Joks Janssen en Bianca Koomen - Dicht de energiekloof!

Brede welvaart als kompas voor een inclusieve energietransitie

De energietransitie is geen louter technische opgave, maar een maatschappelijke transformatie die ingrijpt in het dagelijks leven van mensen. Ze raakt aan bestaanszekerheid, sociale rechtvaardigheid en ruimtelijke ongelijkheid. Dit essay laat zien hoe het perspectief van brede welvaart richting kan geven aan een meer inclusieve transitie. De auteurs pleiten voor een beleidskader dat verder kijkt dan kilowattuur en juist inzet op kwaliteit van leven. Brede welvaart dient daarbij als kompas voor de verbetering van buurten en wijken.

Externe video

Over de auteurs


Prof. dr. ir. Joks Janssen Senior onderzoeker en adviseur bij kennisorganisatie Het PON & Telos. Daarnaast is hij als Professor of Practice ‘Brede welvaart in de regio’ verbonden aan Tilburg University. In dat kader is hij onder meer actief voor de Academische Werkplaats (Be)sturen op Brede Welvaart. Tevens is hij lid van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur.

Bianca Koomen, MSc. Onderzoeker en adviseur bij Het PON & Telos. Betrokken bij diverse onderzoekstrajecten en kennisnetwerken, onder meer als coördinator van het Nationaal Netwerk Brede Welvaart. Ze doet onderzoek naar (ervaren) brede welvaart, (meervoudige) achterstand en energiearmoede.

Inleiding


De energietransitie raakt aan de fundamenten van onze samenleving. Door de overstap van fossiele naar hernieuwbare bronnen verandert niet alleen de manier waarop we energie opwekken, opslaan en gebruiken, maar ook hoe we wonen, werken en samenleven. De energietransitie is allang geen technocratische exercitie meer, geen denkoefening in enkel zonnepanelen, warmtepompen, netwerken en windmolens. Zij raakt aan de kern van hoe wij willen samenleven – en hoe we onze samenleving willen inrichten. In deze transitietijd komt meer dan ooit de vraag op tafel: voor wie en waartoe doen we dit en – niet onbelangrijk – wie kunnen, willen en mogen meedoen?

Steeds duidelijker wordt dat de energietransitie niet vanzelf leidt tot een betere wereld voor iedereen. Baten en lasten zijn ongelijk verdeeld. Het gaat bijvoorbeeld om de vraag hoe de kosten worden verdeeld tussen grootverbruikers (industrie) en huishoudens. En binnen de groep huishoudens zien we dat energiearmoede geen randverschijnsel meer is, maar een structureel symptoom van bredere maatschappelijke ongelijkheid. Wie niet kán meedoen aan de transitie, betaalt vaak de hoogste prijs. In dit essay verkennen we hoe het perspectief van brede welvaart kan helpen om deze ‘energiekloof’ te dichten (1). Daarmee doelen we op de ongelijke verdeling van energielasten, toegang tot verbetering (isolatie/financiering) en zeggenschap over opbrengsten, tussen huishoudens en tussen gebieden.

Brede welvaart richt de blik niet alleen op economische groei en materiële welvaartsontwikkeling, maar op de kwaliteit van leven – hier en nu, later en elders. Het is een denk- (én doe!-)kader dat ruimte biedt voor andere keuzes: keuzes die welzijn, gezondheid, sociale samenhang en de leefomgeving expliciet een plek geven in het vormgeven van de energietransitie. Vanuit dit kader laten we zien hoe de energietransitie kan bijdragen aan meer brede welvaart in buurten en wijken. Dit is wat ons betreft niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk voor draagvlak en democratische legitimiteit.

Er is behoefte aan een samenhangender perspectief: een visie op welvaart die ook recht doet aan immateriële waarden en de kwaliteit van leven.

Waarom het bbp niet langer volstaat


Welvaart roept vaak beelden op van bezit, consumptie en status: een groot huis, verre vakanties, een succesvolle carrière, een luxe auto voor de deur. Zij is voor veel mensen synoniem voor de vrijheid om te kopen wat je verlangt. Deze invulling is geen toeval, maar het gevolg van een wereldwijd breed omarmd economisch model waarin groei – gemeten in bruto binnenlands product (bbp) – niet alleen dé maatstaf voor vooruitgang is, maar ook een doel op zichzelf (Olthaar, 2025).

Het bbp is een getal dat de omvang weergeeft van de totale toegevoegde waarde van alle goederen en diensten die geproduceerd worden in een land (of regio). Daarmee is het bbp effectief als maat voor de omvang en groei van de economie, maar het is, als het om welvaart gaat, ook misleidend. Deze maatstaf laat immers veel relevante aspecten van onze welvaart buiten beschouwing, namelijk hoe het zit met de verdeling ervan, wat de milieueffecten ervan zijn en wat de waarde is van zaken als vrijwilligerswerk. Het bbp geeft daarmee slechts een eenzijdig beeld van welvaart: het laat alleen het monetaire deel zien, dat wat via economische en financiële transacties kan worden geregistreerd en zichtbaar gemaakt (Pouw, 2020).

Het ongemak met deze versmalling van welvaart tot bbp-groei gaat terug tot de jaren zeventig van de vorige eeuw. Wetenschappers en beleidsmakers begonnen zich af te vragen of het neoklassieke begrip van welvaart – gebaseerd op het bbp – nog wel voldeed. Was groei in puur materiële zin nog wel het juiste kompas om op te koersen? In Grenzen aan de groei (1972) waarschuwde de Club van Rome als eerste voor de ecologische en sociale gevolgen van ongebreidelde economische expansie. Niet alle groei bleek goed voor gezondheid, welzijn en duurzaamheid. Meer is niet per definitie beter.

