Jeroen Niemans - Energieplanologie bestaat niet
Vakmanschap en benutten Omgevingswet brengen energie en planologie samen In het essay ‘Energieplanologie bestaat niet’ duikt Jeroen Niemans in de relatie tussen energietransitie en ruimtelijke ordening. Hij onderzoekt de spanning én samenhang ertussen en wat die relatie vraagt van uitvoering en beleid. Waarom staan energie, planologie en energieplanologie nu zo in de schijnwerpers? Waar komt ‘energieplanologie’ vandaan en kan dat een succesvol huwelijk worden? De kern: niet regels of procedures blokkeren de voortgang, maar hoe mensen ermee omgaan. Daarom pleit Niemans voor een andere manier van sturen: benut de instrumenten van de Omgevingswet doelgericht, werk integrerend en koppel verbeeldingskracht aan vakmanschap.
Dit essay biedt een diagnose van waar energieplanologie spaak kan lopen, een handelingsperspectief voor professionals en bestuurders, en een uitnodiging om samen consequent in samenhang te werken – met als kompas: de wereld mooier maken. Daarbij zijn volgens Niemans factoren als professionele nieuwsgierigheid en verbeeldingskracht onmisbaar. Wanneer een aantal denkrichtingen die hij formuleert worden gevolgd, is energieplanologie als apart vakgebied niet nodig.
Over de auteur
Jeroen Niemans is opgeleid als planoloog aan de Universiteit Utrecht en heeft daarna een reis gemaakt door de ruimtelijke vakwereld en is uitgegroeid tot een invloedrijke stem in het ruimtelijk vakdebat. Sinds 2018 werkt hij voor organisatieadviesbureau Hiemstra & De Vries, waar hij partner Fysieke Leefomgeving is. Daarnaast is hij lid van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (RLI) en vicevoorzitter van de Evaluatiecommissie Omgevingswet.
Inleiding
Er moeten in heel Nederland 50.000 transformatorhuisjes bij komen tussen nu en 2040. Dat zijn vanaf nu dagelijks 5 tot 10 nieuwe huisjes. Dat staat in de Nationale uitvoeringsagenda regionale infrastructuur die Netbeheer Nederland in 2023 op heeft gesteld. Als je goed tot je laat doordringen wat de impact van die transformatorhuisjes is op onze steden en dorpen, dan kun je je bijna niet voorstellen dat zo’n zin plompverloren in een uitvoeringsagenda terecht kan komen zonder dat deze impact heel ruimtelijk én politiek Nederland wakker schudt.
Zeker niet nu we in ons land op een punt staan een aantal grote keuzes te maken die de ruimtelijke toekomst van ons land zullen structureren. Na jaren van decentralisatie heeft het Rijk eind september 2025 met de Ontwerp-Nota Ruimte 2025 voor het eerst sinds de opheffing van VROM in 2010 weer een stevig ruimtelijk toekomstbeeld willen schetsen. Deze nieuwe nationale omgevingsvisie schetst de contouren van het Nederland van 2050 en gaat in op de samenhang tussen opgaven voor wonen, industrie, energie, landbouw en infrastructuur. Dat gaat bijvoorbeeld over het aanwijzen van grootschalige woningbouwlocaties en over ingrepen in het landelijk gebied. De Nota Ruimte wil hier richting aan geven met een toekomstbeeld waarin ‘elke regio telt’ en dat daarmee sterk gericht is op het versterken van de kracht van de regio’s. Zo worden Zuid-Limburg, Groningen-Assen en Twente aangewezen als groeiregio’s.
Ook de term energieplanologie valt in de Nota Ruimte. Voor het eerst wordt weliswaar erkend dat energie geen randvoorwaarde is, maar een ruimtelijk sturend principe (Rijksoverheid, 2025), maar nog steeds lijken de structurerende keuzes die te maken hebben met energievraagstukken te worden onderschat. Het gaat maar beperkt over waar en hoe we energie gaan opwekken, hoe we die gaan verdelen en wat dit van de (energie-)infrastructuur vraagt. Men onderschat dat de 50.000 transformatorhuisjes geen technische opgave zijn, en zij vormen ook (niet alleen) een ontwerp- en sociaal-maatschappelijke opgave. Hier worden keuzes gemaakt die de komende jaren het aanzicht van ons land zullen veranderen. In dezelfde nationale uitvoeringsagenda (Netbeheer NL, 2023) staan nog veel meer belangrijke investeringen, van in totaal € 200 miljard (1), die van grote invloed zullen zijn op de ruimtelijke toekomst van ons land. Keuzes die nog generaties na zullen ijlen. Deze keuzes komen nog maar beperkt terug in de eind september gepresenteerde Nota Ruimte.
Gelukkig zijn de ruimtelijke wereld en de energiewereld zeker geen compleet parallelle werelden, maar ze staan nog wel soms met de rug naar elkaar toe. Terwijl de ruimtelijke vakwereld werkt aan toekomstbeelden voor 2040 of 2050 in omgevingsvisies en bezig is met de invoering van de Omgevingswet, worden door netbeheerders in samenspraak met overheden keuzes gemaakt in de energie-infrastructuur met gigantische en structurerende gevolgen voor de inrichting van ons land. Zo zal de locatiekeuze voor een 380kV-hoogspanningsstation grote impact hebben en wellicht als een magneet werken op ruimtelijke ontwikkelingen. Voor het schrijven van dit essay ben ik dieper in de wereld van de ruimtelijke impact van de energietransitie gedoken, en er langzaam maar zeker van overtuigd geraakt dat energie en planologie weliswaar samenkomen, maar keuzes voor de lange termijn worden nog wel gemaakt vanuit een eigen systematiek.
Ruimtelijke ontwikkeling en energie raken steeds meer vervlochten. In ons ruimtelijk beleid kan de ambitie uitgesproken worden om 100.000 woningen per jaar te bouwen, maar netcongestie heeft ons geleerd dat de afhankelijkheid van de energiesector groot is. Mooie ambitie, maar zonder stroom geen huizen. En dan hebben we het alleen nog maar over elektriciteit, de warmtetransitie levert vergelijkbare vraagstukken op. Ook voor alternatieve warmtebronnen zoals huizen verwarmen met restwarmte van bedrijven is ruimte nodig. Energie-infrastructuur, opwek en winning van energie, opslag. Het vraagt allemaal om ruimte. Dat kan alleen succesvol worden aangepakt in samenhang.
