Hans Stegeman - Over de brug met de energietransitie: geld als drager, niet als rem

We hebben stenen genoeg om een brug te bouwen voor de energietransitie: technologie, projecten, kapitaal. Maar los van elkaar zijn ze geen brug. In dit essay laat Hans Stegeman zien hoe we van losse stenen een brug maken. Door vraag te begrenzen, innovatie te richten en de financiële spelregels te herschrijven draagt geld eindelijk de transitie in plaats van dat het een rem erop is.

Door: Hans Stegeman - hoofdeconoom en directeur Impact & Economics bij Triodos Bank
Externe video

Over de auteur


Hans Stegeman is hoofdeconoom en directeur Impact & Economics bij Triodos Bank. Hij promoveerde op de transformatie van de economie naar duurzaamheid en schrijft regelmatig over de noodzaak om ons economische systeem fundamenteel te veranderen. In zijn werk verbindt hij economische analyse met maatschappelijke en ecologische vragen, en zoekt hij naar praktische wegen om van theorie naar praktijk te komen. Naast zijn rol bij Triodos is hij columnist bij het Financieele Dagblad en Vrij Nederland en actief in het publieke debat over de economie van de toekomst.

Inleiding


De energietransitie dendert in Nederland zichtbaar voort: windmolens rijzen uit zee, daken vullen zich met zonnepanelen en groene obligaties vliegen van de plank. Aan de oppervlakte lijkt het alsof we goed op weg zijn.

Toch wringt er iets. Onder de glanzende cijfers blijft de fundamentele logica van ons economische en financiële systeem onveranderd: de focus ligt op winst en groei. Dat leidt ertoe dat de uitstoot van broeikasgassen weliswaar daalt, maar dat de totale energievraag tegelijk blijft toenemen door voortdurende economische groei. En het betekent dat naast de forse groei van hernieuwbare energie, de financiering van fossiele activiteiten slechts mondjesmaat is teruggebracht.

Daar komt bij dat veel maatschappelijk wenselijke investeringen – zoals meer en goedkopere financiering van de energietransitie – vaak niet het vereiste rendement opleveren, waardoor er onvoldoende kapitaal naartoe stroomt. Dit wordt doorgaans aangeduid als het ‘financieringsgat’. De standaardreactie is dat de financiële sector dan maar ‘gewoon’ moet bijdragen, eventueel geholpen door de overheid via garanties of subsidies.

Te vaak klinkt het geruststellend: we’ll cross that bridge when we get there. Maar die brug ligt er nog niet. Zolang we wachten, blijven we aan deze kant van de rivier staan, kijkend naar de overkant en zonder manier om er te komen. En dat is precies de uitdaging waar dit essay over gaat. Over een brug die uit meerdere bogen bestaat om de energietransitie succesvol te maken.

Zolang de economie afhankelijk blijft van voortdurende groei en de financiële sector vasthoudt aan de logica van maximaal rendement, blijft fossiel te aantrekkelijk om mee te stoppen en verdere stappen in het financieren van de energietransitie te risicovol om aan te beginnen. En zo blijft er een gat tussen wens en praktijk, waarbij iedereen voor financiering naar de overheid kijkt. Dan wordt die brug van de energietransitie nooit gebouwd. En kunnen we er helemaal niet overheen lopen.

De enige wezenlijke doorbraak komt als we een aantal regels in de economie én de financiële sector aanpakken. Een systeemtransitie om de energietransitie te laten slagen. Alleen dan kan de transitie op de juiste manier gefinancierd worden: niet als bijproduct van winstmaximalisatie, maar als bewuste keuze voor een duurzame toekomst.

In dit essay ga ik eerst in op waar we staan in de energietransitie en de financiering ervan: er is veel gebeurd, maar ook nog veel te doen (paragraaf 1 en 2). Vervolgens bespreek ik de onderliggende economische systeemvraagstukken die de transitie vertragen: reboundeffecten, groeiafhankelijkheden en padafhankelijkheden (paragraaf 3). Daarna richt ik me op de uitdagingen binnen het financiële systeem: waarom is het zo lastig om van daaruit de transitie verder te brengen (paragraaf 4)? In paragraaf 5 kom ik met voorstellen om de energietransitie te versnellen: veranderingen in het economische systeem en in het financiële systeem die samen een nieuw, duurzamer bouwwerk kunnen vormen.

De grootste fout is te denken dat de brug maken van de energietransitie een technologisch vraagstuk is. De uitdaging is juist om sociaal-economische regels en gedrag te veranderen. We hebben haast, en geld kan ons helpen óf tegenhouden. Het is tijd om te kiezen.

Zolang de economie afhankelijk blijft van voortdurende groei en de financiële sector vasthoudt aan de logica van maximaal rendement, blijft fossiel te aantrekkelijk om mee te stoppen en verdere stappen in het financieren van de energietransitie te risicovol om aan te beginnen.

De snelle transitie van het aanbod, met meer vraag


De energietransitie is de afgelopen jaren in Nederland vooral aan de aanbodkant spectaculair op gang gekomen. De productie van duurzame energie is de afgelopen 20 jaar met ruim 440% toegenomen. Voor het eerst was in 2024 meer dan de helft van de in Nederland geproduceerde energie uit hernieuwbare bronnen (1). We produceren echter maar grofweg een kwart van wat we consumeren.

Tegelijkertijd nam de primaire energieconsumptie in diezelfde periode met 23% af. Het aandeel hernieuwbare energie in die vraag steeg van 2% in 2004 naar 15% in 2024. Daardoor is er nog steeds sprake van een forse, maar dalende CO₂-uitstoot. In totaal daalden de Nederlandse emissies sinds 2004 met 36%, Het grootste succes is echter de daling van de emissie-intensiteit: de uitstoot per euro inkomen of productie, zoals gemeten door het bruto binnenlands product. In de periode sinds 2004 is deze in Nederland met 52% afgenomen. Dat is een indrukwekkend resultaat, mogelijk gemaakt door een schonere energiemix én efficiëntere economische activiteit.

Lijngrafiek die voor de periode 2004 - 2024 de ontwikkeling van de emissies broeikasgassen en het Bruto Binnenlands Product (BBP)

Figuur 1. Ontwikkeling emissies broeikasgassen en bbp.

Toch is dit succes minder robuust dan het lijkt. Een Kaya-identiteitsanalyse (2) laat zien dat economische groei niet structureel is ontkoppeld van emissies. De identiteit splitst de ontwikkeling van emissies op in vier factoren: bevolkingsgroei, welvaartsgroei (bbp per capita), energie-intensiteit en koolstofintensiteit. Voor Nederland geldt dat tussen 2004 en 2024:

  • de bevolking met circa 10% toenam;
  • het bbp per hoofd met 24% groeide;
  • de energie-intensiteit van de economie met 36% daalde;
  • de koolstofintensiteit van energie met 27% afnam.

Per saldo leidde dit tot 36% minder emissies. Maar de analyse maakt duidelijk dat de groei van bevolking en welvaart substantieel opwaarts drukte op de emissies, terwijl die druk alleen kon worden gecompenseerd door forse verbeteringen in efficiëntie en een schonere energiemix. Met andere woorden: de emissiereductie van de afgelopen twintig jaar is vooral ‘verdiend’ door technologische en energetische verbeteringen, niet doordat bij een grotere economie een lagere energievraag hoort.

Dit sluit aan bij de literatuur die benadrukt dat relatieve ontkoppeling (minder emissies per eenheid bbp) niet zonder meer leidt tot absolute ontkoppeling op de lange termijn(3). De groei van het bbp (4) heeft in Nederland de afgelopen 20 jaar de uitstoot met bijna 30% opwaarts geduwd – een structurele groeiafhankelijkheid die de energietransitie kwetsbaar maakt.

