoordelingen en langetermijninvesteringen in lokaal welzijn – niet alleen in infrastructuur voor export. Dat betekent dat we onderwijs, gezondheidszorg en opleidingsprogramma's voor jongeren moeten ondersteunen, vooral in gemeenschappen die van oudsher zijn uitgesloten van de voordelen van ontwikkeling. Het betekent dat we verantwoording moeten eisen voor milieuschade, waaronder de erfenis van verlaten mijnen en aanhoudende gezondheidseffecten waarvoor geen enkele actor verantwoordelijkheid heeft genomen. Het betekent dat we ervoor moeten zorgen dat vissers niet worden verdreven uit hun traditionele visgronden en dat heilige plaatsen zoals Boegoeberg – waar voorouderlijke graven en geneeskrachtige planten te vinden zijn – worden beschermd. Als we een rechtvaardige energietransitie serieus nemen, moeten we ervoor zorgen dat ons streven naar schone energie geen extractieve patronen reproduceert of ongelijkheden vergroot. We moeten luisteren naar de stemmen van degenen die het meest getroffen zijn – ouderen, jongeren, vissers – en solidair handelen met hun roep om waardigheid, erkenning en een toekomst die het waard is om te worden geërfd.

Als we een rechtvaardige energietransitie serieus nemen, moeten we ervoor zorgen dat ons streven naar schone energie geen extractieve patronen reproduceert of ongelijkheden vergroot.

Methode: twee lenzen, één weegschaal


Onze methode is interdisciplinair: antropologisch veldwerk legt bloot hoe beleidsperspectieven landen in levensechte situaties; juridische analyse vertaalt rechtvaardigheid naar toetsbare normen.

In juli 2025 voerden we een etnografisch onderzoek uit in het Namakwa-district in de Richtersveld-regio van Zuid-Afrika’s Noord Kaap om de perspectieven van de gemeenschap op de voorgestelde Boegoebaai-groenewaterstofcorridor te beoordelen. Etnografisch onderzoek heeft een centrale rol gespeeld bij het documenteren van inheemse perspectieven en juridische claims, waaronder de zaak Richtersveld, waarin landeigendom volgens het gewoonterecht werd bevestigd. [24] Ons onderzoek omvatte interviews met sleutelinformanten – een Nama-oudste, twee vertegenwoordigers van de Khoi-San-vissersgemeenschap uit Port Nolloth en een jongerenactivist – en bezoeken ter plaatse in Springbok, Port Nolloth, Boegoebaai, Port Alexander en Richtersveld. Daarbij kwamen zowel historische als hedendaagse perspectieven aan bod. Deze bezoeken brachten belangrijke zorgen aan het licht over toegang tot land, cultureel erfgoed en het gebrek aan zinvol overleg.

Om de omvang en de ligging van de voorgestelde infrastructuur beter te begrijpen, gebruiken we wat we een ‘drive-through-methode’ noemen: een langzame, belichaamde vorm van veldwerk waarmee we kunnen nagaan hoe grootschalige ontwikkelingsprojecten zich verhouden tot de leefomgeving. Deze benadering gaat in tegen de neiging – die vaak voorkomt in planningsdocumenten en door AI gegenereerde visualisaties – om projectlocaties af te beelden als leeg, statisch of verstoken van leven. In regio's als het Richtersveld, dat vaak wordt omschreven als ‘in the middle of nowhere’ of als een ‘levenloze woestijn’, wissen dergelijke framings de diepe geschiedenis van menselijke aanwezigheid, ecologische onderlinge afhankelijkheid en culturele betekenis uit. Tijdens onze ritten door de voorgestelde Boegoebaai-corridor, vergezeld door een lokale Nama-oudste, konden we zien hoe het project verweven is met een dicht netwerk van relaties: aangrenzende mijnbouwgebieden, de Ramsar-geregistreerde wetlands van Port Alexander, de landbouwgemeenschappen aan de Oranjerivier en het Richtersveld-werelderfgoedlandschap. Deze ritten duurden soms wel zes tot acht uur en boden voldoende tijd voor gesprekken met onze gids en voor het onderzoeksteam om na te denken over wat we zagen en hoorden. We hebben deze reizen uitgebreid gedocumenteerd met foto's en video's, waarbij we bijzondere aandacht hebben besteed aan de grenzen tussen ontwikkelingszones – waar mijnbouwactiviteiten grenzen aan waterbronnen, landbouwgrond en beschermde natuurgebieden. Deze aanpak hielp ons te begrijpen dat Boegoeberg geen geïsoleerde locatie is, maar een knooppunt in een gelaagde geografie van herinneringen, winning en aspiraties. Deze verhalen laten ook het schril contrast zien tussen de onderontwikkeling van de regio en haar lange geschiedenis van grondstofwinning, wat de urgentie onderstreept van ontwikkeling die niet alleen economisch haalbaar is, maar ook ecologisch en cultureel rechtvaardig. [25]