In de daaropvolgende decennia groeide – op de achtergrond – het verlangen om ‘voorbij het bbp’ te komen. De wereldwijde financieel-economische crisis van 2008 gaf het debat hierover een nieuwe impuls. De economen Stiglitz, Sen & Fitoussi (2009) pleitten in een invloedrijk rapport voor de ontwikkeling van indicatoren die niet alleen economische prestaties meten, maar ook maatschappelijke vooruitgang, duurzaamheid en kwaliteit van leven: “The time is ripe for our measurement system to shift emphasis from measuring economic production to measuring people’s well-being and well-being should be put in a context of sustainability” (p. 12).

Deze oproep vond internationaal veel weerklank, ook in Nederland. Steeds meer wetenschappers, bestuurders en beleidsmakers erkennen inmiddels dat sturen op alleen bbp-groei onvoldoende is om de grote uitdagingen van deze tijd – zoals klimaatverandering, afnemende biodiversiteit en toenemende kansenongelijkheid – het hoofd te bieden. Er is behoefte aan een samenhangender perspectief: een visie op welvaart die ook recht doet aan immateriële waarden en de kwaliteit van leven. Dat noemen we: brede welvaart.

Juist dat gevoel van rechtvaardigheid ontbreekt nu vaak. Mensen met een lage brede welvaart dragen relatief weinig bij aan duurzaamheidsproblemen, maar worden er wél bovengemiddeld vaak door geraakt.

Wat mensen van waarde vinden


Wat maakt het leven goed? Voor de een is dat een fijne baan en een betaalbaar huis, voor de ander gezondheid, rust of verbondenheid met familie en vrienden. Ook hechten mensen waarde aan een groene omgeving, voldoende voorzieningen in de buurt, schone lucht en de mogelijkheid om mee te doen in de samenleving. Het begrip brede welvaart probeert al deze uiteenlopende waarden te vatten en gaat verder dan inkomen of productiviteit alleen: brede welvaart draait in essentie om alles wat mensen van waarde vinden.

Waar het neoklassieke welvaartsbegrip zich meestal beperkt tot de mate waarin mensen in hun materiële behoeften kunnen voorzien, brengt brede welvaart ook de niet-materiële behoeften in beeld (Heertje, 2006). Zij verbreedt de blik van materiële welvaart naar immaterieel welzijn. Bij brede welvaart staat de kwaliteit van leven van mensen centraal. Die omvat zowel objectieve als subjectieve dimensies – van meetbare factoren als inkomen, gezondheid en onderwijsniveau tot ervaren welbevinden, veiligheid en verbondenheid.

Cruciaal in het denken over brede welvaart is dat de kwaliteit van leven meerdimensionaal is: het gaat niet alleen over het ‘hier en nu’, maar ook over ‘later’ (toekomstige generaties) en ‘elders’ (effecten buiten onze grenzen). Anders gezegd: brede welvaart betreft ‘de kwaliteit van leven in het hier en nu en de mate waarin deze ten koste gaat van die van latere generaties of die van mensen elders in de wereld’ (CBS, 2023a). Het perspectief van brede welvaart vraagt aandacht voor de samenhang en uitruil tussen economische, sociale en ecologische waarden. Het gaat om duurzaamheid, intergenerationele rechtvaardigheid en mondiale solidariteit, maar ook om de vraag hoe welvaart verdeeld is tussen mensen, groepen en gebieden. Want lang niet iedereen heeft dezelfde kansen om mee te profiteren van maatschappelijke veranderingen.

Anders geformuleerd: brede welvaart gaat over de mogelijkheden van mensen om het leven te leiden dat ze positief waarderen (2). Deze mogelijkheden zijn voor ieder mens anders en mede afhankelijk van de sociale en fysieke leefomgeving waarin hij of zij is ingebed. Het maakt voor je kwaliteit van leven en de mogelijkheden die je hebt immers uit waar je woont, welke voorzieningen je regio te bieden heeft, met wie je verbonden bent en in hoeverre je (woon)omgeving gezond, veilig en toekomstbestendig is (Raspe & Stam, 2019).

Brede welvaart gaat dus over mensen en plekken, en de interactie daartussen. Maar brede welvaart is geen gemiddelde: zij maakt juist zichtbaar hoe ongelijk de kwaliteit van leven verdeeld is – tussen groepen én tussen gebieden. En precies daar, in die ongelijke verdeling, wordt de energietransitie op de proef gesteld. Achter gemiddelden gaan namelijk altijd maatschappelijke scheidslijnen schuil, tussen zij die mee kunnen komen en zij die achterblijven of worden achtergelaten.

De energietransitie door een bredewelvaartsbril


Wie met de bredewelvaartsbril naar de energietransitie kijkt, ziet een gelaagd beeld. Aan de ene kant is er sprake van winst: hernieuwbare energie, technologische innovatie en het afbouwen van fossiele afhankelijkheid dragen bij aan de klimaatdoelen, een gezondere woningvoorraad met meer wooncomfort en het creëren van nieuwe economische perspectieven. Ook vanuit sociaal perspectief schuilen er kansen in de energietransitie, bijvoorbeeld via energiecoöperaties, waarin burgers samen energie opwekken. Maar aan de andere kant blijkt de transitie lang niet voor iedereen en overal op dezelfde wijze toegankelijk. Groepen met lage inkomens, minder zeggenschap of beperkte toegang tot financiering ondervinden juist belemmeringen. Zij blijven achter in slecht geïsoleerde en ongezonde woningen, met hoge energielasten en weinig handelingsperspectief.

Dat wringt, want uit onderzoek blijkt dat een meerderheid van de Nederlanders best bereid is klimaat- en energiemaatregelen te steunen – mits deze als eerlijk en inclusief worden ervaren (SCP, 2025). Juist dat gevoel van rechtvaardigheid ontbreekt nu vaak. Mensen met een lage brede welvaart dragen relatief weinig bij aan duurzaamheidsproblemen, maar worden er wél bovengemiddeld vaak door geraakt. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS, 2025) waarschuwt voor de groeiende onrechtvaardigheid in het klimaat- en energiebeleid. Mensen met een laag inkomen worden het eerst en het hardst geraakt door de effecten van klimaatverandering én ondervinden de grootste gezondheidseffecten. Tegelijkertijd zijn het juist de mensen met de hoogste inkomens die het meest bijdragen aan de overschrijding van planetaire grenzen. Die scheve verhouding wordt versterkt doordat de kosten en maatschappelijke gevolgen van klimaat- en energiemaatregelen relatief zwaarder neerkomen op wie het minste te besteden heeft. Zo stapelen de ongelijkheden: in oorzaak, in effect én in de aanpak.