Volgens het PBL blijft het daarom lastig om de doelstellingen voor 2030 te halen, zeker nu sommige beleidsmaatregelen zijn afgezwakt (5). De Kaya-analyse laat zien waarom: zolang economische groei en bevolkingsgroei blijven zorgen voor een hogere energievraag, moet de reductie van energie- en koolstofintensiteit nóg veel sneller gaan om de klimaatdoelen te bereiken.

De emissiereductie van de afgelopen twintig jaar is vooral ‘verdiend’ door technologische en energetische verbeteringen, niet doordat bij een grotere economie een lagere energievraag hoort.

Meer hernieuwbare financiering, maar ook nog steeds veel fossiel


De afgelopen 20 jaar is private financiering in Nederland steeds nadrukkelijker richting hernieuwbare energie verschoven. Op de kapitaalmarkt is Nederland een Europese koploper in groene obligaties. Eind juli 2023 stond er € 122,9 miljard uit aan Nederlandse green bonds, goed voor circa 6% van alle uitstaande schuld. De overheid geeft sinds 2019 groene staatsleningen uit (6); in juli 2024 stond er circa € 24,9 miljard uit, bijna 7% van de totale staatsschuld (7).

Daarnaast groeit de rol van projectfinanciering sterk. Tussen 2015 en 2022 werd in Nederland ongeveer € 12,8 miljard in wind en € 3,4 miljard in zon geïnvesteerd, met name via projectleningen. In 2023 hadden Nederlandse banken wereldwijd circa € 11,9 miljard in projectfinanciering voor wind en zon uitstaan, waarvan € 3,6 miljard in Nederland. Tegen 2030 wordt verwacht dat samen € 33,8 miljard in wind- en zonneprojecten gefinancierd zal zijn, tegenover een geschatte investeringsbehoefte van € 39 miljard (8).

In bredere zin rapporteerde de financiële sector zelf in de Voortgangsrapportage Klimaatcommitment 2024 (9) dat eind 2023 gezamenlijk € 56 miljard financiering aan zonne- en windenergie uitstond, € 92,5 miljard aan groene obligaties, € 72 miljard aan duurzame hypotheken en € 23 miljard aan duurzame infrastructuur. Tegelijkertijd bedroeg de geaggregeerde fossiele-energiefinanciering nog € 54 miljard.

Daarmee is duidelijk dat de bijdrage aan hernieuwbaar fors is gegroeid, maar dat er van een serieuze afbouw van fossiele financiering nog geen sprake is. Onderzoek van Eerlijke Geldwijzer/Profundo laat zien dat tussen 2016 en 2023 circa 69% van de bancaire kredietverlening aan energiebedrijven fossiel was (€ 51,2 miljard) en slechts 21% duurzaam (€ 13,6 miljard) (10). Van de beleggingen in de energiesector gaat 16% naar hernieuwbare energie en 84% naar fossiel. Hoewel het aandeel duurzaam de laatste jaren stijgt, blijft fossiel in absolute termen substantieel.

De financiële sector is wel druk bezig geweest om de energietransitie verder te brengen. In 2019 gaf de sector een gezamenlijk klimaatcommitment af (11), waarin banken, verzekeraars en pensioenfondsen afspraken maakten om de energietransitie te financieren, de CO₂-uitstoot van hun portefeuilles te meten en reductiedoelen te publiceren. Veel instellingen hebben daarnaast beloofd om in 2050 (of eerder) ‘net zero’ te zijn.

Voor financiële instellingen betekent dat niet alleen dat de eigen operatie emissievrij moet zijn (energie van gebouwen, reizen, woon-werkverkeer, inkoop), maar ook de zogenaamde gefinancierde emissies: alle uitstoot die samenhangt met hun leningen en beleggingen. Dat betekent dus dat alles wat gefinancierd wordt – van hypotheken tot projectleningen en bedrijfsobligaties – richting netto nul moet.

Om dat te bereiken hebben instellingen verschillende opties:

  1. Uitsluiten van nieuwe fossiele projecten en het afbouwen van bestaande fossiele posities.
  2. Heroriënteren van kredietverlening en beleggingen naar hernieuwbare energie, infrastructuur en energie-efficiëntie.
  3. Engagement en stewardship: bedrijven waarin wordt geïnvesteerd onder druk zetten om hun transitieplannen te versnellen.
  4. Innovatieve instrumenten: gebruik van sustainability-linked leningen en obligaties met expliciete emissiereductiedoelen.

De cijfers laten zien dat private financiering in Nederland richting hernieuwbaar (optie 2) beweegt: de volumes in wind, zon, groene obligaties en hypotheken zijn indrukwekkend. Maar de andere helft van het verhaal is dat fossiele financiering (optie 1) nauwelijks afneemt. Ondanks alle beloften en commitments is de absolute fossiele blootstelling nog steeds groot. Ook is er slechts zeer beperkt bewijs dat optie 3 (het in dialoog gaan met bedrijven) vaak en succesvol gebeurt en wordt optie 4 beperkt toegepast.

De uitdaging voor de komende jaren is daarom niet alleen opschalen van hernieuwbaar, maar vooral ook versneld afbouwen van fossiel. En een ding is zeker: dat gaat niet vanzelf gebeuren.

De uitdaging voor de komende jaren is daarom niet alleen opschalen van hernieuwbaar, maar vooral ook versneld afbouwen van fossiel.

De weerbarstige macro-economie


De energietransitie wordt vaak gepresenteerd als een technologische puzzel: vervang fossiele energie door hernieuwbare bronnen en we zijn er. Maar zo eenvoudig is het niet. De context waarin die transitie plaatsvindt is niet neutraal: het is een economie die in al haar vezels afhankelijk is van voortdurende groei en gestuurd wordt door winst. Dat geeft drie hardnekkige dynamieken die telkens weer extra energiegebruik en emissies veroorzaken: groeiafhankelijkheden, reboundeffecten en een innovatierichting die door winst wordt bepaald.

Groeiafhankelijkheden

Een economie die niet groeit, wankelt. Niet omdat mensen minder gelukkig zijn bij nul groei, maar omdat de instituties van onze economie gebouwd zijn op expansie. Zonder groei lopen publieke financiën vast, stijgt de werkloosheid en komt de financiële sector onder druk. Een systematische review bracht meer dan honderd afzonderlijke mechanismen in kaart die groei tot voorwaarde maken voor stabiliteit. De zwaartepunten liggen bij (i) de monetaire economie en schuld, (ii) marktconcurrentie en winstmaximalisatie, en (iii) de financiering van de verzorgingsstaat (12).

  1. Monetaire en financiële afhankelijkheden: Bij lage groei wordt schuld ten opzichte van de terugverdiencapaciteit al snel een probleem; private schuld met rente kan historisch gezien bij uitblijvende groei tot onbetaalbaarheid leiden, waarna schuldkwijtschelding of renteverboden periodiek als noodrem opduiken (13). Schuld is niets anders dan een claim op toekomstige productie. Dus drukt een schuldenlast zwaarder bij minder groei.
  2. Concurrentie en winstlogica: In een economie met winstmaximaliserende bedrijven dwingt concurrentie tot kostenreductie, schaalvergroting en kapitaalaccumulatie; stagnatie vergroot faillissementsrisico’s en overnamegevoeligheid van ‘trage’ bedrijven, bedrijven die niet de door de eigenaren geëiste winsten behalen. Dit maakt een stabiele ‘nulgroei’ in een pure-for-profit-setting kwetsbaar.
  3. Publieke financiën en de verzorgingsstaat: Zonder groei krimpt de belastinggrondslag relatief ten opzichte van uitgaven voor pensioenen, zorg en onderwijs (zeker bij vergrijzing), wat ofwel hogere lasten, ofwel lagere voorzieningen impliceert – beide politiek precair.