De afgelopen tijd heeft het begrip energieplanologie zijn opmars gemaakt en daarmee het belang van energie in de planologie op de kaart gezet. Energieplanologie richt zich op het beter verbinden van energie met de ruimtelijke ordening en planologie, met als doel een toekomstbestendig energiesysteem. Dat is wat mij betreft te smal. Ik wil eigenlijk nog wat verder kijken dan de juiste keuzes maken rondom energie-infrastructuur. Ik probeer het begrip energieplanologie te ontleden: werkt het om planologie, die voor mij staat voor het verbinden en afwegen van alle ruimtelijke vraagstukken, te richten op slechts een van deze vraagstukken?
De geboorte van de energieplanologie
In ruimtelijk beleid van voor 2015 is er slechts sporadisch aandacht voor energie. De geboorte van energieplanologie volgde nadat er, aangejaagd door het Klimaatakkoord van Parijs, langzaam maar zeker meer aandacht is gekomen voor de ruimtevraag van het energiesysteem. En dat is hard nodig, want de komende decennia vraagt de energietransitie om fors meer fysieke ruimte voor een nieuwe energie-infrastructuur, zoals transformatorstations en hoogspanningsverbindingen, decentrale opwek, en vormen van energieopslag en -conversie.
Met netcongestie als breekijzer heeft energieplanologie zich een plek op de agenda verschaft. Waar energie in de ruimtelijke wereld vooral gezien werd als een gegeven en niet als onderdeel van planologische afwegingen is het nu ineens onderdeel van ‘het gevecht om de ruimte’. Daar komt de energieplanoloog het podium op, met als opdracht de verbinding te leggen tussen energie en planologie op het strijdtoneel omdat de ruimte schaars is in Nederland, en de ruimtelijke inpassing van energiecomponenten complex. Momenteel is er door heel het land een groeiende groep professionals die zich energieplanologen noemen. Ze zijn bijvoorbeeld voor een overheid of netbeheerder bezig de fysieke ontwikkelopgave te koppelen aan benodigde energie en komen daarbij op complexe vraagstukken uit. Goed dat daar nu groeiende aandacht voor is en energieplanologie zich lijkt te ontwikkelen tot een nieuw vakgebied, dat moet helpen bij het integreren van de domeinen energie en ruimte. In de strijd om de ruimte is energie een serieuze partij geworden.
Toch ben ik er niet gerust op. Toen ik tijdens het schrijven aan dit essay een berichtje plaatste op LinkedIn over energieplanologie leverde dit veel reacties op. Daarbij ging het over de noodzaak om energievraagstukken beter mee te laten wegen in de ruimtelijke ordening. En over definities. Dat komt door de combinatie van energie en planologie. Het zette me aan het denken. Wat is planologie eigenlijk?
Wikipedia zet in op 'het optimaal benutten van de (openbare) ruimte, zodat alle gewenste en noodzakelijke functies daarin hun plaats krijgen' maar zegt er meteen bij dat er nogal wat discussie is over de definitie. Ik hou erg van wat hoogleraar planologie Peter Pelzer schrijft in zijn essay 'Verantwoordelijk voor de toekomst'. Pelzer noemt planologen 'de hoeders van de lange termijn' (Pelzer, 2024). Ik hou het zelf vaak op het zorgvuldig afwegen van alle belangen die van invloed zijn op onze ruimtelijke toekomst.
De crux zit in het woordje 'alle'. Als het gaat om het afwegen van alle belangen, hoe kun je er dan een, energie, vooraan zetten? En hebben we dan, naast energieplanologie, ook waterplanologie, woningbouwplanologie en natuurplanologie nodig?
Energieplanologie is een heel logische reflex op de vraagstukken rondom netcongestie zoals die zich nu aandienen. Het gevaar dat ik zie rondom energieplanologie is dat zij zich vooral richt op de operationele aspecten van het energie-ruimte domein. Studies en beleid komen vaak niet verder dan het expliciteren van de ruimtevraag die voortkomt uit het energiesysteem of het vinden van geschikte locaties voor energiesysteemcomponenten. Daarmee ligt de focus – met een eendimensionale blik vanuit het energiesysteem – op het doordrukken en versnellen van de energietransitie en niet op het afwegen in samenhang en zorgvuldige ruimtelijke keuzes. Dat is de kern van planologie volgens mij.
Voor je het weet beperkt energieplanologie zich tot een technocratische exercitie met een eenzijdige focus op de korte tot middellange termijn, vanuit de noodzaak het energiesysteem zo snel en effectief mogelijk uit te breiden en uit te rollen. Energieplanologie geeft daarmee weliswaar een impuls aan het integraal keuzes afwegen, maar alleen als het verbonden is aan alle andere ruimtelijke keuzes. Maar waar weeg je dat aan af? En wat is er nodig om een goede afweging te maken?
Energieplanologie is een goedbedoelde poging om het thema energie op de ruimtelijke tafel te krijgen. Maar zij dreigt een eigen wereld te worden, een eigen tafel, terwijl het doel zou moeten zijn om aan te schuiven. Misschien helpend om de urgentie van de energietransitie in de ruimtelijke ordening helder te maken, maar het zou niet nodig moeten zijn wanneer de instrumenten van de Omgevingswet beter worden benut. Maar vooral als de ruimtelijke wereld en de energiewereld elkaar beter weten te vinden. Daarbij komen steeds twee dingen naar voren. Energie en ruimte komen langzaam bij elkaar. Dat is hoopgevend. Maar er worden nog wel echt verschillende talen gesproken. Maar bovenal: hoewel we allemaal ernaar streven de wereld een beetje mooier te maken, blijkt dat behoorlijk lastig. Dat werd het startpunt van mijn zoektocht: hoe komt dat? Om daarna te kunnen focussen op hoe we het feit dat het zo moeilijk is om vooruitgang te boeken, kunnen doorbreken.
Energieplanologie is een goedbedoelde poging om het thema energie op de ruimtelijke tafel te krijgen. Maar zij dreigt een eigen wereld te worden, een eigen tafel, terwijl het doel zou moeten zijn om aan te schuiven.
De wereld mooier maken
Stiekeme idealisten zien in regels en wetten beren op de weg
In juni 2025 speelde het theatergezelschap het NUT op het theaterfestival Oerol op Terschelling. Nadat ze hier eerder de voorstellingen De Idealisten (2017) en De Futuristen (2019) speelden, speelden ze nu het laatste deel van het drieluik: De Kapitalisten. Het was, zoals ze het zelf noemden, een wereldreddende conferentie over de toekomst van geld. Theatermakers, wetenschappers, schrijvers, kunstenaars en vermogenden onderzochten op het eiland de rol van kapitaal in onze maatschappij.