We voerden ook gesprekken met docenten van de Sol Plaatje Universiteit (SPU), de enige universiteit in de Noord-Kaap, gelegen in Kimberley op ongeveer 700 kilometer van Boegoebaai. De SPU heeft als taak Zuid-Afrika's energietransitie te ondersteunen door middel van training en technische expertise. Ondanks berichten over bezoeken van Nederlandse delegaties aan de SPU en een raadplegingsproces in verband met de waterstofcorridor, waren de mensen met wie wij spraken slechts beperkt op de hoogte van het project. Overleg lijkt alleen op hoog niveau plaats te hebben gevonden tussen de leiding van de universiteit en Nederlandse vertegenwoordigers. Dit legt een kloof bloot tussen externe verhalen over lokale expertise en daadwerkelijke betrokkenheid van belanghebbenden. [26]

In de juridische component staan drie recente ankers centraal. Ten eerste het arrest KlimaSeniorinnen, dat de positieve verplichtingen van staten concretiseert onder artikel 8 EVRM en een toereikend binnenlands regelgevingskader vergt, mede in het licht van wetenschap over emissiepaden en koolstofbudgetten. [27] Ten tweede het advies van het Internationaal Zeerechttribunaal, dat broeikasgassen kwalificeert als vervuiling van het mariene milieu en due diligenceverplichtingen formuleert die geënt zijn op ‘best available science’. [28] Ten derde het advies van het Internationaal Gerechtshof, dat verplichtingen voor staten systematiseert: preventie van significante schade, samenwerking, bescherming van huidige én toekomstige generaties en effectieve regulering van private actoren. [29]

Voor ondernemingen gelden de UN Guiding Principles als mondiale standaard voor de verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren via gepaste zorgvuldigheid, en, waar nodig, herstel te bieden. [30] Die standaard krijgt in de EU doorwerking via de CSDDD, die due diligence en een klimaattransitieplan in de volledige waardeketen verplicht stelt en civielrechtelijke aansprakelijkheid kan laten ontstaan bij tekortschieten. [31]

Met dit normatieve kompas operationaliseren we de methode in drie stappen: (1) actoren‑mapping en plichtentoedeling per schaal; (2) toetsing aan de vijf rechtvaardigheidsdimensies; (3) vertaling naar juridisch navolgbare eisen in vergunningverlening, exportkrediet, publieke inkoop en havenconcessies, en naar due‑diligencevereisten voor ondernemingen.

Wat betekent dit voor Nederland?