Voor de energietransitie betekent dit dat zelfs als technologische mogelijkheden ruimschoots aanwezig zijn, de systeemdruk richting groei en dus een toename van de energievraag blijft bestaan. Nederland is daar een duidelijk voorbeeld van. De Kaya-identiteit laat zien dat de uitstoot de afgelopen twintig jaar daalde door forse verbeteringen in efficiëntie en schonere energie, maar dat bevolkings- en welvaartsgroei tegelijk opwaartse druk bleven uitoefenen. Mondiaal is dit effect nog groter: door toegenomen welvaart en een toegenomen wereldbevolking groeit nog steeds het energieverbruik en is er nog helemaal geen sprake van een energietransitie (14).

Dit raakt aan het debat van groene groei versus ontgroei: als economische activiteit steeds verder wordt ontkoppeld van energiegebruik (groene groei), bestaat de suggestie dat we duurzaam kunnen zijn. Echter, ook als groene groei theoretisch zou kunnen, verkleint groei de manoeuvreerruimte om emissies en materiaalgebruik snel genoeg te verlagen; het is rationeel om de groeiafhankelijkheden eerst te verkleinen (15).

Reboundeffecten

Een tweede valkuil is dat efficiëntie vaak niet oplevert wat ze belooft. Dat wist William Stanley Jevons in 1865 al, toen hij zag dat zuinigere stoommachines niet tot minder kolenverbruik leidden maar juist tot méér (16). Lagere kosten per eenheid maakten de toepassing van stoomkracht aantrekkelijker en breder inzetbaar. Deze Jevonsparadox is sindsdien theoretisch en empirisch verfijnd in wat we nu reboundeffecten noemen.

De literatuur onderscheidt daarbij consequent drie mechanismen. Ten eerste het directe reboundeffect: wanneer een technologie efficiënter wordt en het gebruik per eenheid ervan goedkoper, neemt het gebruik ervan toe (de automobilist rijdt meer kilometers als de kilometer goedkoper wordt). Ten tweede het indirecte reboundeffect: de geld- en tijdsbesparingen door efficiëntie worden elders besteed, vaak aan consumptie die óók energie en materialen vergt (de uitgespaarde brandstofkosten worden bijvoorbeeld een vliegreis). Ten derde het economy-wide reboundeffect: op macroniveau zorgen algemene efficiëntiewinsten voor hogere productiviteit, lagere prijzen en extra output, waardoor de totale energie- en materiaaldraaglast van de economie stijgt (17, 18, 19).

Empirisch zijn de effecten substantieel. Overzichten schatten directe rebounds in huishoudens en transport vaak op 10 tot 30 % van de verwachte besparing; indirecte rebounds liggen in dezelfde orde, maar zijn contextgevoeliger. De grootste slag zit in de economiebrede dimensie: recente macroschattingen wijzen op 50 tot 100% ‘terugkaatsing’ van besparingen door extra economische activiteit. Met andere woorden, besparingen worden op systeemniveau grotendeels opgesoupeerd (20).

In een groeigerichte marktomgeving wordt efficiëntie endogeen tot groeiprikkel, waardoor relatieve besparingen zelden duurzame, absolute dalingen opleveren (21).

Niets maakt rebound zo tastbaar als onze auto’s: zuinigere motoren worden onmiddellijk opgeslokt door zwaardere carrosserieën en dikkere banden. Efficiëntiewinst wordt niet ingezet voor minder verbruik, maar voor meer luxe, meer massa, meer snelheid. Het gemiddelde gewicht van in Europa geproduceerde voertuigen steeg van 1411 kg (2020) naar 1462 kg (2022), een toename van 50 kg in slechts 2 jaar – een duidelijke indicator dat efficiëntiewinsten deels worden gecompenseerd door omvangstoename (22). Ook de langere historie laat dit zien: auto’s namen gemiddeld 21% in gewicht toe tussen 2001 en 2022 in Europa (23). Stel: een auto van 1000 kg verbruikt 6 l/100 km. Bij een 20% zuinigere motor zou dat 4,8 l/100 km kunnen zijn; maar als het voertuig door 'autobesitas' groeit naar 1300 kg, kruipt het verbruik terug naar ~6 l/100 km. Weg milieuwinst. Efficiëntie wordt niet ingezet voor minder verbruik, maar aangewend voor technologische uitbreiding (‘technological sprawl’): als computers 1000 keer zuiniger worden, vinden we manieren om die chips in alles te stoppen van telefoons tot datacenterswaardoor de energievraag juist stijgt (24).

Efficiëntie is dus nooit neutraal. In een groeigedreven markteconomie worden lagere kosten per eenheid vrijwel automatisch gebruikt om meer te doen. Wie rebound serieus neemt, combineert technologiebeleid daarom altijd met prijzen, normen én volumebeleid.

Winst bepaalt richting

De derde dynamiek zit in de manier waarop innovatie wordt gestuurd. Vaak klinkt innovatie alsof zij een neutraal proces is: betere technologie komt vanzelf in de markt. Maar in werkelijkheid volgt technologische vooruitgang het spoor van winst, niet van maatschappelijke noodzaak.

Neem energieopslag. Technisch is er veel mogelijk en de kosten van batterijen dalen al jaren. Toch stokt de uitrol zodra het verdienmodel onduidelijk is, bijvoorbeeld als prijsverschillen op de stroommarkt te klein of te volatiel zijn om investeringen terug te verdienen. Zolang bestaande gascentrales met afgeschreven infrastructuur en voorspelbare kasstromen een hogere (risicogewogen) rente opleveren, vloeit het kapitaal daarheen. De kapitaalmarkt volgt (kortetermijn)winst, niet de laagste maatschappelijke kosten. Dat is precies wat de theorie van gerichte technologische verandering voorspelt: zonder stevige prikkels richting ‘schoon’ blijven R&D en adoptie hangen in wat historisch rendeerde (25).

Dit patroon wordt versterkt door lock-in (26): we hebben kapitaal, vaardigheden en instituties opgebouwd rond centrale, fossiele systemen. Die ‘ingebedde’ infrastructuur trekt nieuw geld naar zich toe en maakt omschakelen duurzamer dan het op papier lijkt. Dit probleem speelt nog sterker bij de overgang van centrale naar decentrale energieopwekking, waar een groot deel van energietransitie op dit moment uit bestaat. Fossiele energie is kapitaalintensief en grootschalig: olievelden, raffinaderijen, kolencentrales. Dat sluit goed aan bij de logica van financiële markten die houden van grote, geconcentreerde projecten met voorspelbare cashflows en marktmacht (27). Hernieuwbare energie daarentegen is vaak decentraal, modulair en verspreid: duizenden kleine wind- en zonneprojecten, met lagere toetredingsdrempels en kleinere marges. Vanuit maatschappelijk oogpunt is dit positief — het democratiseert energieproductie — maar vanuit een winstlogica is het lastiger schaalbaar en moeilijker te concentreren. Dat verklaart ook waarom grote energiebedrijven en banken pas echt instappen als hernieuwbare projecten óf heel grootschalig worden (offshore windparken), óf worden ingebed in financiële structuren die hun rendement voorspelbaar maken (groene obligaties, subsidies).

In de praktijk zie je dan dat grootschalige, offshore windprojecten wél snel kapitaal aantrekken – daar zijn grote tickets, langlopende contracten en relatief voorspelbare kasstromen – terwijl kleinschalige, decentrale oplossingen (dak-PV, wijkwarmte, opslag achter de meter) moeite hebben met financiering: de opbrengsten zijn versnipperd, transactiekosten hoger en marktmacht is moeilijker te organiseren. Uit een systeemperspectief is die decentraliteit aantrekkelijk (weerbaarder, democratischer), maar vanuit een winstlogica minder schaalbaar en lastiger te concentreren (28).