Iedere avond formuleerden ze een wetsvoorstel dat de wereld mooier zal gaan maken. Zoals het voorstel om het wettelijk mogelijk te maken om vrijwillig méér belasting te betalen. Nadat ze terugkwamen van het eiland werd begin juli 2025 in Utrecht het resultaat van deze zoektocht in een avondvullende voorstelling gepresenteerd én besproken tijdens theatrale talkshows.
Hoopvol en vol plannen kwamen de theatermakers na een week dromen over een betere wereld op Terschelling terug naar het vasteland met hun aanbevelingen voor een nieuw systeem om de wereld mooier te maken. Ik was bij de eerste voorstelling waarbij ze midden in de Vinex-wijk Leidsche Rijn, omgeven door bouwkranen, vol trots de voorstellen bespraken. En teleurgesteld raakten. Want hoe mooi de ideeën die ze meenamen vanaf Terschelling ook waren, tijdens het gesprek over de voorstellen bleken er toch behoorlijk wat haken en ogen aan te zitten.
Theatermaker en initiator van de voorstelling Greg Nottrot liep halverwege het gesprek, met veel gevoel voor theater, teleurgesteld van het podium. Het is bijna onmogelijk de wereld te verbeteren, stelde hij, want we lopen constant aan tegen regels, wetten, maar vooral ook hardnekkige gedachten die het ons lastig maken. Als je een beetje je best doet zie je zoveel beren op de weg dat ieder gewenst ideaalbeeld uit beeld verdwijnt.
Onderweg naar huis na de voorstelling bleef dit beeld bij mij hangen. En de angst dat we allemaal net zo teleurgesteld zullen raken als Nottrot. Stiekem zit er in ons allemaal een idealist; de wereld een klein stukje mooier maken, dat willen we allemaal wel. De een streeft naar meer groen in de wijk, de ander naar minder vervuilde rivieren. Een huis voor iedereen. Mensen die werken aan duurzaamheid en de energietransitie hebben inmiddels misschien wel het imago van de geitenwollen sokken af weten te schudden, ze blijven wel vaak gedreven door idealen. Daarin kunnen ze de ruimtelijke ordenaars de hand schudden, denk ik. Die werken immers aan een toekomstbeeld dat vaak ook deels idealistisch is ingekleurd: groener, gezonder, met plek voor iedereen.
Dat is best wel taai, want dat vraagt om richting en een rechte rug. Ondertussen krijgen regels en procedures dan de schuld als een ambitie, zoals meer woningen bouwen of aardgasvrije wijken realiseren, blijkt te stranden. Terwijl we zelf anders hadden kunnen, nee: moeten handelen. En dat in een tijd dat we te maken hebben met hardnekkige visie- en sturingsverlegenheid in ons land. “Visie? Dan moet je naar de oogarts”, is een gevleugelde uitspraak van oud-premier Rutte geworden, die er nooit een geheim van heeft gemaakt weinig op te hebben met grootse, verreikende en meeslepende visies. Die ontbreken dan ook momenteel, terwijl we ze misschien wel goed kunnen gebruiken. Kunnen we met vereende krachten de toekomst een zetje in de goede richting geven? En is die vermaledijde Omgevingswet misschien een reddingsboei?
Saboteren van hardnekkige gedachten
Ik ben ervan overtuigd dat regels en wetten ook de energietransitie soms in de weg zitten. Maar er komt op energie gerichte wetgeving aan, zoals de Energiewet die per 1 januari 2026 van kracht wordt, die deze beren van de weg moet jagen. Daarom is het goed om eens te kijken of de regels en wetten wel de echte beren op de weg zijn. Zo is de Energiewet vooral een wet die de marktordening regelt. Ik durf, mede op basis van de ervaring met de Omgevingswet, wel de stelling aan dat de regels niet de saboteurs zijn, maar de mensen die ermee werken.
Hierover schreef Wessel Tiessens recent op LinkedIn een erg herkenbaar betoog waarin hij stelt dat we graag wijzen naar procedures en regels als boosdoeners in vastgelopen projecten. Maar dat de échte vertragingsfactoren menselijk zijn: vertrouwensgebrek, ontbrekende urgentie, interne stammenstrijd. Dat haalde Wessel uit het rapport 'Versnellen voorfase gebiedsontwikkelingen' van SITE Urban Development, dat volgens hem genadeloos blootlegt wat we stiekem al wisten maar niet wilden toegeven: het is geen technisch maar een sociaal vraagstuk. Het gaat niet om wetten en regels maar om hoe mensen ermee omgaan. Met dit in het achterhoofd opent zich een ander perspectief.
Overbruggen om werelden bij elkaar te brengen
Wetten veranderen de wereld niet. Ook de Omgevingswet niet, die is in feite niets meer en minder dan een kaderwet. Het bijzondere aan de Omgevingswet is dat die naast een wet vooral een stelselwijziging is. Hij moet aanzetten tot anders denken en doen. De verbeterdoelen achter de Omgevingswet gaan over anders werken, sneller en beter en met meer samenhang. Voor invoering van de wet ging het vaak over de ‘geest van de Omgevingswet’: niet de veranderende regelgeving zelf zou het belangrijkste zijn voor het succes van de wet, maar hoe ermee gewerkt wordt. Er werd vaak gesproken over een cultuuromslag.
Parallel daaraan ging zeven jaar geleden binnen het energiedomein het roer om, gevoed door de ervaringen met het Energieakkoord. In plaats van een ‘klassieke’ aanpak (maakbaarheid, top-down, hiërarchisch) werd gekozen voor een regionale, adaptieve en op leren en ontwikkeling gerichte aanpak (iteratief, bottom-up, gedeeld eigenaarschap). De basisgedachte van de RES is gelijkwaardig samenwerken aan de energietransitie op de schaal van de regio. Ieder vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid. Gelijkwaardig samenwerken vanuit verschillende belangen, behoeften en verantwoordelijkheden vraagt om een andere visie, aanpak en interventies dan de ‘klassieke aanpak’.
Deze beweging loopt daarmee deels gelijk op met de invoering van de Omgevingswet, die een aantal dezelfde uitgangspunten heeft en beoogt om een meer integrerende manier van werken aan de fysieke leefomgeving te combineren met ruimte voor initiatief en ruimte wil maken voor lokaal maatwerk.