Gerechtigheid voor een eerlijke energietransitie

Het Boegoebaai-corridor-project is niet slechts een technisch of economisch voorstel – het is een politieke interventie in betwist gebied. Het vereist niet alleen onderzoek naar de verwachte voordelen, maar ook naar de sociale en ecologische kosten. Zonder volledige en geïnformeerde toestemming van de betrokken gemeenschap en zonder een duidelijke motivering voor het omzeilen van de bestaande infrastructuur dreigt het project extractieve praktijken onder het mom van duurzaamheid te bestendigen. In de energietransitie wordt ‘meten’ vaak gestuurd door mondiale doelstellingen, nationale beleidskaders en bedrijfsbelangen. Het zijn doorgaans staten, internationale instellingen en bedrijven die bepalen wat telt: hoeveel CO₂ er wordt bespaard, hoeveel gigawatt er wordt opgewekt, hoeveel waterstof er wordt geïmporteerd. Deze meetpraktijken zijn gericht op het behalen van klimaatdoelen in Nederland en Europa, maar houden zelden rekening met de sociale, ecologische en culturele gevolgen elders. Wie bepaalt wat gemeten wordt, bepaalt ook wat buiten beeld blijft. In gebieden zoals het Richtersveld, waar de impact van extractie direct voelbaar is, worden verlies van heilige gronden, verstoring van ecosystemen en uitsluiting van gemeenschappen zelden meegewogen. Als wij in Nederland werkelijk rechtvaardigheid willen verankeren in onze energietransitie, moeten we ons afvragen: wie meet, wat wordt gemeten en wat wordt genegeerd? En belangrijker nog: hoe kunnen wij als bestuurders, inwoners en ondernemers bijdragen aan een meetpraktijk die niet alleen rekent in tonnen en euro’s, maar ook in levens, verhalen en toekomstperspectieven?

Europese regeringen, ontwikkelingsorganisaties en bedrijven kunnen hun verantwoordelijkheid niet afschuiven op de Zuid-Afrikaanse staat. De Zuid-Afrikaanse overheid heeft zich herhaaldelijk een onbetrouwbare partner getoond in haar omgang met de Nama-gemeenschap – door gerechtelijke uitspraken zoals die van het Constitutionele Hof in de Alexkor-zaak (2003) niet na te leven en de uitholling van participatierechten onder de Mineral and Petroleum Resources Development Act (MPRDA). [32] Juist daarom is het van belang dat Nederland, als invloedrijke speler in de voorgestelde Boegoebaai-ontwikkeling, zijn positie gebruikt om transparantie en verantwoording te eisen. Nederlandse overheidsinstanties en bedrijven kunnen zich beroepen op internationale juridische kaders – zoals het VN-Zeerechtverdrag, het klimaatadvies van het Internationaal Gerechtshof [33], het advies van het Internationaal Zeerechttribunaal [34] en de EU-richtlijn zorgplicht duurzaam ondernemen [35] – om druk uit te oefenen op Zuid-Afrika om mensenrechten, milieunormen en inheemse participatie serieus te nemen. Zonder Nederlandse en Europese importgaranties zal financiering voor de corridor niet rondkomen. Dat geeft ons een unieke hefboom om te eisen dat de Nama-gemeenschappen niet opnieuw worden uitgesloten, maar actief en betekenisvol worden betrokken bij besluitvorming, compensatie en toekomstige ontwikkelingsplannen.

Daarmee staan we voor een fundamenteel dilemma: aan de ene kant de duurzame ambities van Nederland en Europa – het streven naar klimaatneutraliteit, energiezekerheid en technologische innovatie; aan de andere kant de geopolitieke machtsverhoudingen die deze ambities mogelijk maken, vaak ten koste van gemeenschappen en ecosystemen elders. Als we deze dilemma’s niet expliciet maken, riskeren we dat rechtvaardigheid ondergeschikt raakt aan snelheid en schaal. Juist in een tijd waarin internationale samenwerkingen worden aangegaan en infrastructuurprojecten worden versneld, moeten we het recht gebruiken als kompas – niet alleen om doelen te halen, maar om te waarborgen dat die doelen niet gebouwd worden op onrecht. Dat betekent: juridisch bindende afspraken over FPIC [36], milieueffectrapportages die ook culturele en spirituele waarden meenemen en investeringen die niet alleen gericht zijn op export, maar ook op lokale infrastructuur, onderwijs, gezondheidszorg en ecologisch herstel.