De auto-industrie biedt een vergelijkbare les: hogere CO₂-prijzen en normering kunnen innovatie richten (29). Zonder die prikkels in de vraag (consumenten) én het aanbod (R&D) blijven fabrikanten steken in paden met de meeste (private) winst – grotere, zwaardere modellen met hoge marges – zelfs als schonere alternatieven op systeemschaal goedkoper zijn.

Kortom: in een marktomgeving bepaalt winst, en bepalen niet ‘de laagste kosten’, laat staan de laagste ecologische kosten, de richting en het tempo van innovatie. Wie de energietransitie wil versnellen, moet die richting bewust bijsturen. Met beprijzing van vervuiling, normen die lock-ins doorbreken en publieke investeringen die decentrale, modulair verspreide oplossingen bankable maken. Pas als het winstprofiel van schoon en decentraal overtuigend is, stroomt het geld daar vanzelf naartoe.

De consequentie

Deze drie mechanismen maken duidelijk waarom de energietransitie zo stroperig verloopt. Daar komen nog ‘standaard’ marktproblemen (30) bij, zoals kortetermijndenken, het niet internaliseren van externe effecten door bijvoorbeeld beprijzen, verbieden of eigen verantwoordelijkheid, en gebrek aan concurrentie door te veel marktmacht, die alleen de transitie beperken.

Dit betekent niet dat technologie onbelangrijk is, maar wel dat ze zonder institutionele verandering onvoldoende oplevert. De energietransitie raakt daarmee de kern van ons economisch bestel: zolang we groei en winst centraal blijven zetten, lopen we achter de feiten aan. Daar is geen eenvoudige oplossing voor, dat vergt een systeemtransitie. De brug naar een duurzame economie kan dan niet afgemaakt worden, omdat de pijlers telkens weggeslagen worden door de dynamiek van het systeem zelf.

Zolang de architectuur van het financiële systeem niet expliciet wordt gekoppeld aan de uitkomsten van de energietransitie, blijft het risico bestaan dat veel kapitaal wel ‘groen’ wordt gelabeld maar onvoldoende bijdraagt aan de noodzakelijke systeemverandering.

Waarom een energietransitie financieren niet makkelijk past bij financiële logica


De economische dynamiek uit paragraaf 3 laat zien dat de energietransitie niet strandt op techniek alleen, maar op de manier waarop we de economie hebben ingericht. Ook al kleuren kapitaalmarkten groener, de onderliggende allocatielogica is nauwelijks veranderd. Daardoor vallen de plekken waar geld naartoe stroomt nog steeds niet samen met de plekken waar de grootste systeemverandering nodig is. Zolang we de regels van het spel niet aanpassen, blijft het alsof we een brug willen oversteken waarvan het dek bestaat, maar de pijlers nog ontbreken.

De ontbrekende koppeling tussen financieel systeem en energietransitie

Het financiële systeem is primair ontworpen om rendement bij acceptabel risico te leveren. Duurzaamheidsuitkomsten zijn er geen automatisch bijproduct van (31). Dit kan worden samengevat als een mismatch tussen de architectuur van het financiële systeem (regels, geldschepping, toezicht), de normen en waarden van actoren binnen het systeem en de vereisten van een economie die binnen planetaire grenzen opereert. Zolang die koppeling ontbreekt, blijven instellingen kapitaal alloceren naar activiteiten met voorspelbare cashflows en hoge private rendementen – ook als dat maatschappelijk suboptimaal is.

Een voorbeeld van die architectuur is de manier waarop prudentieel toezicht van banken via kapitaaleisen investeringen met stabiele kasstromen en onderpanden bevoordeelt. Dat maakt een kolencentrale of gasnetwerk vaak ‘veiliger’ in risicogewogen termen dan een gedistribueerd zonnedakprogramma, zelfs wanneer dat maatschappelijk veel wenselijker is. Institutionele beleggers prefereren bovendien schaal en liquiditeit: liever een miljardenticket in offshore wind met staatssteun dan duizenden kleine projecten met hogere transactiekosten. Het gevolg is structurele overallocatie naar wat al groot en zeker is, en onderallocatie naar systeemfuncties die de transitie dragen (32).

De gevolgen zijn zichtbaar in de energietransitie. Grootschalige, centrale fossiele projecten zijn historisch ingebed en leveren stabiele inkomsten; decentrale, flexibele en vaak kleinere hernieuwbare projecten zijn daarentegen gefragmenteerd en minder aantrekkelijk voor conventionele financiers. Dit leidt tot structurele overallocatie naar activiteiten die vooral schaal- en marktmacht opleveren, en onderallocatie naar systeemfuncties die cruciaal zijn voor de transitie, zoals netverzwaring, flexibiliteit en opslag. Vanuit een maatschappelijk perspectief zijn juist die functies onmisbaar om de integratie van hernieuwbaar te versnellen, maar in een privaat winstmodel ontbreekt de prikkel.

Daarnaast versterkt het financiële systeem bestaande groeiafhankelijkheden. Kredietcreatie en schuldaflossing veronderstellen toekomstige groei, waardoor kapitaal vooral richting uitbreidende productie en consumptie vloeit (33). Daarmee vergroot het financiële systeem structureel de energievraag, in plaats van deze te stabiliseren of af te bouwen. De paradox is dat juist investeringen die de vraag verminderen of systemen reorganiseren (zoals energiebesparing, collectieve warmtevoorzieningen of decentrale flexibiliteit) systematisch worden ondergefinancierd.

Kortom: zolang de architectuur van het financiële systeem niet expliciet wordt gekoppeld aan de uitkomsten van de energietransitie, blijft het risico bestaan dat veel kapitaal wel ‘groen’ wordt gelabeld maar onvoldoende bijdraagt aan de noodzakelijke systeemverandering.

Het ‘financieringsgat’ is een illusie

Het gangbare verhaal is dat er te weinig geld is voor de energietransitie. Maar geld is in moderne economieën endogeen en overvloedig; wat schaars is, zijn bankable projecten met een voldoende stabiel verdienmodel binnen de huidige spelregels. Het zogeheten financieringsgat is daarom in hoge mate een allocatie- en architectuurprobleem.

Dit patroon is breed gedocumenteerd. Het IPCC concludeert dat mondiale investeringen in klimaatmitigatie substantieel onder het vereiste pad liggen, niet vanwege een absoluut tekort aan kapitaal, maar door barrières in risicoperceptie, instellingen en beleid die de kosten van kapitaal voor schone technologieën hoog houden (34). De OESO laat zien dat blended finance tot nog toe beperkt private mobilisatie realiseert – een teken dat zonder heldere publieke richting en risicodeling het verhaal van ‘crowding in’ (het idee dat publiek geld door risicodeling meer privaat geld kan mobiliseren) in de praktijk dun blijft (35).

Om dat concreet te maken: financiële beslissers rekenen in begrippen als IRR en WACC. De interne rentevoet (IRR) is simpel gezegd het rendement dat een investering oplevert over de hele levensduur. Projecten met een hoge IRR zijn aantrekkelijk, die met een lage vallen al snel af. De gewogen gemiddelde kapitaalkosten (WACC) zijn de gemiddelde rente die bedrijven betalen over hun financiering: hoe hoger de WACC, hoe duurder het is om een project rond te krijgen. Hernieuwbare energie heeft vaak lage operationele kosten, maar hoge investeringskosten vooraf. Dat betekent dat de WACC extra belangrijk is, en precies daar zijn schone projecten vaak in het nadeel. Onzeker beleid, gebrek aan garanties of complexe vergunningstrajecten verhogen de WACC, terwijl fossiele projecten vaak profiteren van voorspelbare inkomsten en een ingebouwde infrastructuur. Een hoge vereiste IRR in combinatie met een hoge WACC zorgt ervoor dat privaat kapitaal niet zomaar naar duurzame energie stroomt.