Maar waar in de basis deze twee bewegingen gelijk oplopen, schuurt het ook. Bijvoorbeeld omdat de Omgevingswet draait om het bewaken van de kwaliteit van de leefomgeving door te waken over de balans tussen beschermen en benutten. Terwijl de energietransitie gebaat is bij het benutten van alle mogelijkheden om de transitie te versnellen. Bijvoorbeeld door het verkorten van ruimtelijke procedures voor het aanleggen van kabels en leidingen. Of het voorrang geven aan projecten voor de energie-infrastructuur boven andere ruimtelijke projecten. Naast energie zijn er meer ruimtelijke opgaven die vinden dat alle mogelijkheden benut moeten worden om hun eigen opgaven te realiseren. In de waterwereld staat het adagium ‘water en bodem sturend’ sinds een aantal jaar hoog op de agenda. Vanuit de gedachte dat dit centraal moet staan in de ruimtelijke inrichting van ons land.
Maar ook de woningbouwopgave vecht om voorrang. Het lijkt wel of we te maken hebben met een nationale obsessie voor versnelling van de woningbouw. Om de ambitie van 100.000 woningen per jaar te kunnen waarmaken zijn we massaal op jacht naar alles wat dit in de weg kan zitten.
Goed dat dit debat losbarst, mede met dank aan het traject STOER, waar onder leiding van Friso de Zeeuw voor Mona Keijzer wordt uitgezocht welke regels we kunnen schrappen om sneller te gaan. Het levert een levendige discussie op. Het is goed dat we kijken hoe en waar we kunnen versnellen, maar dat vraagt om een bredere blik dan alleen te kijken naar regels.
Want volgens mij is er niet één reden waarom we vastlopen. In plaats van ons bang te maken voor regels, en we ze willen wegjagen, mag er wat mij betreft meer energie naar vakmanschap. Ik geef graag een voorzet voor hoe we de ruimtelijke instrumenten die we tot onze beschikking hebben om de wereld toch een stukje mooier te maken beter kunnen benutten. Wat hebben we nodig in onze planologische instrumentenkoffer? Maar vooral: hoe gebruiken we het goed? De Omgevingswet stelt het evenwichtig toedelen van functies aan locaties/gebieden centraal. Dat de Omgevingswet (en dan bedoel ik vooral de manier van werken, niet alleen de wet- en regelgeving) een van de instrumenten kan zijn die de energietransitie kan helpen versnellen blijkt uit de verkenning ‘Oplossingsrichtingen netbewust bouwen’, die is gemaakt voor de regio rond onderstation Harderwijk. De uitkomst van de verkenning is helder: benut de Omgevingswet om provincie, gemeenten, netbeheerder en ontwikkelende partijen samen te laten optrekken en van wachten naar organiseren te gaan. Het begint niet bij kabels, maar bij keuzes in de ruimte: welk gebied mag wanneer hoeveel pieken, welke flexibiliteit bouwen we in, en hoe faseren we aansluiting en gebruik (provincie Gelderland en NP RES, 2025). Dat vraagt om elkaar opzoeken, elkaar bevragen, luisteren en samen zoeken naar oplossingen.
Het gaat niet om wetten en regels maar om hoe mensen ermee omgaan. Met dit in het achterhoofd opent zich een ander perspectief.
Wegen om de wereld mooier te maken
Waarom het zo moeilijk is om de wereld een stukje mooier te maken? Als planoloog start ik in dit hoofdstuk met een analyse vanuit het omgevingsbeleid. En bij de Omgevingswet. De verbeterdoelen van de Omgevingswet worden door niemand bestreden. Om de wereld een beetje mooier te maken zouden de vier doelen (vergroten inzichtelijkheid, integraler werken met de leefomgeving centraal, meer flexibiliteit en afwegingsruimte én snellere en betere besluitvorming) van de Omgevingswet enorm helpen. Maar de eerste onderzoeken en reflecties na ruim een jaar Omgevingswet laten zien dat deze doelen nog niet bereikt worden (Evaluatiecommissie Omgevingswet 2025). Ze brengen aan het licht dat sleutelen aan regels en procedures niet als vanzelf zorgt voor het bereiken van de zo gewenste verbeterdoelen. Sterker nog, er zijn ook volop geluiden en signalen die je ook zou kunnen interpreteren als dat het eerder de andere kant op gaat: meer complexiteit, minder integraliteit.
De gewenste (of gehoopte) cultuuromslag blijkt lastiger dan gedacht. Minister Schultz van Haegen zei in 2014: “Het succes van de Omgevingswet is 80 procent cultuurverandering en 20 procent verandering van regels.” Over die cultuurverandering schrijft de Evaluatiecommissie Omgevingswet in haar reflectie op het eerste jaar onder de Omgevingswet dat het beeld is dat ‘men in dit eerste jaar nog grotendeels is blijven werken zoals men gewend was’. Ook wordt opgemerkt dat veel wetsinstrumenten tot nu toe vooral beleidsarm zijn toegepast. ‘De mogelijkheden van de wet worden nog niet optimaal benut. Het is daardoor te vroeg om vast te stellen of de verbeterdoelen van de wet worden gehaald’ (Evaluatiecommissie Omgevingswet, 2025).
De Omgevingswet maakt de wereld dus nog niet vanzelf mooier. Dat kan een wet ook niet, de wereld wordt mooier gemaakt door mensen. En daarbij zie ik meerdere aspecten die het ons niet makkelijk maken. Allemaal aspecten die relevant zijn om te zorgen voor een succesvol huwelijk tussen energie en de ruimtelijke toekomst van ons land. In plaats van te sturen via nieuwe wetgeving of via het schrappen van regels met gelijktijdig nieuw beleid, beoog ik hiermee de weg te wijzen naar een opgefriste planologie. Niet gebaseerd op het uitschakelen van ruimtelijke procedures, zoals defensie nu soms betoogt om haar grote urgente opgave voor elkaar te krijgen, een argument waar ook een partij als TenneT mee flirt. Niet door allerlei andere pogingen tot versnellen. Maar er zijn manieren om anders naar planologie te kijken. Net zoals er bij planologen ook meer bewustwording nodig is dat energie een van de ruimtelijke opgaven is. Waarbij de sleutel ligt bij mensen, niet bij regels. Ik schets graag vier wegen die we kunnen volgen: beter omgevingsbeleid maken, integrerend werken, nieuwsgierig zijn en verbeeldingskracht benutten. Opdrachten om de wereld mooier te maken zonder dat we energieplanologie nodig hebben.