In juli 2025 spraken vertegenwoordigers van de Zuid-Afrikaanse gemeenschap het Europees Parlement toe, waarbij ze het verhaal van de EU over groene waterstof in twijfel trokken en de menselijke kosten van haar importstrategie blootlegden. Zoals Corporate Europe Observatory rapporteert, kan het Partnerschap voor Schone Handel en Investeringen (CTIP) waarover de EU en Zuid-Afrika onderhandelen, de ongelijkheid vergroten en de gemeenschappen buitenspel zetten wier land en middelen van bestaan het meest worden aangetast. [37] Als Nederlandse en Europese partijen een rechtvaardige energietransitie serieus nemen, moeten zij een ongemakkelijke waarheid onder ogen zien: rechtvaardigheid laat zich niet opschalen zonder verantwoording af te leggen. En corridors kunnen niet worden gebouwd zonder instemming.

De Nederlandse overheid opereert binnen een normatief web van juridische en beleidsmatige kaders – een netwerk van nationale wetten, internationale verdragen en richtlijnen die bepalen wat als rechtvaardig, verantwoord en wettelijk verplicht wordt beschouwd in internationale samenwerking. Dat impliceert onder meer: het hanteren van koolstof en materiaalbudgetten, het voorkomen van ‘offshoring’ van milieuschade en het borgen van effectieve toegang tot de rechter voor getroffene(n), ook buiten Nederland waar Nederlandse publieke instellingen of staatsdeelnemingen betrokken zijn. De erkenning van het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu door de Algemene Vergadering van de VN onderstreept dat beleid en samenwerking dit recht wereldwijd moeten bevorderen. [38] Als ondertekenaar van deze internationale verdragen en richtlijnen is Nederland juridisch verplicht om deze normen toe te passen in zowel binnenlands beleid als internationale handels- en investeringsrelaties.

Voor in Nederland gevestigde of opererende bedrijven die betrokken (willen) zijn bij Boegoebaai of aanpalende waardeketens is due diligence geen afvinklijst maar een doorlopend proces dat risico’s voor mens en milieu voorkómt, beperkt en herstelt. Wij verwijzen naar de juridische verplichting van bedrijven en overheden om risico’s op mensenrechtenschendingen, milieuschade en uitsluiting systematisch te identificeren, te voorkomen, te beperken en te verantwoorden – zowel binnen hun eigen operaties als in internationale ketens en samenwerkingen. De UN Guiding Principles geven de globale standaard; de CSDDD geeft die standaard in de EU juridische tanden. [39] Relevante verwachtingen zijn bovendien vastgelegd in de geactualiseerde OESO richtlijnen, waaronder het afstemmen van emissiereducties op internationaal overeengekomen temperatuurdoelen en het adresseren van ketenimpact. [40]

Concreet betekent dit voor Nederlandse actoren langs de corridor:

  • integreer FPIC als harde drempel, niet als formaliteit – géén project op inheems land zonder vrije, voorafgaande en geïnformeerde instemming;
  • toon aan dat water , land en natuurimpact passen binnen lokale draagkracht én mondiale grenzen;
  • ontwerp contracten, concessies, exportkrediet en publieke inkoop met herstel en exitclausules;
  • ontwikkel een geloofwaardig klimaattransitieplan dat absolute emissiereducties in lijn met 1,5 °C maximale opwarming operationaliseert, inclusief voor het gebruik van producten (‘scope 3’) waar relevant. [41]