Daar komt nog een paradox bij: we spreken over een ‘gat’ alsof er geld bij moet, terwijl minstens zo belangrijk is dat er geld af moet. Zolang banken, beleggers en overheden fossiele activiteiten blijven financieren en subsidiëren, blijft het relatieve rendement van schone alternatieven onder druk. In 2023 bedroegen de wereldwijde fossiele subsidies in 2022 meer dan 1000 miljard dollar – meer dan de totale investeringen in hernieuwbare energie dat jaar (36). Breder gerekend (inclusief impliciete subsidies zoals niet-beprijsde milieuschade) komt het IMF zelfs op circa 7 biljoen dollar in 2022 (37). In Nederland zelf bedragen de jaarlijkse fiscale voordelen voor fossiele bedrijven volgens berekeningen van het (toenmalige) ministerie van Economische Zaken en Klimaat zo’n € 39,7 miljard (38). Deze impliciete steun houdt fossiele activiteiten kunstmatig rendabel en vergroot zo het vermeende ‘financieringsgat’ voor duurzame alternatieven.

Het gevolg is een dubbele vertekening: een overschot aan kapitaal voor paden die we moeten verlaten en een tekort aan kapitaal voor de systeemfuncties die we moeten opbouwen. Het ‘financieringsgat’ is geen natuurwet maar het product van spelregels die schone investeringen duur en fossiele investeringen aantrekkelijk houden.

Regulering: veel licht in de kamer, weinig meubels verplaatst

De afgelopen jaren is de duurzaamheidsregulering fors uitgebreid: met rapportage (disclosure), risicometing en stresstesten. Dat vergroot de zichtbaarheid van klimaat- en natuurrisico’s, maar stuurt kredietstromen nog nauwelijks. Het verandert de prikkel niet: zolang vervuilende investeringen hoge en voorspelbare kasstromen bieden, blijft kapitaal daarnaartoe stromen. De economiebrede klimaatstresstest van de Europese Centrale Bank (ECB) is daar een goed voorbeeld van: het instrument kaart risico’s aan en kwantificeert verliezen in bepaalde scenario’s, maar is niet ontworpen om kredietstromen normatief te richten (wat natuurlijk ook niet het formele mandaat is van toezichthouders) (39). Datzelfde geldt voor nationale analyses, zoals de verkenning van biodiversiteitsrisico’s van De Nederlandsche Bank (DNB): die brengen exposures en kwetsbaarheden netjes in kaart (40). Ook scenario’s van het Network for Greening the Financial System (NGFS) zijn bedoeld als risicokader voor toezichthouders, niet als beleidsinstrument om krediet te sturen (41).

Die transparantie heeft dan ook nauwelijks geleid tot ander gedrag. Weliswaar waren er veel vrijwillige commitments van de financiële sector, maar zelden leiden die tot tastbare resultaten. Alliantielidmaatschappen en net-zerobeloften (zoals die van de Net-Zero Banking Alliance) hebben het gesprek aangejaagd, maar zonder handhaving, sancties en expliciete afbouwpaden eroderen beloften snel en storten die coalities gebouwd op beloften in (42). Vrijwillige kaders bleken niet verenigbaar met de vereiste snelheid en strengheid van afbouw (43). Tegelijk lieten onafhankelijke inventarisaties zien dat de fossiele financiering van grote banken in recente jaren hoog bleef, ondanks net-zeroretoriek (44). Metastudies over beleggersimpact bevestigen dit patroon: vrijwilligheid en engagement zonder harde voorwaarden leveren doorgaans lage, diffuse impact op.⁷

In termen van Donella Meadows’ klassieke hiërarchie van hefbomen (leverage points) grijpt dit vooral aan op de shallow-knoppen: parameters, informatiestromen en terugkoppelingen (beter meten, beter rapporteren, beter inschatten). De deep-knoppen (de doelen van het systeem, de regels van het spel en het paradigma waaruit we sturen) blijven ongemoeid (45). Precies dat is de reden dat de disclosure-golf en stresstesten wel inzicht produceren, maar niet automatisch richting geven.

Die diagnose sluit aan bij recenter werk waarin wordt betoogd dat transformatieve verandering pas op gang komt wanneer we niet alleen aan parameters sleutelen, maar ook aan sociaal-materiële ‘stocks’ (kapitaalgoederen, infrastructuur, instituties) én de bijbehorende diepe hefbomen: systeemfeedbacks, systeemontwerp en systeemintenties. In dat perspectief is het onvoldoende om transparantie te geven over de kapitaalstromen en risico’s; we moeten ook de ontwerpregels aanpassen die bepalen waar geld kan en mag landen (46).

Dat is ook de relatie met de voorgaande discussie over de verbinding van het financiële systeem met de reële economie. Zolang op architectuurniveau (monetair/ prudentieel/ begrotingskader) geen bindende doelen en regels bestaan die kredietstromen congruent maken met transitiepaden en planetaire grenzen, zullen instellingen (banken, beleggers) rationeel blijven optimaliseren op risico en rendement, met uitkomsten die voor de reële economie botsen met systeemdoelen. Dit verklaart ook waarom vrijwillige vergroening en betere rapportage het volume en de richting van krediet maar beperkt veranderen: je vergroot het licht in de kamer, maar je verplaatst de meubels niet.

Kortom: de huidige regulering is essentieel voor bewustwording, maar blijft steken in risico en rapportage. Wie de energietransitie wil versnellen, moet de allocatieregels van het spel aanpassen, precies die ‘diepe’ hefbomen met de grootste werking.

Het financieringsprobleem is niet primair te weinig geld, maar te weinig richting en verkeerde spelregels. Zolang rendement en risico de enige maatstaven blijven, stroomt geld naar het voorspelbare verleden en niet naar de noodzakelijke toekomst.

De energietransitie heeft zo'n brug nodig: een samenhangend bouwwerk waarin vraagbeleid, innovatie en financiële spelregels elkaar versterken.

Hoe versnellen: van losse maatregelen naar dragende boog


In de voorgaande paragrafen liet ik zien hoe de energietransitie telkens vastloopt in de logica van groei en rendement. Alsof we al wel materialen klaar hebben liggen, maar nog geen bouwwerk dat ons echt naar de overkant brengt. We hebben zonnepanelen, windparken, efficiëntere technologie en zelfs groeiende groene financiering. Stenen genoeg dus. Maar wie wel eens een losse steen op de grond ziet liggen, weet: op zichzelf draagt die niets.

Daarom gebruik ik graag de metafoor van de brug. Een brug staat alleen als de stenen elkaar onder druk houden, als de bogen zo zijn ontworpen dat elke steen de ander vastklemt. Dan pas ontstaat de overspanning die je naar de overkant brengt. De energietransitie heeft zo’n brug nodig: een samenhangend bouwwerk waarin vraagbeleid, innovatie en financiële spelregels elkaar versterken.

Ik probeer in deze paragraaf zo’n brug te schetsen. Niet door één wondersteen te zoeken, maar door te laten zien hoe verschillende maatregelen samen een boog vormen die echt kan dragen: vraag begrenzen door sufficiëntie en plafonds, innovatie richten via missies en investeringen, en het financiële systeem herontwerpen zodat het kapitaal stroomt naar waar de toekomst ligt in plaats van naar waar het verleden nog rendeert.

Verminder groeidwang en rebound: ‘genoeg’ als designprincipe

De macrodiagnose liet drie taaie krachten zien: groeiafhankelijkheden, reboundeffecten en winst die richting bepaalt. Een brug die echt draagt begint daarom aan de vraagkant: organiseer ‘genoeg’ als ontwerpprincipe.

Efficiëntie alléén levert in groeigerichte markten zelden een absolute daling op. Besparingen kaatsen terug als extra activiteit: een lichtere motor leidt tot grotere auto’s, een zuiniger computer tot datacenters die juist méér energie slurpen. Om die dynamiek te keren moeten we durven zeggen: genoeg is genoeg. Dat vraagt drie soorten keuzes.