De groeiende kloof tussen bedrijven en burgers, en tussen hogere en lagere inkomens, ondermijnt het maatschappelijk draagvlak van de energietransitie en vergroot de polarisatie in de samenleving (3). Zij belemmert de noodzakelijke rechtvaardigheid van klimaat- en energiebeleid (Groenleer et al., 2024; RVS, 2025). Bovendien versterkt zij gevoelens van maatschappelijk onbehagen, die zich uiteindelijk ook tegen de transitie kunnen keren. Dat onbehagen wortelt overigens dieper in de samenleving: in flexibele contracten, stijgende vaste lasten en afgenomen ‘grip’ op het dagelijks bestaan (Putters, 2022; WRR, 2023).

In zo’n context voelt de energietransitie voor velen minder als een collectief streven en meer als een extra druk op een toch al vrij kwetsbare bestaansbasis. Voor mensen in deze positie draait de transitie dan ook minder om ‘het einde van de wereld’ en meer om ‘het einde van de maand’ (Leroy, 2021). De kwestie van energiearmoede heeft in dit verband een belangrijke signaalfunctie voor beleid (4). Zij dwingt ons om fundamentele vragen te stellen over wie mee kán doen in de transitie, en onder welke voorwaarden.

Stapeling van achterstanden


Mensen die in energiearmoede leven hebben vaak ook op andere vlakken minder mogelijkheden om hun leven richting te geven – en dat raakt aan de kern van wat brede welvaart beoogt: het versterken van de kwaliteit van leven in brede zin. Energiearmoede is zelden een op zichzelf staand probleem, maar een zichtbaar symptoom van een stapeling aan achterstanden. Het zijn vaak juist deze mensen waarvoor de energietransitie het minst vanzelf spreekt – en, positiever geformuleerd, waar die transitie het grootste verschil kan maken.

Recent onderzoek bevestigt dat beeld. Energiearmoede gaat vaak hand in hand met andere vormen van kwetsbaarheid, die zich bovendien ruimtelijk concentreren. Het gaat om buurten, wijken en regio’s waarin lage inkomens, slechte woningkwaliteit, gezondheidsproblemen en beperkte arbeidsperspectieven samenkomen (Agterbosch et al., 2024). Huishoudens met hoge lasten, een laag inkomen en een slecht geïsoleerde woning hebben doorgaans ook minder toegang tot scholing, werk of sociale netwerken. Slechte energetische woningkwaliteit en hogere zorgkosten hangen rechtstreeks met elkaar samen (TNO, 2023). Mensen die hun huis niet voldoende kunnen verwarmen of te maken hebben met schimmel of vocht, lopen een verhoogd risico op gezondheidsproblemen zoals astma of reuma, en ervaren vaker stress, eenzaamheid en sociale uitsluiting. Zij leven vaker in ongezonde of onveilige buurten en hebben minder financiële ruimte om te investeren in hun eigen welzijn of toekomst.

De stapeling van deze kwetsbaarheden beperkt de mogelijkheden die mensen hebben om volwaardig mee te doen in de maatschappij. Toegang tot betaalbare, betrouwbare, schone en veilige energie is immers een basisvoorwaarde voor volwaardige deelname aan het dagelijks leven. Energiearmoede beperkt niet alleen het comfort van een huishouden, maar ondermijnt ook het vermogen om te koken, wassen, communiceren, werken of leren. Bouzarovski (2014) en Day et al. (2016) omschrijven energiearmoede dan ook als een fundamentele belemmering voor het benutten van ‘alledaagse mogelijkheden’ – een vorm van uitgesloten zijn van de randvoorwaarden van een menswaardig bestaan.

Wil de energietransitie niet uitmonden in een versterking van bestaande ongelijkheid tussen groepen mensen en gebieden, maar – integendeel – die ongelijkheid juist helpen te verkleinen, dan is een koerswijziging nodig. Niet als ‘zachte schil’ om harde techniek, maar als herijking van de kern: voor wie doen we dit, en wat verstaan we onder vooruitgang? De bril van brede welvaart maakt zichtbaar dat deze vragen niet losstaan van de transitie – ze zijn de transitie!

Ondanks deze erkenning is de energiekloof nog lang niet gedicht. Sterker nog, door de wijze waarop we de energietransitie momenteel hebben ingericht verdiepen we deze kloof.

Van blinde vlek naar beleidsfocus


De technisch-economisch ingestoken energietransitie is tot nu toe onvoldoende toegerust om aan de sociaal-maatschappelijke dimensies van de transitie recht te doen. De verdeling van lusten en lasten is ongelijk, zeggenschap en eigenaarschap zijn lang niet overal en voor alle mensen vanzelfsprekend, en de stapeling van fysieke en sociale achterstanden maakt dat sommige wijken en regio’s structureel achterblijven.

Lange tijd ontbrak aandacht voor deze (sociale) kant van de transitie. Stimuleringsbeleid richtte zich primair op woningeigenaren met investeringsruimte, en liet huurders of lage-inkomensgroepen buiten beschouwing (Breukers et al., 2020; WKR, 2023). Pas met het Klimaatakkoord van 2019 is expliciet vastgelegd dat de energietransitie eerlijk en rechtvaardig moet worden vormgegeven, en dat ‘ieder huishouden moet kunnen meedoen’ – ongeacht woonvorm of inkomenspositie. De scherp oplopende energieprijzen sinds 2022 hebben dit besef verder verdiept en gezorgd voor een bredere erkenning van energiearmoede als urgent sociaal-maatschappelijk vraagstuk (5).