Als Nederland zijn duurzame ambities wil waarmaken zonder zijn morele kompas te verliezen, moet het dezelfde normen hanteren in het buitenland als thuis. In Groningen heeft het negeren van lokale zorgen geleid tot jarenlange conflicten, schade en wantrouwen. In IJmuiden is Tata Steel afhankelijk van waterstof om haar productieproces te verduurzamen en de uitstoot van schadelijke stoffen drastisch te verminderen. En bij de opbouw van een waterstofinfrastructuur in Nederland worden participatie en compensatie inmiddels als noodzakelijke voorwaarden gezien. Waarom zouden deze principes niet gelden voor Boegoebaai? We hebben eerder gezien hoe energietransities, zoals de sluiting van de kolenmijnen in Limburg, gepaard gingen met beloften van economische ontwikkeling –waaronder de opbouw van de chemische industrie. Maar decennia later leven we met de gevolgen: pfas in onze bodem en waterwegen, en gemeenschappen die nog steeds wachten op herstel. Deze geschiedenis leert ons dat technologische vooruitgang zonder sociale en ecologische rechtvaardigheid geen duurzame oplossing biedt. Nederland heeft de kans én de verantwoordelijkheid om zijn internationale partnerschappen te baseren op rechtvaardigheid, transparantie en wederkerigheid. Dat betekent: geen export van risico’s, geen stilzwijgende acceptatie van uitsluiting, maar actieve inzet voor gelijkwaardige betrokkenheid van getroffen gemeenschappen – zoals de Nama’s in Zuid-Afrika. Wat we hier eisen, moeten we daar verdedigen. Alleen dan is onze energietransitie werkelijk rechtvaardig.

Als Nederland zijn duurzame ambities wil waarmaken zonder zijn morele kompas te verliezen, moet het dezelfde normen hanteren in het buitenland als thuis.

Boegoebaai in context: feiten, verwachtingen en recht


Publieke bronnen schetsen Boegoebaai als beoogd exportknooppunt voor waterstofderivaten, met Sasol als potentiële ankervoorziening en een rol voor de Haven van Rotterdam als vraagaggregator richting Europa. [42] Nederlandse beleidsdocumenten positioneren de Rotterdamse haven als kennis en investeringspartner voor de ontwikkeling van infrastructuur en opslag – met het oog op import naar Noordwest Europa. [43] Tegelijk signaleren onafhankelijke rapporten risico’s van een ‘scramble’ om waterstof, waarbij lokale gemeenschappen en ecosystemen de lasten dragen terwijl baten elders worden geboekt. [44]

Dat alles maakt de weegschaalmetafoor concreet: wie draagt welke lasten, wie incasseert welke baten en wie telt mee in de afweging? In juridische termen: wie draagt welke plicht en hoe toetsen we die plicht? Het advies van het Internationaal Gerechtshof benadrukt dat staten niet alleen hun eigen emissies moeten terugdringen, maar ook private actoren effectief moeten reguleren; het advies van het Internationaal Zeerechttribunaal (ITLOS advies) verbindt klimaat aan zeemilieubescherming; het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vereist een adequaat binnenlands kader. [45] In die sleutel zijn due diligenceprocessen, FPIC en rechtsbescherming geen ‘social licences’, maar juridische randvoorwaarden om de corridor überhaupt rechtmatig te maken. [46] De vraag is dus niet of de corridor technisch kan, maar onder welke rechts‑ en rechtvaardigheidsvoorwaarden hij rechtmatig en legitiem is.

Slot: weeg én schaal rechtvaardig


De Nederlandse waterstofambities moeten worden gerealiseerd binnen een kader van rechtvaardigheid. Dat vergt meer dan technologische efficiëntie: het vraagt om besluitvorming die de vijf dimensies van rechtvaardigheid daadwerkelijk integreert, om publieke instituties die in binnen en buitenland verantwoordelijkheid nemen en om bedrijven die hun ketens herontwerpen rond preventie, herstel en absolute emissiereductie. Met die weegschaal én die schalen voor ogen kan de energietransitie lokaal én mondiaal waarde creëren – zonder de lasten te verschuiven naar wie historisch al het zwaarst is getroffen. [47]