Ten eerste: sufficiëntie door absolute plafonds. Om te voorkomen dat de potentiële winst van efficiëntie teniet wordt gedaan door terugkaatseffecten zijn plafonds nodig. Denk hierbij aan plafonds op energie- en materiaalgebruik in sectoren waar dat kan (gebouwde omgeving, mobiliteit), koppel die aan sociale doelen (betaalbaarheid, toegang) en verlaag het plafond zodra de efficiëntie stijgt. De postgroei-literatuur laat zien dat welzijn bij lagere energie-input mogelijk is, mits voorzieningen anders worden ingericht en groeiafhankelijkheden afnemen (47). Op systeemschaal is volumebeleid onmisbaar: ruimtelijke ordening die autogebruik afremt, investeringen in collectief vervoer en vraagreducerende alternatieven.

Ten tweede: beprijzen en aanvullend beleid. CO₂-beprijzing hoort bij elk serieus klimaatbeleid, maar op zichzelf is zij niet genoeg. Dat is om drie redenen. Ten eerste is de vraagelasticiteit in veel sectoren laag op korte termijn (verwarming, mobiliteit), waardoor een hogere prijs slechts beperkt volume reduceert. Ten tweede is er een ongelijkheidseffect: zonder gerichte terugsluis treft een uniforme CO₂-prijs lagere inkomens relatief harder, wat politieke weerstand oproept en de prijs feitelijk plafonneert. Ten derde kaatsen besparingen vaak terug via rebound: lagere gebruikskosten of efficiëntere technologie leiden tot extra gebruik elders. De internationale literatuur is daarom opvallend eensgezind: het beprijzen van broeikasgassen werkt het best als onderdeel van een pakket met normen/verboden (om volume en ‘formaat’ te begrenzen) en strategische publieke investeringen die de kosten van kapitaal (WACC) voor systeemkritische functies verlagen. Met andere woorden: prijsprikkels geven richting, maar normeren en investeren zorgen dat we er ook echt komen (48).

Ten derde: normeren en verbieden waar dat frictieloos kan. Sommige paden vragen geen prijs of subsidie, maar einddata: geen nieuwe fossiele ketels in nieuwbouw, uitfasering van specifieke voertuigmassa/-formaten, afbouw van reclame voor energie-intensieve consumptie. Zulke regels zetten de stenen vast en beperken rebound op voorhand.

In de praktijk betekent dit een combinatie van sufficiëntienormen (maximaal woonoppervlak in bouw, parkeernormen omlaag), efficiencynormen (minimale prestaties) én formaatnormen (gewicht en oppervlaktegrenzen bij voertuigen). Alleen zo voorkomen we dat gewonnen efficiëntie simpelweg wordt opgeslokt door grotere objecten. Daarmee wordt rebound geen natuurwet, maar een keuze.

Richten van innovatie en investeringen

Innovatie wordt vaak voorgesteld als een neutrale rode draad: nieuwe technologie verschijnt, markten nemen deze over en gaandeweg schuiven we vanzelf de goede kant op. Maar wie goed kijkt, ziet dat innovatie altijd gericht wordt; door wie risico’s durft te nemen, door wat als winstgevend geldt, door welke infrastructuur er ligt en door welke kennis wordt gefinancierd. Overheden beïnvloeden wat winstgevend is, welke infrastructuur er ligt en wat voor kennis er wordt gefinancierd en nemen vaak ook zelf risico. De richting van vooruitgang is dus geen natuurwet; het is een institutionele keuze.

In de praktijk duwt de huidige logica die richting vaak langs het pad van de minste weerstand: naar efficiëntie-upgrades die prima renderen, maar zelden leiden tot absolute reducties. Daarom is een ander kompas nodig. Niet méér innovatie in het wilde weg, maar gericht in lijn met publieke doelen, zoals schone systeemfuncties (netten, opslag, flexibiliteit), vraagreductie en sufficiëntie, en het doorbreken van lock-ins. Dat vraagt om een overheid die niet alleen corrigeert wat misgaat, maar missies formuleert en markten vormgeeft: strategische publieke R&D, slimme inkoop die schaal en standaardisatie afdwingt, duidelijke grenzen aan investeringen die haaks op de transitie staan en voorspelbaar publiek beleid richting maatschappelijke doelen (49).

Door publieke vraag te organiseren (langlopende contracten, standaarden) en transactiekosten te verlagen (portfoliofinanciering, gestandaardiseerde documentatie) verschuift innovatie naar waar de systeemwaarde het grootst is, niet enkel daar waar de private winst het hoogst is

En innovatie is breder dan technologie. Het gaat ook om sociale en institutionele vernieuwing: coöperatieve warmtebedrijven, gedeelde mobiliteit, tarief- en marktontwerpen die flexibiliteit belonen, governance die sufficiëntie mogelijk maakt. Zulke verschuivingen zijn geen bijzaak; ze bepalen of technische mogelijkheden landen in ander gedrag en andere structuren en of deze financierbaar zijn (50).

Kortom: innovatie wordt pas een dragende steen in de brug wanneer haar richting expliciet is verbonden met publieke missies en systeemwaarde. Van zwerfkei tot brugsteun.

Financiële spelregels herontwerpen

Al eerder liet ik zien hoe de huidige financiële architectuur kapitaal naar het voorspelbare trekt. Niet omdat ‘de markt’ tegen duurzaamheid is, maar omdat onze spelregels veiligheid definiëren als stabiele kasstromen en lage volatiliteit. Dat maakt afgeschreven fossiele infrastructuur aantrekkelijker dan nieuwe, risicovollere projecten die pas in samenhang renderen. Willen we dat veranderen, dan moeten we niet alleen beter meten, maar de regels herschrijven.

Begin bij de kosten van kapitaal. Hernieuwbare assets zijn kapitaalintensief en gevoelig voor de WACC; elke punt omlaag maakt hele projectklassen ineens financierbaar. Publieke derisking, zoals garanties, contracten voor verschil, langjarige capaciteitstarieven, kan die kapitaalkosten structureel drukken waar de systeemprestatie het grootst is: netverzwaring, opslag, wijkwarmte, diepe renovatie. Niet omdat ‘de markt faalt’, maar omdat we het systeem een ander doel geven en het prijskaartje van onzekerheid eerlijker verdelen.

Tegelijk moet het oude rendement afgebouwd worden. Zolang fossiele activiteiten directe of impliciete steun houden, blijft hun private IRR kunstmatig hoog en het speelveld scheef. Het afbouwen van fossiele subsidies (expliciet én impliciet) hoort daarom tot de kern van financieel beleid, niet de marge; het verlaagt het relatieve rendement van fossiel en verkleint het vermeende financieringsgat aan de schone kant.

Daarbovenop hoort kredietsturing: maak richting juridisch bindend. Een dalend plafond op fossiele kredietverlening (een dirty-lending ratio) gekoppeld aan heldere afbouwpaden, en minimumaandelen voor systeemkritische functies verschuiven de allocatie van ‘mag’ naar ‘moet’. Dat is geen technocratische spielerei, maar precies het opschuiven van shallow naar deep leverage points: niet alleen meten wat er ís, maar bepalen wat er moet zijn.

Tot slot: engagement met tanden. Vrijwillige net-zerobeloften zonder sancties blijken uitstelmechanismen. Koppel financiering aan jaardoelen (emissies, capex-shift), laat mislopen automatisch doorwerken in voorwaarden (rente-opslag, convenantbreuk) en borg een exitpad. Alleen dan verandert engagement van gesprek in governance.

Zo krijgen we kapitaal dáár waar het maatschappelijk nodig is: door de WACC te verlagen waar de systeemwaarde zit, fossiel rendement af te bouwen en kredietstromen te normeren.