Ondanks deze erkenning is de energiekloof nog lang niet gedicht. Sterker nog, door de wijze waarop we de energietransitie momenteel hebben ingericht verdiepen we deze kloof. Door het wegvallen van de financiële hulp tijdens de energiecrisis in 2022 en 2023 is niet alleen het percentage huishoudens dat in energiearmoede leeft flink toegenomen, ook de intensiteit van de energiearmoede zelf is vergroot (TNO & CBS, 2025). De energierekening blijft voor veel huishoudens een bron van zorg en de energietransitie biedt geen hoop. Zo kunnen alleenstaande moeders – vaak tijdelijk of laagbetaald werkend, huurder en/of mantelzorger –niet meeprofiteren van subsidies, lopen zij tegen bureaucratische barrières aan en missen zij de kennis van technologische mogelijkheden. En niet alleen deze vrouwen, maar ook andere eenoudergezinnen, gemengde woonvormen, studenten in woongroepen en huurders in de vrije sector lopen veelal tegen structurele obstakels aan en blijven buiten de radar van standaardregelingen.

Hoewel veel mensen zeggen hun woning te willen verduurzamen, blijven de benodigde, soms forse, financiële investeringen van huishoudens achter (SCP, 2021; CBS, 2023). Dat laat zien dat het niet alleen gaat om bereidheid, maar ook om kennis en financiële en praktische haalbaarheid. Kosten, onzekerheid en complexiteit van regelgeving en beleid maken het voor woningeigenaren vaak moeilijk om de stap te zetten van ambitie naar actie. Voor huurders geldt dit in versterkte mate, omdat zij vrijwel volledig afhankelijk zijn van hun verhuurder. Bovendien gaat beleid maar al te vaak uit van onrealistische mensbeelden en geeft zich onvoldoende rekenschap van de mogelijkheden die mensen hebben om het gewenste gedrag te vertonen. Zo wordt het ‘doenvermogen’ van mensen structureel overschat: willen en kunnen is nog geen doen (WRR, 2017). Met als gevolg dat in de uitvoering de afstand tussen kansarm en kansrijk wordt vergroot in plaats van verkleind.

Juist daarom is het van belang om brede welvaart als kompas te hanteren: niet alleen om bestaande sociale scheidslijnen zichtbaar te maken, maar ook om tot een andere ordening en prioritering te komen in beleid dat zich richt op verduurzaming van onze energievoorziening. Het perspectief van brede welvaart stelt andere vragen aan de voorkant van beleidsvorming: Wat zijn de sociale effecten van onze keuzes? Waar ontstaan afruilen? Hoe kunnen we de kosten eerlijker verdelen en de baten doelgericht inzetten om structurele achterstanden te verminderen? En hoe zorgen we dat juist díé plekken en groepen die nu het minst profiteren, centraal komen te staan in de transitie? Juist op lokaal niveau – in buurten en wijken – worden deze vragen concreet en komt het brede welvaartsperspectief tot leven.

Sturen op brede welvaart: bouwstenen voor beleid


Wanneer we brede welvaart als vertrekpunt nemen voor een sociaal rechtvaardige en inclusieve energietransitie, vormt de (bestaande) buurt of wijk in dorp en stad een interessant aangrijpingspunt. Brede welvaart gaat immers over het vermogen van mensen om hun leven vorm te geven op basis van reële keuzemogelijkheden – en die worden in hoge mate bepaald door de directe sociale en fysieke leefomgeving. Denk aan de kwaliteit van de woning, de aanwezigheid van groen en voorzieningen, veiligheid en sociale netwerken. Deze factoren zijn bij uitstek verankerd in de directe leefomgeving en beïnvloeden de (ervaren) brede welvaart (6).

In de buurt of wijk worden beleidskeuzes over de energetische verduurzaming van de bestaande woningvoorraad en warmtetransitie (‘van het gas af’) bovendien concreet en tastbaar. Dáár stijgt of daalt de energierekening, wordt wel of niet geïsoleerd, bloeit of verschraalt het voorzieningenniveau. Dáár wonen mensen, ontmoeten ze elkaar en geven ze samen vorm aan hun dagelijks leven. Het is dan ook logisch dat het gesprek over brede welvaart en rechtvaardige verduurzaming juist daar begint. De energietransitie kan daarmee ook uit haar sectoraal-technisch-economische spoor worden getrokken: ze biedt een kans om een breder gesprek over de kwaliteit van leven te voeren – en die kwaliteit daadwerkelijk te verbeteren.

De buurt of wijk is daarmee niet alleen het toneel waarop de mondiale en nationale gevolgen van energiebeleid zichtbaar worden, maar ook de schaal waarop verschillen tussen kansarm en kansrijk overbrugd kunnen worden en verbinding tussen groepen mensen ontstaat. Mits de institutionele condities voor een wijkgerichte aanpak op orde zijn: succesvol ‘sleutelen’ aan buurt en wijk vraagt om overheden die hun beleid op elkaar hebben afgestemd. Landelijke doelstellingen, regelingen en financiering moeten lokaal handelingsperspectief mogelijk maken, niet frustreren. Wie brede welvaart daarbij als kompas neemt, zal ruimte moeten maken voor maatwerk, voor participatie en voor het verbinden van doelen en belangen. Dat vraagt om een andere manier van kijken en sturen – een die niet alleen uitgaat van technische efficiëntie, maar ook van waarden die er lokaal toe doen. Transitiebeleid dat inzet op brede welvaart vraagt wat ons betreft dan ook om de volgende aanpak:

Ongelijk investeren voor gelijke kansen

Zet expliciet in op buurten en wijken in steden en regio’s waar de energierekening het hoogst is, de woningen het slechtst geïsoleerd zijn en de sociale draagkracht het laagst is. Niet de makkelijke wijken eerst (het laaghangend fruit), maar juist de meest kwetsbare wijken voorop. Het verbeteren van de energetische woningkwaliteit blijkt een zeer belangrijke katalysator voor het verminderen van de energielasten en daarmee het verkleinen van energiearmoede (TNO & CBS, 2025). Daar ligt ook de grootste potentie voor meervoudige winst in termen van brede welvaart. Richt gemeentelijke interventies en bijbehorende budgetten dus specifiek op ‘achterblijvers’: huishoudens die niet alleen weinig op hebben met verduurzaming maar vaak ook weinig financiële of informatiecapaciteit hebben.