1. Ontrommel het beleidshuis: stap in de beleidscyclus van de Omgevingswet
We maken bergen beleid in ons land. Vaak sectoraal, en vaak stapelt het op. Het geheel van beleid noemen we het beleidshuis. En daar is het nogal druk. De Omgevingswet doet een dappere poging om orde te scheppen door een beperkt aantal van zes kerninstrumenten te introduceren. Voor gemeenten gaat het bijvoorbeeld om drie instrumenten: omgevingsvisie, programma en omgevingsplan. Dat heeft nog niet het gewenste effect, want we grijpen nog steeds naar allerlei andere instrumenten zoals bijvoorbeeld lokale klimaatakkoorden die geen wettelijke borging hebben.
Een paar jaar geleden schreef de WUR de Pre-verkenning Grenzeloos perspectief 8RHK’ in aanloop naar het Nationaal Programma Landelijk Gebied (dat inmiddels alweer ter ziele is). Het doel van de pre-verkenning was om voor een regio, in dit geval de Achterhoek, al het bestaande beleid eens bij elkaar te leggen en daarmee een basis te leggen voor een gedeelde aanpak, waarbij inzicht in de samenhang en complexiteit van de ruimtelijke opgaven de basis is. Het is een analyse van alle relevante beleidsplannen, ambities en plannen op zowel bovenregionaal als regionaal niveau om zo een overzicht te krijgen van de complexiteit van de opgaven, ambities en transities en inzicht daarin. De conclusies waren veelzeggend: er zijn te veel plannen (100+) om nog tot overzicht en inzicht te komen met een te grote diversiteit in zowel benadering, begrenzing en (gebieds)indelingen als (kaart)uitwerkingen. Daarom ontbreekt een gemeenschappelijke basis of gemeenschappelijk vertrekpunt en zijn de doorwerking van en verbanden tussen plannen en processen minimaal (De Rooij, Sluisman, 2021). Kortom: in zo’n rommelig beleidshuis kunnen we niet werken.
Je zal in zo’n context maar gemeenteraadslid zijn. Een kleine bloemlezing van wat er bij een gemiddeld gemeenteraadslid op het bordje kan komen:
- Er wordt gewerkt aan verplichte programma’s rondom volkshuisvesting en warmteprogramma, door de Rijksoverheid gevraagde beleidsstukken waar iedere gemeente aan werkt.
- Dat is verplicht, maar vrijwillig schrijven gemeenten nog veel meer beleid: energiebeleid, duurzaamheidsbeleid enzovoort.
- Overkoepelend valt al dit beleid onder de omgevingsvisie. Inmiddels hebben heel veel gemeenten zo’n omgevingsvisie, maar die vindt bijna niemand scherp en sturend genoeg, dus die wordt uitgewerkt in andere instrumenten. Gebiedsplannen bijvoorbeeld.
- En dan heb je op regionale schaal ook nog te maken met de RES, de woondeal et cetera. Daar worden regionaal afspraken over gemaakt, die door iedere gemeenteraad moeten worden bevestigd.
- En ondanks al dat beleid gaat het vooral om concrete projecten en gebiedsontwikkeling. Daar wordt beleid concreet en tastbaar: plannen voor nieuwe voorzieningen, woonwijken, herstructurering van bedrijventerreinen of vergroening van pleinen. Hoe dit allemaal als puzzelstukjes onderdeel vormt van het hele bouwwerk van het beleidshuis.
Het is een mijnenveld van goede bedoelingen. En we ruimen ons beleidshuis niet op, nee, we stoppen er steeds meer in. En al die drukte vertroebelt het zicht op waar we echt behoefte aan hebben: een heldere kijk op welke kant we op willen. Veel gemeenten hebben de afgelopen periode een inventarisatie van het bestaande omgevingsbeleid uitgevoerd met het oog op de implementatie van de beleidscyclus van de Omgevingswet. Dat bracht niet alleen aan het licht dat er heel veel beleid is, maar ook dat het in sommige gevallen ook tegenstrijdig is. Paradoxaal genoeg hebben we dus heel veel beleid maar bestaat er ook ‘visieverlegenheid’: we maken maar heel beperkt keuzes voor de langetermijn. Terwijl er zoveel beleid is dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Dat lijkt elkaar tegen te spreken, maar we hebben niet meer beleid nodig, maar ander beleid.
We hebben geen energieplanologie nodig wanneer energie onderdeel is van het omgevingsbeleid. De opdracht is om met het thema energie echt in te stappen in de beleidscyclus van de Omgevingswet. En een volwaardig onderdeel te worden van het ruimtelijk proces. De volgende drie opdrachten helpen daarbij.
2. Werk integrerend in plaats van integraal: zoek elkaar structureel op
Een aantal jaren geleden was ik in Vlaanderen te gast om te vertellen over de uitgangspunten van de Omgevingswet. Daarbij wees een van de aanwezigen me op een taalkundig misverstand. Belgen zijn veel secuurder met taal dan hun noorderburen. “Ik denk dat waar u integraal gebruikt, u eigenlijk integrerend bedoelt?” vroeg deze Vlaamse vakgenoot me. Integraal is alles met alles verbinden, integrerend is zoeken naar raakvlakken en die aan elkaar verbinden. Om het nog wat moeilijker te maken dat goed te doen vraagt dit ook wat van je proces. Integrerend werken is een continu proces waardoor mensen samenhangende keuzes maken met als doel om een succesvollere toekomst te realiseren. Maar de wereld staat niet stil als je de toekomst aan het verkennen bent. Sterker nog, zeker de ruimtelijke vraagstukken rondom energie vragen om tegelijkertijd stappen te zetten. Want bijvoorbeeld netcongestie kan zorgen voor vertraging van de woningbouwambities. Je moet dus schaken op meerdere borden. En naast Belgen kunnen daarbij de oude Grieken ons verder helpen. Door meer inzicht te geven in dat integrerend werken ook vraagt om anders te kijken naar tijd. De Grieken hadden twee goden van de tijd: Chronos en zijn rebelse kleinzoon Kairos, die voor verandering, inzicht en ommekeer wist te zorgen en daarom als een jonge, sterke en gespierde god wordt afgebeeld. Opa Chronos wordt als een oude man met een lange baard afgebeeld, met een zandloper in zijn hand. Hij bewaakt de traditionele opvatting van tijd: de tijd die gemeten wordt. Kairos staat voor wat we tegenwoordig ook wel serendipiteit noemen; het vinden van iets onverwachts en bruikbaars, terwijl je op zoek was naar iets totaal anders. Een voorbeeld is de ontdekking van penicilline door Alexander Fleming terwijl hij zijn laboratorium aan het opruimen was. We kunnen niet zonder een vleugje Kairos. Om integrerend te werken zijn aandacht, rust en het zorgvuldig wikken en wegen voorwaarden om het kairotische ogenblik te creëren.