Naar een samenhangend bouwwerk

De metafoor van de brug helpt te zien dat geen enkel instrument op zichzelf voldoende is. Sufficiëntie zonder normeren gaat niet werken. Prijzen zonder plafonds verdwijnen in rebound. Disclosure zonder spelregels maakt vooral spreadsheets mooier. Pas samen, als bogen die elkaar klemmen, ontstaat draagkracht.

De ervaring uit eerdere transities leert dat snelheid ontstaat wanneer beleid niet alleen de efficiëntste steen zoekt, maar een geheel optrekt waarin elke maatregel een andere vastklemt. De brug is dus méér dan een metafoor: zij is een denkkader om beleid als geheel te zien, in plaats van als losse maatregelen. Alleen zo kunnen we aan de overkant komen.

Knelpunt (paragraaf 3 & 4) Oplossingsrichting (paragraaf 5)
Groeiafhankelijkheid duwt energievraag en emissies structureel omhoog. Sufficiency/’genoeg’ als ontwerpprincipe; definieer wat genoeg is en stel bijpassende absolute plafonds op voor energie- en materiaalgebruik, gekoppeld aan sociale doelen.
Reboundeffecten eten efficiëntiewinsten op (direct, indirect, economiebreed). Niet alleen prijs, ook norm en volume/format-regels, bijv. massa/oppervlak voertuigen, begrenzen naast een CO2-prijs.
Winst bepaalt innovatierichting (niet maatschappelijke kosten), versterkt lock-in. Missiegedreven innovatie; publieke R&D en bijpassende inkoop.
Lock-in in centrale, fossiele infrastructuur (grootschalig, voorspelbare cashflows). Richt beleid op systeemfuncties (netten, opslag, flexibiliteit, warmte) en decentrale/modulaire oplossingen; organiseer katalyserende publieke vraag en standaardisatie.
‘Financieringsgat’ is allocatie-/architectuurprobleem (niet gebrek aan geld). Relatieve WACC omlaag waar systeemwaarde zit door publieke derisking (garanties, CfD’s, lange contracten) en verhoogde kapitaalvereisten voor antitransitiedoelen. ; transactiekosten omlaag (portfoliofinanciering, standaarddocs).
Fossiele subsidies en impliciete steun houden oud rendement kunstmatig hoog. Geleidelijke afbouw van expliciete én impliciete fossiele steun; opbrengst inzetten voor WACC-verlaging en sociale terugsluis.
Prudentiële en marktregels bevoordelen ‘veilig’ fossiel/grootschalig. Kredietsturing met dalend plafond op fossiele kredietverlening (dirty-lending ratio) en minimumaandelen voor systeemkritische functies.
Disclosure/stresstesten blijven bij shallow leverage points (risico/rapportage). Opschuiven naar deep leverage points: doelen en regels herschrijven in plaats van alleen meten via hiergenoemde suggesties.
Voorkeur voor schaal/liquiditeit: onderfinanciering van klein, decentraal. Breng transactiekosten omlaag door kleine projecten te bundelen via publieke of coalitie-intermediairs; standaardisatie en langjarige contractering maken kleine projecten investeerbaar.
Vrijwillige net-zerocommitments leveren weinig tastbare afbouw op. Engagement met tanden: jaardoelen, automatische rente-triggers bij falen en een verplicht exitpad.
Fragmentatie: losse maatregelen grijpen niet in elkaar. Boogarchitectuur: maatregelen die elkaar klemmen (vraag reduceren, innovatie richten, spelregels veranderen); samenhang expliciet maken.

Bron: Hans Stegeman

Bouwen we de brug, met vraag die begrenst en beschermt, innovatie die systeemwaarde vooropzet en financiële regels die de toekomst belonen, dan komen we aan de overzijde.

Tot slot: over de brug


De tijd van halve oplossingen is voorbij. Elk jaar dat we treuzelen, verdampt ons koolstofbudget en groeit de berg werk die we voor ons uit schuiven. We bouwen geen brug, we stapelen uitstel op uitstel. In die zin is de energietransitie geen lijstje technocratische maatregelen, maar een enorme maatschappelijke opgave: kunnen we onze economie zó herontwerpen dat ze binnen grenzen floreert? De Kaya-identiteit maakt dat pijnlijk helder. Uitstoot is niet één knop maar vier knoppen tegelijk: bevolking, welvaart per hoofd, energie-intensiteit en koolstofintensiteit. We hebben zichtbaar winst geboekt op de laatste twee, zoals minder energie per euro en minder CO₂ per kilowattuur, maar zolang welvaart en bevolking blijven stijgen, moet die dubbele ontkoppeling almaar sneller. Dáár zit de urgentie: met alleen schonere kilowatturen redden we het niet.

Wat ontbreekt is geen uitvinding of spreadsheet, maar een brug. We hebben stenen genoeg – technologie, projecten, kapitaal – maar los op de grond dragen ze niet. Een brug staat pas zodra de bogen de stenen onder spanning bij elkaar houden. In dit essay heb ik drie bogen benoemd die samen de overspanning mogelijk maken.

De eerste boog is de vraagkant. We moeten de woorden ‘vraagbeperking’, sufficiëntie, minder, genoeg durven opnemen in onze ontwerpprincipes. Efficiëntie is prachtig, maar zonder plafonds en grenzen veert de besparing terug in méér gebruik. Sufficiëntie, normering en slimme beprijzing horen bij elkaar: prijzen geven richting, normen zetten de drempels en sufficiëntie begrenst het volume. Pas dan wordt efficiëntie echte reductie en geen aanjager van nieuwe vraag. Genoeg is genoeg, en meer is niet altijd mogelijk, laat staan nodig.

De tweede boog is richting geven aan innovatie. Vooruitgang is geen natuurkracht; hij volgt de prikkel van winst en de infrastructuur die er al ligt. Zolang dat kompas leidend blijft, winnen incrementele upgrades het van systeemverandering – de zuinigere auto van minder autoafhankelijkheid, de grotere koelkast van de beter geïsoleerde woning. De oplossing is missiegedreven beleid: stel publiek vast wát we nodig hebben (netten, opslag, flexibiliteit, warmte, diepe renovatie), financier dat doelgericht en laat slimme publieke inkoop schaal en standaardisatie afdwingen. Innovatie is dan niet langer een glanzende losse steen, maar een boog die echt draagt.

De derde boog is de financiële architectuur. Zolang goed bankieren betekent een voorspelbare kasstroom uit maatschappelijk afgeschreven fossiele assets, blijven kapitaalstromen naar het verleden kijken. De spelregels moeten mee: kapitaalkosten omlaag waar de systeemwaarde het grootst is (met garanties, contracten voor verschil, langjarige tarieven), fossiele steun afbouwen zodat oud rendement niet langer voorrang heeft, en kredietstromen normeren met dalende plafonds voor fossiele financiering. Transparantie en stresstesten geven licht in de kamer – prima. Maar pas als we de meubels verplaatsen (de doelen en regels), gaat het geld vloeien daar naar waar de toekomst het nodig heeft.

Wat mij het meest opvalt, is dat versnellen van de energietransitie niet gaat over één spectaculaire maatregel, maar over samenhang. Plafonds zonder richting in innovatie voelen als rem; prijzen zonder normen verdampen in rebound; transparantie zonder spelregels blijft administratie. Pas wanneer deze bogen elkaar klemmen, ontstaat draagkracht. Dán wordt het geld een drager van de transitie in plaats van een rem erop.

We staan dus voor een duidelijke keuze. Bouwen we de brug, met vraag die begrenst en beschermt, innovatie die systeemwaarde vooropzet en financiële regels die de toekomst belonen, dan komen we aan de overzijde. Niet omdat één wondersteen alles tilt, maar omdat het geheel eindelijk draagt.

En dat brengt ons bij de praktijk. Want wie moeten die stenen plaatsen en de bogen spannen?