De groep ‘achterblijvers’ – ruim 8% van de eigenaren die noch willen, noch kunnen verduurzamen – vraagt om intensieve ondersteuning. Voor hen is een anticyclisch beleid nodig: een mix van generiek aanbod én extra maatwerk op het gebied van financiering, informatie en langetermijnplanning. Zo is woningisolatie bij de meest kwetsbare huishoudens op termijn effectiever dan een structurele energietoeslag – zeker tijdens prijsvolatiliteit (Hopman & Mulder, 2025). Dat betekent een investeringsgerichte aanpak in bestaande buurten en wijken in plaats van tijdelijke financiële compensatie, die door de complexiteit ervan bovendien het gebrek aan grip van mensen op hun leven vergroot. Zo zet de gemeente Breda in op het actief ontzorgen van bewoners bij de energietransitie in kwetsbare wijken, zodat stress en weerstand worden weggenomen.

Dat perspectief wordt gedeeld door het Nationaal Klimaat Platform (2025), dat juist de kwetsbare wijken aanwijst als de logische startpunten van de verduurzaming. Daar valt de meeste winst te behalen – niet alleen qua CO₂-reductie, maar juist ook in termen van bestaanszekerheid, gezondheid en vertrouwen in overheid en samenleving. Wanneer bewoners merken dat hún leefomgeving centraal staat, groeit ook het draagvlak. Dat vraagt om langjarige investeringsruimte voor woningcorporaties én het actief faciliteren en stimuleren van initiatieven van onderop. Lokaal eigenaarschap, gemeenschapszin en fysieke verbetering kunnen zo samenkomen.

Juist daar waar de problemen zich opstapelen, kan de energietransitie een impuls vormen voor brede welvaart – mits we bereid zijn ongelijk te investeren voor gelijke kansen. Bovendien is het efficiënter om de grootste achterstanden eerst aan te pakken. Door kwetsbare wijken voorrang te geven, bundel je middelen waar de opgave én de maatschappelijke baten het grootst zijn. Dat verkort de totale doorlooptijd van de transitie en verlaagt de publieke kosten (denk aan zorg, schuldhulp, etc.) structureel.

Verbind energie met de bredere leefkwaliteit van de buurt

Gebruik de energietransitie als hefboom voor een bredere en meer integrale wijkverbetering. In veel wijken waar corporaties hun woningvoorraad willen verduurzamen of die door de Rijksoverheid geselecteerd zijn om ‘van het gas af’ te gaan, is de energietransitie niet de enige opgave. Er spelen ook andere zaken op het gebied van leefbaarheid, die voor veel bewoners dichterbij en urgenter zijn dan het klimaatprobleem. Denk aan schuldenproblematiek, eenzaamheid, onveiligheid, een slechte gezondheid en hittestress.

Brede welvaart helpt niet alleen om zicht te krijgen op deze met elkaar samenhangende problematieken, maar ook om, in gesprek met bewoners, tot een bredere waardenafweging tussen (sectorale) doelen en belangen te komen. Wat vinden zij belangrijk? De aantrekkingskracht van brede welvaart schuilt in de verbinding met de leefwereld van inwoners: hun welzijn staat immers voorop (Nagelkerke et al., 2025). Als brede welvaart gaat over alles wat mensen van waarde vinden, dan is het logisch de mens – en zijn leefomgeving – centraal te stellen. Brede welvaart biedt een gedeelde taal waarmee overheid en burgers het gesprek kunnen voeren over wat er in hun leven en leefomgeving echt toe doet.

Benut de perspectieven van bewoners om met de energietransitie ook andere aspecten die relevant zijn voor hun brede welvaart te verbeteren, bijvoorbeeld als het gaat om wijkgroen, werk en gezondheid. Zo is de aanleg van een warmtenet in de versteende wijk Paddepoel in Groningen benut om straten klimaatadaptiever en groener in te richten, zodat ze beter bestand zijn tegen hete periodes en wateroverlast. In het spoor daarvan is – samen met bewoners – de parkeerproblematiek opgelost. Een dergelijke, meervoudige aanpak scheelt flink in de kosten en overlast. En hij levert sociale én fysieke winst op.

Werk gebiedsgericht en domeinoverstijgend

Waar voor een bewoner de kwaliteit van leven en de leefomgeving – wonen, zorg, groen, voorzieningen, et cetera – sterk met elkaar verbonden zijn en in de praktijk één geheel vormen, hebben we deze aspecten in beleidsmatige zin keurig opgedeeld en verkaveld: in de afdelingen sociaal domein, werk en inkomen, energietransitie, klimaatadaptatie, enzovoorts. Het doorbreken van die verkokering is cruciaal voor het sturen op brede welvaart. Tegelijkertijd weten we dat het doorbreken van beleidsmatige silo’s complex is en om een lange adem vraagt. Merlijn van Hulst (2024) benadrukt in dit verband het belang van ‘grenzenwerkers’: mensen die binnen de eigen (gemeentelijke) organisatie over schotten heen kunnen bewegen en de verbinding tussen binnen en buiten, systeem- en leefwereld organiseren. Daarvoor hebben ze wel mandaat en handelingsruimte nodig.