Een bouwsteen om te komen tot een passende planologie om te werken aan energievraagstukken is het creëren van ruimte voor integrerend werken. In hun pamflet energie + planologie = energieplanologie noemen Anne-Marie Spierings, Mario Jacobs, Hilde Blank, Corné Strootman, Wouter Veldhuis, Huibert Baud, Dennis Straat, Alexander Woestenburg en Maarten van Poelgeest (een indrukwekkende alliantie van experts) dit een vrije ruimte als tegenhanger van de formele governance (Spierings, Jacobs, Blank et al., 2025).
De ruimte daarvoor is er niet vanzelf, die vrije ruimte moet bewust gemaakt worden. Dit wordt ook wel tussenruimte genoemd. Je kan die ook zien als het laboratorium voor integrerend werken. De opdracht is elkaar meer – en structureel – op te zoeken. Zo kan samenhang groeien. En komen we voorbij energieplanologie.
3. Wees nieuwsgierig naar de doelen van de ander: elkaar vinden op achterliggende waarden
Er is op ieder dilemma wel een wijsheid van Johan Cruijff te plakken. “Het goeie doel is niet je eigen doel”, is een van zijn legendarische uitspraken over een wetmatigheid die ons vaak in de weg zit. We focussen op ons eigen, vaak sectorale doel (voldoen aan parkeernormen, duurzaamheidseisen, aantallen betaalbare woningen) waardoor de kans op integrerende oplossingen uit beeld verdwijnt. Het integrerend werken wordt tegengewerkt door vast te houden aan je eigen doel in plaats van in te zetten op samenhang. Voorbeelden uit de woningbouw wijzen de weg. Bijvoorbeeld door duurzaamheidsdoelen te verbinden aan woningbouwdoelen. ‘Woningbouwers willen een mooiere wereld maar zitten gevangen in conservatieve gewoonten’, schreef Cobouw naar aanleiding van het RLI-advies ‘Bouwen met toekomst’. In dat advies wordt betoogd hoe het bouwen van 100.000 nieuwe woningen per jaar kan samengaan met het terugdringen van de CO₂-uitstoot in de bouw. Het advies stelt dat als er te lang woningen gebouwd blijven worden met conventionele materialen, de kans bestaat dat Nederland in een nieuwe bouwcrisis terechtkomt wanneer de Europese Unie (EU) vanaf 2030 grenzen gaat stellen aan de CO₂-uitstoot van nieuw te bouwen woningen (RLI, 2025). Door nieuwsgierig te zijn naar innovatie en verder te kijken dan je eigen doel (snel veel woningen bouwen in dit geval) voorkom je een crisis. In dezelfde lijn ligt het advies van de Commissie mer over het al eerder genoemde STOER-advies dat zoekt naar versnelling in de woningbouw door het snoeien in regels. De Commissie mer is niet tegen een vereenvoudigingsagenda om te komen tot minder regels. Dat was overigens ook al een doelstelling van de Omgevingswet. Maar de Commissie mer stelt dat zo’n vereenvoudiging ‘vooral werkt in samenhang met andere opgaven, anders creëert het geen ruimte of tempo, maar nieuwe fricties’. Ze schrijven: ‘Wanneer eenzelfde denklijn immers wordt toegepast binnen andere beleidsopgaven, leidt dat makkelijk tot meer onderlinge beleidsconfrontatie, maatschappelijke weerstand, vertraging en stapeling van kosten. Bovendien komt bij een samenhangende benadering ook het slim benutten van combinaties van opgaven in beeld zoals die rond klimaat, water of groen met woningbouw.’ Ofwel: blikvernauwing maakt meer kapot dan je lief is. Nieuwsgierig zijn is het sleutelwoord. Net zo goed als de Omgevingswet niet exclusief van juristen is, ben je er niet met een afdeling energieplanologie. En dat komt vooral omdat de kern van planologie is om te zoeken naar samenhang. Dat vraagt om kijken over sectorale grenzen. En om een ander soort van gesprek. Want bij de grote vraagstukken in de leefomgeving moeten tal van waarden tegen elkaar worden afgewogen. De weging van waarden die schuilgaat achter overheidskeuzes en maatregelen met impact op de leefomgeving blijft vaak onbesproken. Daardoor weten veel mensen niet waarom de overheid bepaalde keuzes maakt en bepaalde maatregelen treft. Bijvoorbeeld over stikstof, over mest, over windturbines, over kernenergie enzovoort. Het gevolg is een gebrek aan begrip en acceptatie in de maatschappij. En zoals, wederom, de RLI schrijft in haar advies ‘Falen en opstaan’: al wat rest is dan gesteggel over feiten (RLI, 2025).
De energietransitie is bij uitstek een voorbeeld van een vraagstuk waarbij we alleen verder komen met een gesprek langs de lijn van waarden. Netcongestie dwingt ons daar bijvoorbeeld toe. Netcongestie vraagt bij een beperkt aantal mogelijkheden om aan te sluiten op het energienetwerk om een afweging tussen economische keuzes, bijvoorbeeld de keuze tussen een datacenter en het mogelijk maken van woningbouw. De opdracht is daarbij om nieuwsgierigheid te tonen: waarom wil die ander eigenlijk wat hij wil? Welke waarden zitten daarachter? Alleen wanneer we ook de doelen van de ander doorgronden kunnen we ontdekken hoe we integrerend kunnen werken.
De opdracht is te voorkomen dat we blijven doormodderen met maatregelen voor de korte termijn waarbij de lange termijn steeds verder uit zicht verdwijnt. We hebben bovendien haast. We gaan al veel te lang niet echt hard aan de slag met het aanpakken van de grote maatschappelijke ruimtelijke opgaven. Beoogde versnellers blijken vaak vertragers te zijn. Omdat er door een rietje naar een brede opgave is gekeken en sectorale belangen daarbij te veel centraal staan. Nieuwsgierigheid kan ons redden.
4. Maak voorstelbaar wat we ons niet kunnen voorstellen: benut verbeeldingskracht
Het Friese kunstproject Bosk probeerde te laten zien hoe bomen op een positieve manier bijdragen aan het leven in de stad. Tussen mei en augustus 2022 was 100 dagen lang de binnenstad van Leeuwarden groen gekleurd. Er werden meer dan 1000 bomen in verplaatsbare bakken geplaatst op een van de pleinen van de stad, en die bomen trokken vervolgens door de stad. Van plein naar plein. Dit ‘wandelende’ bos werd in beweging gebracht door honderden deelnemers die in processie de bomen verplaatsten. Drie jaar later is men er nog niet over uitgepraat. Het project heeft enorme impact gehad op het gesprek over het vergroenen en klimaatbestendig maken van de stad.