Tot slot: een rechtvaardige energietransitie vereist meer dan technologische innovatie en internationale samenwerking. Ze vraagt om naleving van bestaande mensenrechten- en milieunormen, en om actieve inzet om deze rechten te verdedigen wanneer ze onder druk staan. Als Nederland zijn rol in de mondiale energietransitie serieus neemt, dan moet het niet alleen investeren in infrastructuur en innovatie, maar ook in rechtvaardigheid. Dat betekent: het juridisch verankeren van participatie, het afdwingen van transparantie en het erkennen van de ecologische en sociale gevolgen van onze keuzes – zowel hier als elders. De Regionale Energiestrategieën (RES’en) laten zien dat Nederland lokaal inzet op duurzame opwek, infrastructuur en ruimtelijke inpassing. Maar deze transitie is onlosmakelijk verbonden met mondiale processen van extractie, inkoop en vervuiling. Windmolens, zonnepanelen en waterstofnetwerken vereisen grondstoffen, arbeid en land – vaak afkomstig uit gebieden waar mensenrechten kwetsbaar zijn en milieuschade reëel is. Rechtvaardigheid is geen abstract beginsel, maar een concrete praktijk die begint met luisteren. Ook wanneer die stemmen ver weg klinken, ook wanneer ze moeilijk te bereiken zijn voor Nederlandse spelers. Juist dan moeten we zorgen dat getroffen gemeenschappen niet alleen worden geraadpleegd, maar daadwerkelijk invloed hebben op besluitvorming. Dat vraagt om samenwerking met mensen die lokaal geworteld zijn – antropologen, gemeenschapsvertegenwoordigers, juridische pleitbezorgers – en om het erkennen van hun expertise als essentieel onderdeel van verantwoord beleid. Alleen door deze verbindingen te leggen en te onderhouden, kunnen we garanderen dat onze waterstofambities en RES-doelstellingen niet gebouwd worden op uitsluiting, maar op wederkerigheid.

Implicaties voor overheid en bedrijven


Voor de Nederlandse overheid volgt uit de Urgenda-zaak, het KlimaSeniorinnen-arresten het advies van het Internationaal Gerechtshof dat beleid en projectbesluiten aantoonbaar moeten aansluiten bij de Parijs-doelstelling om de mondiale opwarming tot 1,5 °C te beperken en tegelijkertijd mensenrechten te beschermen, met effectieve regulering van private emissies en aandacht voor transnationale keteneffecten.

Voor ondernemingen met substantiële activiteiten in of voor Nederland betekent de CSDDD dat zij mensenrechten‑ en milieu-due‑diligence in de gehele waardeketen moeten inbedden en een klimaattransitieplan moeten vaststellen en uitvoeren. De UN Guiding Principles geven richting waar de CSDDD (nog) niet direct van toepassing is; de recente Shell‑jurisprudentie illustreert hoe civielrechtelijke zorgplichten zich tot mondiale waardeketens kunnen uitstrekken.

Rechtvaardigheid is geen bijlage bij de transitie, maar het criterium waarmee we de transitie valideren.

Referenties


[1] Jenkins, KEH., Stephens, JC., Reames, TG., Hernández, D. Towards impactful energy justice research: transforming the power of academic engagement. Energy Research and Social Science. 2020;67:6; Salter, R., Gonzalez, CG. & Warner, EAK. Energy Justice: Frameworks for Energy Law and Policy. In: R. Salter, CG. Gonzalez, EAK Warner, editor. Energy Justice: US and International Perspectives. Edward Elgar; 2018. p. 1-11; Gonzalez, CG. An Environmental Justice Critique of Biofuels. In: R. Salter, CG. Gonzalez, EAK Warner, editor. Energy Justice: US and International Perspectives. Edward Elgar; 2018. p. 41-72.

[2] Wewerinke‑Singh, M., Savaresi, A. A just transition? human rights as a normative compass for post‑growth net‑zero transformations. SSRN [Internet]. 2025;(Working Paper No. 5296914). Available here.

[3] Shelton, D. Intergenerational Equity. In Wolfrum R., Kojima C., editor. Solidarity: A Structural Principle of International Law. Springer; 2010. p. 123–168; Sulyok, K. Intergenerational Equity. In: C. Binder, M. Nowak, JA. Hofbauer, P. Janig, editor. Elgar Encyclopedia of Human Rights. Edward Elgar; 2022. p. 112-119; Bookman, S. & Wewerinke-Singh, M. Intergenerational Equity. In: M. Wewerinke-Singh, S. Mead, editor. The Cambridge Handbook on Climate Litigation. Cambridge University Press; 2025. p. 344-368.