Dat laatste is noodzakelijk als we de bewoners en hun waarden centraal willen stellen. Laat het beleid zich daarnaar voegen, in plaats van andersom. Laat gemeenten, woningcorporaties, zorgaanbieders en energieleveranciers samenwerken aan integrale wijkplannen. Zet Rijksprogramma’s en regionale fondsen (bijv. Volkshuisvestingfonds, Nationaal Groeifonds) in om sociale én fysiek-energetische doelen tegelijk te realiseren. En organiseer een gezamenlijke governance voor wijktransformatie, waarin ook bewoners, maatschappelijke organisaties en uitvoerders regionaal eigenaarschap kunnen nemen. Experimenten rond Wijkvernieuwing 3.0 en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) laten zien wat op dit vlak mogelijk is.

Combineer technische maatregelen met investeringen in gezondheid, groen, veiligheid en sociale infrastructuur. De Tilburgse aanpak van ‘dubbel duurzaam’ is daarvan een inspirerend voorbeeld: woningverduurzaming door corporaties wordt daarbij gecombineerd met een aanpak voor schuldhulpverlening, ontmoeting en het creëren van werkervaringsplekken. Zo worden mensen die moeilijk aan een baan komen (om)geschoold tot energiecoach. Door de energietransitie kunnen zij weer aan het werk. Daarmee vergroten ze niet alleen hun eigen brede welvaart, maar ook die van de wijk. Ze adviseren niet alleen over energiebesparing, maar knopen als ervaringsdeskundige ook gemakkelijk het gesprek aan over andere zaken in de buurt. Daarmee functioneren ze tevens als ‘buurtbinders’.

Zorg voor lokale zeggenschap en opbrengsten

Structurele betrokkenheid van bewoners is cruciaal om van de energietransitie een succes te maken (Ganzevoort & Groenleer, 2024). Laat – waar het kan – bewoners dus actief meepraten én meedelen in de baten van energieprojecten. Veranker; lokale waardecreatie: stel bij projecten een verplicht; coöperatief minimumaandeel of een verplicht; wijkfondsafdracht vast, zodat opbrengsten voorspelbaar terugvloeien naar de buurt. Dat versterkt niet alleen het draagvlak van de transitie, maar ook de sociale verbondenheid in de buurt.

Een mooi voorbeeld hiervan is het collectieve zonnedak in de Rotterdamse wijk Bospolder-Tussendijken. Op de daken van twee basisscholen kunnen wijkbewoners zonder eigen dak zonnepanelen huren en zo hun energierekening verlagen. Het zonnedak is onderdeel van ‘Energiewijk BoTu’, dat duurzame energie voor alle wijkbewoners toegankelijk wil maken. Maar ook hier geldt dat ongelijkheden zichzelf dreigen te versterken: wat sterk is wordt sterker, wat zwak is zwakker. Zo zijn de buurten waar de participatie al goed van de grond komt meestal ook de buurten die hoog scoren op brede welvaart, terwijl kwetsbare buurten waar het sociaal kapitaal en de onderlinge verbondenheid minder groot zijn ook op dit punt achterblijven. Het actief zoeken naar verbinding in die buurten waar participatie – om allerlei redenen – minder vanzelfsprekend is, is daarom cruciaal.

Uit de negatieve energiespiraal komen vraagt om langjarige investeringen, niet om een tijdelijk participatieproces. Het vertrouwen in kwetsbare buurten en wijken moet worden opgebouwd: het komt te voet en gaat te paard. Daarbij is verduurzaming voor de meeste mensen niet het eerste waar ze in hun buurt mee aan de slag willen. Maar als je ze weet te verbinden op iets dat ze wel belangrijk vinden – een moestuin, een buurtbus, een gezamenlijke ontmoetingsplek, het kan van alles zijn – bouw je aan vertrouwen en krijg je mensen vervolgens makkelijker mee in de energietransitie of in een bredere wijkvernieuwing. Dat vraagt om langdurig investeren in gemeenschapsvorming. Het aloude ‘opbouwwerk’ (in een nieuw jasje gestoken) kan hier sociale ‘wonderen’ verrichten (Van der Lans, 2025).

Dat inspraak – onder de juiste voorwaarden – loont, blijkt wel uit het feit dat mensen die actief en succesvol hebben geparticipeerd in de energietransitie positiever zijn over de gevolgen ervan. Andersom zien we echter ook dat participatie onder de verkeerde voorwaarden – zoals een ondoordachte aanpak, onduidelijke beslisruimte of onvoldoende aansluiting bij de leefwereld van inwoners – tot teleurstelling kan leiden en uitmondt in ‘participatiemoeheid’. De kunst is om als overheid daadwerkelijke en gevoelde betrokkenheid te combineren met langjarig commitment. Daarbij gaat het niet alleen om draagvlak onder bewoners, maar ook om het voelbaar dichten van de energiekloof in buurt en wijk.

Maak brede welvaart bestuurlijk leidend

Belangrijk is – tot slot – dat het organiseren van de energietransitie vanuit het perspectief van brede welvaart (en vice versa) vraagt om een politiek-bestuurlijk afwegingsproces, waarin het stellen van meetbare doelen en prioriteiten (politiek en bestuur), het kiezen van instrumenten (uitvoering) en monitoring en evaluatie (kennisinstellingen) om deze doelen te bereiken hand in hand moeten gaan. Net zoals een periodieke rapportage van de stand van zaken om de voortgang te meten en mogelijkheden voor intensivering (en extensivering) van instrumenten te benutten. Laat de maatschappelijke meerwaarde van brede welvaart meewegen bij investeringsbesluiten in buurt en wijk. Denk aan integrale wijkscans op basis van (een set van) brede welvaartsindicatoren die energiearmoede, gezondheid en veiligheid in hun onderlinge samenhang in beeld brengen – en als basis dienen voor prioritering van beleidsinterventies.

Betrek kennisinstellingen, zoals universiteiten en hogescholen, bij het opschalen van (lokale) interventies en het monitoren ervan, onder meer door lessons learned op een hoger niveau te tillen en breder te trekken, zodat ook andere buurten, wijken, gemeenten en regio’s ervan kunnen profiteren. De uitdaging is hier: daadwerkelijke effecten in termen van brede welvaart zijn vaak pas op lange termijn zichtbaar en merkbaar en moeilijk direct meetbaar. Het is daarom belangrijk om kortetermijnresultaten te koppelen aan langetermijndoelen en aanpakken meerjarig en institutioneel te verankeren in consistent beleid op alle betrokken schaalniveaus, van wijk tot Rijk.