Bosk liet letterlijk zien en voelen wat het effect van bomen is. Het hielp om een abstract begrip als hittestress tastbaar te maken. Zo werd tijdens een hete dag gemeten dat het op het Wilhelminaplein waar Bosk stond 5 graden koeler was dan op het Mata Hariplein verderop. Het is wat mij betreft een inspirerend voorbeeld van hoe we verbeeldingskracht kunnen inzetten. Verbeelding is een van de instrumenten uit de planologische gereedschapskist waarmee planologische professionals bij gemeentes, woningcorporaties en netbeheerders hun voordeel kunnen doen in een ingewikkelde context met uiteenlopende ambities en belangen. In de frontlinie van de grote ruimtelijke transformatie, zoals de energietransitie, wordt ruimtelijk beleid concreet. In plaats van conflict en stagnatie, bijvoorbeeld rondom verduurzaming en woningbouw, kan verbeeldingskracht, zoals in het voorbeeld van Bosk, een nieuw perspectief bieden. ‘Planologie van verbeelding en uitvoering’ was niet voor niks de titel van de oratie van Stan Majoor bij de aanvaarding van zijn betrekking als bijzonder hoogleraar lokale planologische professionals. We kunnen ons niet zo goed voorstellen wat de ruimtelijke impact van de energietransitie kan zijn, en juist daarom moeten we niet vluchten in spreadsheets en schema’s, maar in verbeelding. Een nieuwe planologie, die van verbeelding en uitvoering, moet een verbindend verhaal zijn over de ruimtelijke toekomst van onze steden en wijken in combinatie met de kracht van partijen die hier samen vorm aan geven. Dat laatste is iets dat nu vaak ontbreekt, aldus Majoor (Majoor, 2025).
Wat voor gevaar er op de loer ligt hebben we kunnen zien in de decennia na de Tweede Wereldoorlog, toen ‘cityvorming’ in de stedenbouw een dominante stroming was. Door technologische en economische ontwikkelingen groeide het autogebruik en werden grotere constructies zoals flats, verhoogde snelwegen en grote parkeergarages mogelijk. Overal in het land ontstonden plannen en grote projecten bedoeld om de bereikbaarheid van de oude binnensteden te vergroten. In meerdere steden werd gewerkt aan plannen om hele delen van de stad te slopen om plaats te maken voor stadssnelwegen en grote kantoor- en wooncomplexen met parkeergarages. Deze plannen werden deels uitgevoerd en leverde ons bijvoorbeeld Hoog Catharijne op en de Wibautstraat in Amsterdam en zorgde ook voor de herontwikkeling van het gebied rond het centraal station van Den Haag. Maatschappelijke weerstand in de jaren ’70 en ’80 zorgde voor een kentering. De plannen gingen van tafel. In Utrecht is inmiddels een deel van de littekens die deze plannen veroorzaakten in de stad weer uitgewist: de oude singelstructuur is hersteld en het stukje snelweg midden in de stad waarvoor een deel van de singel werd gedempt is weer afgebroken.
Waarom dit stukje geschiedenisles? Omdat er een aantal opvallende parallellen zijn met de wijze waarop we op dit moment het energiesysteem benaderen. In de plannen uit de jaren ’50 en ’60 was de bereikbaarheid per auto het hoogste doel, ook in binnensteden. En voerde een vervoersmodaliteit (gemotoriseerd wegverkeer) de boventoon. De plannen werden gemaakt vanuit een (eenzijdig) vooruitgangsgeloof. Parallellen met het denken over het energiesysteem van de toekomst zijn evident, bijvoorbeeld de focus op elektriciteit als drager en de aanname dat gebruikers in toekomst hetzelfde gedrag vertonen in vraag en aanbod als nu.
De opdracht is daarmee helder: voorstelbaar maken wat we ons nu niet kunnen voorstellen. Daarbij helpt het om minder gericht te zijn op techniek en meer de verhalenvertellers te zijn. Die niet zoeken naar een plek voor de uitrol van het energiesysteem vanuit het hier en nu en de oplossingen die we nu kennen. Maar een haalbare, duurzame en aantrekkelijke toekomst schetsen. Niet focussen op plek creëren voor 50.000 transformatorhuisjes maar ons laten dromen van een wereld zonder transformatorhuisjes.
Als we werken langs deze vier wegen maken we energieplanologie overbodig. We benutten de Omgevingswet doelbewust om de energietransitie in ons ruimtelijke beleid mogelijk te maken, we werken integrerend en koppelen verbeeldingskracht aan vakmanschap. Energie wordt een volwaardig onderdeel van ruimtelijke planvorming, zit aan tafel en heeft geen eigen planologie nodig.
Een bouwsteen om te komen tot een passende planologie om te werken aan energievraagstukken is het creëren van ruimte voor integrerend werken.
Toekomstbeeld gezocht
Het maakt me onrustig als ik me soms realiseer dat we momenteel grote ruimtelijke keuzes maken en daarbij wel erg veel uitgaan van de korte termijn in plaats van te denken vanuit de gewenste toekomst. In het promotieonderzoek van Mark Koelman naar de ruimtelijke inpassing van energie zie je hetzelfde terug. Koelman stelt dat zolang we geen gezamenlijke toekomstbeelden durven te schetsen, we blijven hangen in losse projecten en netuitbreidingen die vaak juist méér spanning en vertraging veroorzaken. Wat Koelman daarbij opvalt is dat we vragen om participatie en draagvlak, maar nauwelijks om duidelijkheid over waar we écht heen willen (Koelman, 2025). Zonder richting wordt de energietransitie niet alleen duurder, maar ook minder eerlijk en uitvoerbaar, is zijn overtuiging. De RES biedt op dit moment deze richting onvoldoende.
De gedachte achter de RES is dat het makkelijker zou zijn om het gewenste doel te bereiken als overheden samen met netbeheerders, maatschappelijke organisaties en energiecoöperaties op regionale schaal het heft in handen nemen binnen de kaders van een vastgesteld gezamenlijk nationaal doel. De RES schetst eigenlijk slechts een regionale uitwerking van hoe de regio kan bijdragen aan dit nationale doel, en niet echt een wenkend perspectief. Tegelijkertijd heeft de RES alleen indirect een ruimtelijke doorwerking, omdat deze niet een-op-een is doorvertaald in omgevingsbeleid (omgevingsvisie, programma en omgevingsplan). Daardoor is de juridische borging van een RES beperkt. In het Manifest De kracht van de Regio 2025 zijn eerste hoopvolle voorbeelden samengebracht waarin bijvoorbeeld juist het Omgevingswet-instrument ‘omgevingsprogramma’ wordt benut (NP RES, 2025), maar dit is nog geen gemeengoed.