[4] Celermajer, D., Schlosberg, D., Rickards, L., Stewart-Harawira, M. Multispecies justice: theories, challenges, and a research agenda for environmental politics. Environmental Politics. 2021;30:119; Burgers, L. Private rights of nature. Transnational Environmental Law. 2022;11:463; Borràs-Pentinat, S. Rights of Nature. In: Wewerinke-Singh, M., Mead, S., editor. Ibid. p. 275-298.

[5] EHRM (Grote Kamer), Verein KlimaSeniorinnen Schweiz e.a. tegen Zwitserland, 9 april 2024 (schending art. 8 EVRM; art. 6 EVRM). Available here.

[6] ITLOS, Advisory Opinion in re Commission of Small Island States on Climate Change and International Law (Case No. 31), 21 mei 2024. Available here.

[7] International Court of Justice (ICJ), Obligations of States in respect of Climate Change, Advisory Opinion, 23 juli 2025. Available here.

[8] Hoge Raad, Staat der Nederlanden v. Urgenda, ECLI:NL:HR:2019:2007, 20 december 2019. Available here.

[9] Gerechtshof Den Haag, Milieudefensie e.a. v. Shell, ECLI:NL:GHDHA:2024:2100, 12 november 2024. Available here.

[10] Richtlijn (EU) 2024/1760 inzake zorgplicht duurzaam ondernemen (CSDDD), 13 juni 2024; in werking 25 juli 2024: Lees hier meer informatie.

[11] Dutch Green Hydrogen Proposition for South Africa. Netherlands Enterprise Agency (RVO) [Internet]. (24 August 2023). Available here; Unveiling the SA H2 Fund. Climate Fund Managers & Invest International [Internet]. (20 June 2023). Available here; Heads of Agreement with Port of Rotterdam on Boegoebaai. Government of South Africa (DPME) [Internet]. (Jan. 2022). Available here.

[12] United Nations Declaration on the Rights of Indigenous Peoples (UNDRIP), esp. Art. 32 on FPIC: More information here; OECD Guidelines for Multinational Enterprises on Responsible Business Conduct (2023): More information here.

[13] International Energy Agency, The Role of Critical Minerals in Clean Energy Transitions, Paris: IEA, 2021. Available at: Available here.

[14] Zuid-Afrikaans Constitutioneel Hof, Alexkor Ltd en de regering van de Republiek Zuid-Afrika tegen Richtersveldgemeenschap en anderen, Zaak CCT 19/03, 14 oktober 2003; Zie ook: Business & Human Rights Resource Centre, Alexkor profile and litigation history, 2023. Beschikbaar op deze website.

[15] Centre for Environmental Rights, Mining and Environmental Justice Community Network of South Africa (MEJCON-SA): Zama Zama Mining and Community Safety, 2022; Mail & Guardian, Illegal mining fuels violence in Northern Cape, 2023.

[16] Department of Mineral Resources and Energy (DMRE), Mineral and Petroleum Resources Development Act (MPRDA), act nr. 28 van 2002, Pretoria: Government of South Africa.

[17] Human Rights Watch, We Are Treated Like Animals: Abuses Against Indigenous People in South Africa's Mining Sector, 2024. Beschikbaar op deze website.

[18] Soly.co.za, South African Region's Year-Round Sunshine, 2025. Available here.

[19] Hydrogen Insight, EU can restrict harmful “forever chemicals” in a way that does not damage the green hydrogen sector, 21 May 2024. Available here.

[20] The Green Connection, Shell's Deep Sea Gamble: Civil Society Slams Approval of Ultra-Risky Oil Drilling Project off SA Coast, 6 augustus 2025. Beschikbaar op deze website; Green Building Africa, EIA for Shell’s Northern Cape Ultra Deep Oil and Gas Exploration Project Approved, 29 juli 2025. Beschikbaar op deze website.

[21] Engineering News, Boegoebaai Green Hydrogen Programme, Zuid-Afrika - Update, 27 september 2024. Beschikbaar op deze website; BusinessTech, South Africa is planning for a Massive Green 'Gold Rush', 25 mei 2022. Beschikbaar op deze website.