Zoals Richard Nelson al in 1977 stelde in The moon and the ghetto: technische doorbraken zijn vaak eenvoudiger te realiseren dan sociale vooruitgang. De werkelijke uitdaging van de energietransitie ligt dan ook niet in de techniek, maar in het politieke en bestuurlijke vermogen om brede welvaart leidend te maken.

De kunst is om als overheid daadwerkelijke en gevoelde betrokkenheid te combineren met langjarig commitment. Daarbij gaat het niet alleen om draagvlak onder bewoners, maar ook om het voelbaar dichten van de energiekloof in buurt en wijk.

Tot slot: van kilowatt naar kwaliteit van leven


De omschakeling van fossiele naar hernieuwbare energiebronnen is niet louter een technische kwestie, maar doordesemd ‘met sociale en economische ontwikkelingen en daarmee ook met de leefwereld van mensen’ (Mommaas, 2024: 39). Waar conventioneel energiebeleid vaak stuurt op de hoeveelheid kilowattuur, technologische innovatie en kostenefficiëntie, richt het perspectief van brede welvaart zich op de kwaliteit van leven – hier en nu, later en elders. Het vraagt nadrukkelijk om een brede waardenafweging, met oog voor effecten van keuzes op gezondheid, sociale cohesie en de bredere leefbaarheid in buurten en wijken. Én om meervoudige waardencreatie: het actief zoeken naar koppelkansen van energiemaatregelen met andere domeinen zoals werkgelegenheid, welzijn, veiligheid en gezondheid.

Brede welvaart verbindt economische, sociale en ecologische waarden, en stelt daarbij nadrukkelijk vragen over verdeling tussen mensen en plekken. Wie profiteert van verduurzaming? Wie draagt de lasten? En hoe zorgen we dat de baten van de energietransitie bijdragen aan een samenleving waarin iedereen kan meedoen? In dit essay hebben we laten zien dat focus op brede welvaart niet alleen de scheefgroei tussen groepen en gebieden zichtbaar maakt, maar ook aanknopingspunten biedt om de transitie – lokaal – eerlijker en inclusiever vorm te geven. Dat betekent maatwerk per wijk, regio of doelgroep in plaats van generiek beleid.

Wanneer brede welvaart als – gebiedsgericht – kompas wordt gehanteerd, ontstaat ruimte voor beleid dat begint bij de leefwereld van mensen en daar duurzame verandering verankert. Dat vraagt om lef: om ongelijk investeren voor gelijke kansen, om het koppelen van kortetermijnresultaten aan langetermijndoelen, en om het verbinden van de transitie met andere opgaven in de buurt of wijk. Niet als zachte schil, maar als kern van transitiebeleid. Juist door brede welvaart als kompas te hanteren, maken we de energietransitie niet alleen rechtvaardiger, maar ook duurzamer en houdbaar.

Referenties


  1. Wij danken dr. Susanne Agterbosch (Het PON & Telos) en dr. Wessel Ganzevoort (Tilburg University) voor hun commentaar op een eerdere versie van dit essay.
  2. In de door econoom Amartya Sen en filosoof Martha Nussbaum ontwikkelde capabilities approach verschuift de focus van wat mensen hebben naar wat ze kunnen: het vermogen om het leven te leiden op een manier die zij zelf als waardevol ervaren (Sen, 2001; Nussbaum, 2011).
  3. Onderzoek laat zien dat veel Nederlanders vinden dat bedrijven onvoldoende verantwoordelijkheid nemen in de energietransitie en dat zij eerst hun bijdrage zouden moeten leveren voordat burgers aan zet zijn (SCP, 2025; Mouter et al., 2021). Dit sluit aan bij de huidige situatie, waarin huishoudens gemiddeld circa tweeënhalf keer zoveel belasting per uitgestoten ton CO₂ betalen als bedrijven.
  4. Met energiearmoede bedoelen we de situatie waarin huishoudens kampen met een combinatie van een laag inkomen, hoge energielasten en/of een woning van lage energetische kwaliteit. Van zo’n lage kwaliteit is sprake wanneer een woning slecht te verwarmen is – bijvoorbeeld door gebrekkige isolatie of verouderde installaties – en bewoners geen mogelijkheden hebben om zelf energie op te wekken, bijvoorbeeld met zonnepanelen. Volgens gangbare definities geldt een huishouden als inkomensarm als het inkomen maximaal 30% boven de lage-inkomensgrens ligt. Wanneer die situatie samenvalt met hoge energiekosten, spreken we van energiearmoede.
  5. Ook in de Regionale Energiestrategieën (RES’en) is de aandacht voor een rechtvaardige energietransitie sterk toegenomen. Veel RES’en hanteren het uitgangspunt dat iedereen mee moet kunnen doen en mee moet kunnen profiteren van de energietransitie en ontwikkelen afwegingskaders voor energierechtvaardigheid die ingezet kunnen worden bij projecten voor grootschalige opwek of opslag (vgl. Van Duren et al., 2023).
  6. Zo is de sociale cohesie in de buurt van invloed op de (ervaren) brede welvaart. Sterker nog, uit onderzoek blijkt dat buurtbetrokkenheid een sterke voorspeller is voor de ervaren brede welvaart van mensen (Blanken & Verhoeven, 2022). Hoe meer betrokken mensen zich voelen bij de buurt, hoe meer brede welvaart ze ervaren. Dat geldt ook voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De aanwezigheid van buurtgroen en voorzieningen is bijvoorbeeld van invloed op de kwaliteit van leven van bewoners.