Dat er een vastgesteld nationaal doel is, is wel een belangrijke factor van de RES. Het doel biedt namelijk wel een helder kader. Wanneer we dat willen doortrekken in het omgevingsbeleid wreekt het zich dat we eigenlijk geen goed toekomstbeeld hebben waarin er een ruimtelijke verbeelding is gemaakt van het energiesysteem van de toekomst. We hebben geen gedeeld beeld waar we naartoe willen. Dit kan zomaar leiden tot een dure en onuitvoerbare versie van ons energiesysteem. Daarom hoor je tegenwoordig ook een roep om samen te komen tot een reële, aantrekkelijke visie op de toekomst, waarin onze visies op de samenleving, economie en ruimtelijke inrichting van de toekomst samenkomen, en waarbij een energiesysteem medesturend is. Het energiesysteem van de toekomst start met de zoektocht naar hoe we willen dat Nederland in 2050 in elkaar zit. Contouren zijn er wel, bijvoorbeeld dat het energiesysteem meer decentraal zal worden. Maar hoe dat er precies uitziet is niet uitgetekend. Bijna niemand durft zijn échte toekomstbeeld van het Nederland van 2050 te presenteren en daarop de keuzes van zijn of haar organisatie te baseren. We hebben massaal last van visieverlegenheid.
Ik begon mijn zoektocht bij de Omgevingswet. Ik eindig bij het ongrijpbare begrip ‘de geest van de Omgevingswet’. Een term waar juristen vaak zenuwachtig van worden en dat voor bestuurders lastig te vatten is. Voor mij gaat dat allereerst om het benutten van de formele instrumenten die de Omgevingswet ons biedt. Maar vooral om hoe je daarmee omgaat. Het inzetten van verbindingskracht en verbeeldingskracht. Door richting te geven. Ik denk dat energieplanologie ons in ieder geval tijdelijk wellicht verder op weg kan helpen, maar dan wel vanuit een heldere visie. Visieverlegen energieplanologen zullen niet helpen versnellen. Maar bovenal roep ik op tot meer nieuwsgierigheid. Dit essay bood mij de kans om mijn eigen nieuwsgierigheid te kunnen voeden. Ik heb veel geleerd, en ik wens iedereen eenzelfde reis toe. Ik wil graag afsluiten met Pipi Langkous. Haar meest gebruikte citaat blijkt ze helemaal nooit gezegd te hebben. Op de officiële website van Astrid Lindgren, de schrijfster van Pippi Langkous, staat onder het kopje ‘Populaire maar verkeerde citaten’ dat de allerberoemdste quote van Pippi helemaal niet van haar ís. ‘Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan’ wordt heel vaak toegeschreven aan Pippi, maar Astrid Lindgren heeft die zin nooit geschreven, en er is ook geen bron die bevestigt dat het wel woorden van Langkous zijn, zo luidt de verklaring op de website. Voor sommigen valt een jeugdherinnering in duigen. Ik moest vooral aan Pippi’s vriendinnetje Annika denken. Die was altijd bang en voorzichtig. En behoedde daarmee Pippi meermaals voor al te drieste avonturen. Zonder Annika had Pippi het niet overleefd.
Met deze twee Zweedse hartsvriendinnen in het achterhoofd maken we energieplanologie overbodig door consequent te toetsen of ieder ruimtelijk plan of besluit integrerend onderbouwd is. Daarbij helpt het om bewust vrije ruimte te creëren voor de juiste afweging en maatwerk. Waarbij we niet afwegen op basis van spreadsheets. Een eerste stap daarnaartoe is verbeelding inzetten. Het helpt om te werken aan één gedeeld toekomstbeeld waaraan ruimtelijke besluiten kunnen worden getoetst. We hebben geen energieplanologie nodig, maar de verbeeldingskracht van Pippi en de verbindingskracht van Annika. Om de wereld een stukje mooier te maken. Dat is hard nodig.
Energie wordt een volwaardig onderdeel van ruimtelijke planvorming, zit aan tafel en heeft geen eigen planologie nodig.
Referenties
- Om dat enorme bedrag van € 200 miljard in een context te plaatsen: In de Rijksbegroting voor 2026 is € 9,4 miljard begroot voor het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO). Waarvan 80% gaat naar de woningmarkt.
Ik heb inspiratie voor dit essay gehaald uit talloze berichten op sociale media en gesprekken met Jaring Hiemstra, Arjan Raatgever, Bertram van der Wal, Mark Koelman, Liz van Blitterwijk, Laszlo van der Wal, Yourai Mol en Cato Bechtold.
- Rijksoverheid (2025). Ontwerp-Nota Ruimte 2025.
- Mark Koelman (2025). SPATIAL CONFLICTS OF ENERGY TRANSITION: dilemmas of government, landowners, land use conflicts, and renewable energy development.
- Evaluatiecommissie Omgevingswet (2025). In werking, maar onderbenut: reflectierapport.
- L.L. de Rooij, J.J.L. Sluijsmans (2021). Grenzeloze 8RHK: werkdocument Preverkenning NPLG (WUR).
- Stan Majoor (2025). Planologie van verbeelding en uitvoering.
- Peter Pelzer (2024). Verantwoordelijk voor de toekomst; Op zoek naar een planologie van de lange termijn.
- Provincie Gelderland en NP RES (2025). Oplossingsrichtingen netbewust bouwen: Hoe gemeenten en provincies kunnen sturen op woningbouwontwikkelingen bij netcongestie (pilot: onderstation Harderwijk).
- NP RES (2025). Manifest De kracht van de Regio 2025.
- Netbeheer Nederland (2023). Nationale uitvoeringsagenda regionale infrastructuur.
- NSOB (2024.) Ruimte in regie; Adviseren over dilemma’s van netwerkregie in het fysiek domein.
- WRR (2025). Deskundige overheid, WRR-rapport nr. 113.
- RLI (2023). De uitvoering aan zet.
- RLI (2025). Falen en opstaan.
- RLI (2025). Bouwen met toekomst.
- Spierings, Jacobs, Blank et al. (2025). Essay energie + planologie = energieplanologie.
- Commissie reageert op adviesgroep STOER, nieuwsbericht, 15 juli 2025. www.commissiemer.nl
- Cobouw (2025). Woningbouwers willen mooiere wereld maar zitten gevangen in conservatieve gewoonten.
- Gemeente.nu