[22] South African Constitutional Court, Alexkor Ltd and the Government of the Republic of South Africa v Richtersveld Community and Others, Case CCT 19/03, 14 October 2003; Fleminger, D. (n.d.). Richtersveld: Land Restitution and the Diamond Coast. Beschikbaar op deze website.

[23] Electoral Institute for Sustainable Democracy in Africa (EISA), State Capture and the Erosion of Democratic Institutions in South Africa, Policy Brief No. 18, 2018. Bechikbaar op deze website; Judicial Commission of Inquiry into Allegations of State Capture (Zondo Commission), Final Report, 2022. Bechikbaar op deze website.

[24] South African Constitutional Court, Alexkor Ltd and the Government of the Republic of South Africa v Richtersveld Community and Others, Case CCT 19/03, 14 October 2003.

[25] Drew, G. et al. (2022). Automobility and Ethnographic Method: Moving Through Landscapes of Extraction. Journal of Environmental Anthropology, 14(2), 45–62.

[26] Hydrogen Central, SPU and the Kingdom of the Netherlands Collaborating to Advance Green Hydrogen Skills Development in the Northern Cape, March 2025. Available here.

[27] Verein KlimaSeniorinnen, n. 5, (press page & judgment).

[28] Advisory Opinion in re Commission of Small Island States, n. 6.

[29] Obligations of States in respect of Climate Change, Advisory Opinion, n. 7.

[30] UN Guiding Principles on Business and Human Rights, HR/PUB/11/04 (2011): Available here.

[31] Richtlijn (EU) 2024/1760, n. 10.

[32] Department of Mineral Resources and Energy (DMRE), Mineral and Petroleum Resources Development Act (MPRDA), wet nr. 28 van 2002, Pretoria: regering van Zuid-Afrika.

[33] Internationaal Zeerechttribunaal, Advisory Opinion in re Commission of Small Island States on Climate Change and International Law, Zaak nr. 31, 21 mei 2024.

[34] VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS), art. 192–194 inzake bescherming van het mariene milieu.

[35] Internationaal Gerechtshof, Obligations of States in respect of Climate Change, Advisory Opinion, 23 juli 2025.

[36] Richtlijn (EU) 2024/1760 inzake zorgplicht duurzaam ondernemen (CSDDD), in werking getreden op 25 juli 2024.

[37] Corporate Europe Observatory, The Human Cost of Green Hydrogen in South Africa: Community Voices Challenge the EU’s Narrative, July 2025. Beschikbaar op deze website.

[38] UNGA Resolution 76/300 (2022) recognizing the human right to a clean, healthy and sustainable environment: Available here; zie ook, Obligations of States in respect of Climate Change, Advisory Opinion, n. 7.

[39] Directive (EU) 2024/1760, n. 10; Guiding Principles on Business and Human Rights, n. 30.

[40] OECD Guidelines for Multinational Enterprises on Responsible Business Conduct, n. 12.

[41] UNDRIP, esp. Art. 32 on FPIC, n. 12; OECD Guidelines for Multinational Enterprises on Responsible Business Conduct, n. 12; Directive (EU) 2024/1760, n. 10.

[42] Dutch Green Hydrogen proposition for South Africa, n. 11; South Africa international MoAs (Northern Cape–Sasol; Northern Cape–Port of Rotterdam). CSIRO HyResource [Internet]. Available here; Heads of Agreement with Port of Rotterdam on Boegoebaai, n. 11.

[43] Dutch Green Hydrogen proposition for South Africa, n. 11.

[44] The Scramble for Hydrogen in South Africa. Corporate Europe Observatory [Internet]. (Dec. 2024). Available here.

[45] Obligations of States in respect of Climate Change, n. 7; Advisory Opinion in re Commission of Small Island States, n. 6; Verein KlimaSeniorinnen, n. 5.

[46] Directive (EU) 2024/1760, n. 10; UNDRIP, esp. Art. 32 on FPIC, n. 12.

[47] Wewerinke Singh, M. & Savaresi, A., n. 2.