Literatuur

  • Agterbosch, S., Janssen, J., Koomen, B. & Smulders, I. (2024). Accentueer het verschil. Een regionaal perspectief op achterstanden in Nederland, Tilburg: Het PON & Telos.
  • Bouzarkovski, S. (2014). ‘Energy poverty in the European Union: landscapes of vulnerability’, WIREs Energy Environment, 3: 276–289.
  • Blanken, M. & Verhoeven, N. (2023). Ervaren brede welvaart. Hoe Brabanders de kwaliteit van hun leven en leefomgeving waarderen in 2022, Tilburg: Het PON & Telos.
  • Breukers, S., Agterbosch, S. & Mourik, R. (2020). ‘De energietransitie: wie kunnen, willen en mogen er meedoen?’, Beleid en Maatschappij (47) 4, 359-382.
  • CBS (2023a). Monitor Brede Welvaart en de Sustainable Development Goals 2023, Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.
  • CBS (2023b). ‘Klimaatverandering en energietransitie. Opvattingen en gedrag van Nederlanders’ [longread] https://longreads.cbs.nl/klimaatverandering-en-energietransitie-2023/du….
  • Day, R. (2016). ‘Conceptualising energy use and energy poverty using a capabilities framework’, Energy Policy, Volume 93, 255-264.
  • Duren, M. Van, Smulders, M, Koomen, B. & Verhoeven, N. (2023). Een energierechtvaardige energietransitie. Een advies voor RES Noord- en Midden-Limburg, Tilburg: Het PON & Telos.
  • Groenleer, M., Boom, J. van den, Ganzevoort, W. & Lavrijssen, S. (2024). Sturen op brede welvaart en rechtvaardigheid: Naar een afwegingskader voor keuzes richting een klimaatneutraal energiesysteem in 2050, Tilburg: Tilburg University.
  • Ganzevoort, W. & Groenleer, M. (2024). Burgerparticipatie in de Energietransitie: Inzichten en Lessen uit de Literatuur, Tilburg: Tilburg University.
  • Heertje, A. (2006). Echte economie. Een verhandeling over schaarste en welvaart en over het geloof in leermeesters en lernen, Nijmegen: Valkhof Pers.
  • Hopman, B. & Mulder, P. (2025). ‘Voor het huishoudboekje is woningisolatie belangrijker dan kosten netverzwaring’, ESB [te verschijnen] https://esb.nu/voor-het-huishoudboekje-is-woningisolatie-belangrijker-d….
  • Hulst, M. van (2024). Working Beyond Disciplines. Signature plan Global Law & Governance, Tilburg: Tilburg University.
  • Lans, J. van der (2025). Waarom de energietransitie zonder opbouwwerk vast gaat lopen [essay voor het Nationaal Klimaat Platform], Utrecht: NKP.
  • Leroy, P. (2021). ‘Zonder sociaal beleid faalt het klimaatbeleid’, in: Socialisme & Democratie, Jaargang 78, Nr.5, pp. 32-41.
  • Mommaas, J.T. (2024). Symbiosis. Over de relatie tussen kennis en beleid [afscheidsrede], Tilburg: Tilburg University.
  • Mouter, N., Beek, L. van, Ruiter, A. de, Hernandez, J.I., Schouten, S., Noord, L. van & Spruit. S. (2021). Brede steun voor klimaatbeleid als aan vier voorwaarden is voldaan. Resultaten van een raadpleging onder meer dan 10.000 Nederlanders over het Nederlandse klimaatbeleid. Delft: TU Delft.
  • Nagelkerke, K., Janssen, J. & Van Koppen, C. (red.) (2025). Van Meer Waarde. Brede welvaart in de beleidspraktijk, Tilburg: Nationaal Netwerk Brede Welvaart.
  • Nationaal Klimaatplatform (2025). Bestaanszekerheid in de buurt. Hoe kan de klimaat- en energietransitie bijdragen aan veerkrachtige wijken en weerbare mensen? Utrecht: NKP.
  • Nelson, R.R. (1977). The Moon and the Ghetto. An Essay on Public Policy Analysis, New York: W.W. Norton & Company.
  • Olthaar, M. (2025). Alles van waarde. Een nieuwe kijk op arbeid, geld en geluk. Leiden: Bot Uitgevers.
  • Pouw, N. (2021). Welzijnseconomie. Hoe en waarom de economie moet veranderen, Amsterdam: Amsterdam University Press.
  • Putters, K. (2022). Het einde van de BV Nederland. Over de noodzaak van een verhaal voor onze samenleving, Amsterdam: Prometheus.
  • Raspe, O. & Stam, E. (2019). ‘Brede welvaart in de regio verdient meer aandacht’, ESB, 104, 4772S, 83-85. https://esb.nu/brede-welvaart-in-de-regio-verdient-meer-aandacht/.
  • RVS (2025). Te heet onder onze voeten. Gezond samenleven kan alleen op een gezonde planeet, Den Haag: Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving.
  • SCP (2021). Woningverduurzaming: willen en kunnen betekent nog niet doen. Drijfveren en ervaren barrières bij woningeigenaren, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
  • SCP (2025). Klimaat en samenleving: burgerperspectieven, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
  • Stiglitz, J.E., Sen, A. & Fitoussi, J.P. (2009). The measurement of economic performance and social progress revisited: reflections and overview, Parijs: Commission on the measurement of economic performance and social progress.
  • TNO (2023). Gezondheidskosten en energiearmoede. Een empirische analyse voor Nederland, Den Haag: TNO.
  • TNO & CBS (2025). Energiearmoede in Nederland 2019-2024 Een overzicht en een verdieping op risicohuishoudens bij hoge energieprijzen, Den Haag: TNO/CBS.
  • WKR (2023). Met iedereen de transities in. Richtinggevende keuzes voor een klimaatneutraal en klimaatbestendig Nederland, Den Haag: Wetenschappelijke Klimaatraad.
  • WRR (2017). Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid, Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
  • WRR (2023). Grip. Het maatschappelijk belang van persoonlijke controle, Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.