  • Overheden kunnen morgen al beginnen met het afbouwen van fossiele subsidies en het stellen van harde einddata. Ze kunnen investeren in netten en opslag tegen lage kapitaalkosten en sufficiëntie opnemen in beleid.
  • Banken en beleggers kunnen plafonds zetten op fossiele kredietverlening en jaar-op-jaarreductiedoelen publiceren. Daarnaast kunnen zij de WACC van systeemkritische projecten structureel verlagen via garanties en portfoliofinanciering.
  • Netbeheerders en energiebedrijven kunnen hun prioriteitenlijst herschikken: niet alleen capaciteit uitbreiden, maar expliciet ruimte maken voor flexibiliteit, vraagreductie en decentrale oplossingen.
  • Wijzelf, in netwerken als Transitietijd, kunnen druk zetten, kennis bundelen en verhalen delen. Door steeds opnieuw de vraag te stellen: draagt dit project als onderdeel van een brug of blijft het een losse steen?

De vraag is dus niet of we de brug kúnnen bouwen, maar of we vandaag al beginnen met het leggen van de eerste stenen. Dat kan klein: een gemeente die parkeernormen verlaagt, een coöperatie die haar projecten bundelt zodat financiering haalbaar wordt. Het kan ook groot: nationale doelen die sufficiëntie en absolute plafonds centraal stellen. Alles telt, zolang het bijdraagt aan spanning in de boog.

Bouwen we de brug niet, dan blijft de transitie steken in additie: er komt telkens een nieuwe steen bij, misschien een boog, nog groter, nog technologisch vernuftiger – maar telkens te laat en te weinig om de kloof te overbruggen. De brug kan gebouwd worden. Maar alleen als we nú besluiten de stenen te leggen waar ze echt dragen.

Referenties


  1. Alle cijfers berekend op basis van de energiebalans op CBS Statline: StatLine - Energiebalans; aanbod, omzetting en verbruik
  2. Kaya, Y. (1990). Impact of carbon dioxide emission control on GNP growth: Interpretation of proposed scenarios. IPCC Energy and Industry Subgroup. De Kaya-analyse is een decompositie van de uitstoot van broeikasgassen (CO2) in de bijdrage van bevolkingsgroei (P), Welvaart (Y, ofwel BBP), de energieintensiteit van de productie (E/Y) en de koolstofintensiteit van de energie (CO2/E): ∆CO₂ = ∆P × ∆(Y/P) × ∆(E/Y) × ∆(CO₂/E).
  3. Parrique, T., Barth, J., Briens, F., Kerschner, C., Kraus-Polk, A., Kuokkanen, A., & Spangenberg, J. H. (2019). Decoupling debunked: Evidence and arguments against green growth as a sole strategy for sustainability. European Environmental Bureau.
  4. Kallis, G., Hickel, J., O’Neill, D.W., Jackson, T., Victor, P., Raworth, K., Schor, J., Steinberger, J., Ürge-Vorsatz, D. (2025). Post-growth: the science of wellbeing within planetary boundaries. The Lancet Planetary Health, 9(1), e62–e78. Post-growth: the science of wellbeing within planetary boundaries - The Lancet Planetary Health.
  5. Klimaat- en Energieverkenning 2024.
  6. Nederland Europees koploper in uitgifte groene obligaties - De Nederlandsche Bank.
  7. DSTA, Green Bond Framework; DNB (2024).
  8. ABN AMRO Research (2023), Dutch wind and solar investments falling short of 2030 targets. Dutch wind and solar investments falling short from 2030 target - ABN AMRO.
  9. KPMG (2024), Voortgangsrapportage Klimaatcommitment 2024. Het Klimaatcommitment van de Nederlandse financiële sector.
  10. Eerlijke Geldwijzer/Profundo (2024), Klimaatrapport Fossiel versus Duurzaam.
  11. Nederlandse financiële sector (2019), Klimaatcommitment van de financiële sector
  12. Keyßer, L. T., Steinberger, J. K., & Schmelzer, M. (2025). Economic growth dependencies and imperatives: A review of key theories and their conflicts. Ecological Economics, 238, 108745. https://doi.org/10.1016/j.ecolecon.2025.108745
  13. Kallis, G., Hickel, J., O’Neill, D.W., Jackson, T., Victor, P., Raworth, K., Schor, J., Steinberger, J., Ürge-Vorsatz, D. (2025). Post-growth: the science of wellbeing within planetary boundaries. The Lancet Planetary Health, 9(1), e62–e78. Post-growth: the science of wellbeing within planetary boundaries - The Lancet Planetary Health.
  14. IEA (2025). Global Energy Review. IEA. Paris. Global Energy Review 2025.
  15. Keyßer, L. T., Steinberger, J. K., & Schmelzer, M. (2025). Economic growth dependencies and imperatives: A review of key theories and their conflicts. Ecological Economics, 238, 108745. https://doi.org/10.1016/j.ecolecon.2025.108745
  16. Jevons, W. S. (1865). The Coal Question: An Inquiry Concerning the Progress of the Nation, and the Probable Exhaustion of Our Coal-mines. London: Macmillan.
  17. Greening, L. A., Greene, D. L., & Difiglio, C. (2000). Energy efficiency and consumption—the rebound effect—a survey. Energy Policy, 28(6–7), 389–401. https://doi.org/10.1016/S0301-4215(00)00021-5
  18. Sorrell, S. (2009). Jevons’ paradox revisited: The evidence for backfire from improved energy efficiency. Energy Policy, 37(4), 1456–1469. https://doi.org/10.1016/j.enpol.2008.12.003
  19. Gillingham, K., Rapson, D., & Wagner, G. (2016). The rebound effect and energy efficiency policy. Review of Environmental Economics and Policy, 10(1), 68–88. https://doi.org/10.1093/reep/rev017
  20. Zie referenties vorige voetnoot en: Brockway, P. E., Owen, A., Brand-Correa, L., & Hardt, L. (2021). Estimation of economy-wide rebound effects: Evidence from energy productivity trends. Nature Energy, 6(10), 895–905. https://doi.org/10.1016/j.rser.2021.110781
  21. Stegeman, H. (2025). Transforming economics for sustainability (Doctoral dissertation), Erasmus Universiteit Rotterdam, hoofdstuk 5, pp. 188–189.
  22. INOVEV (2024, 5 januari). The average weight of passenger cars in Europe has increased significantly since 2020. Auto Analysis. https://www.inovev.com/index.php/en/market-analyses/category-blog/19969-2023-30-2
  23. Autobesity. (2025, June). In Wikipedia. https://en.wikipedia.org/wiki/Autobesity
  24. Fix, B. (2024, May 18). A tour of the Jevons paradox: How energy efficiency backfires. Economics from the Top Down. https://economicsfromthetopdown.com/2024/05/18/a-tour-of-the-jevons-paradox-how-energy-efficiency-backfires/
  25. Acemoglu, Daron. 2023. "Distorted Innovation: Does the Market Get the Direction of Technology Right?" AEA Papers and Proceedings 113: 1–28. DOI: 10.1257/pandp.20231000.
  26. Unruh, G. C. (2000). Understanding carbon lock-in. Energy Policy, 28(12), 817–830. https://doi.org/10.1016/S0301-4215(00)00070-7.
  27. Smil, V. (2010). Energy Transitions: History, Requirements, Prospects. Praeger.
  28. Geels, F. W., Sovacool, B. K., Schwanen, T., & Sorrell, S. (2017). Sociotechnical transitions for deep decarbonization. Science, 357(6357), 1242–1244. https://doi.org/10.1126/science.aao3760.
  29. Aghion, P., Dechezleprêtre, A., Hémous, D., Martin, R., & Van Reenen, J. (2016). Carbon taxes, path dependency, and directed technical change: Evidence from the auto industry. Journal of Political Economy, 124(1), 1–51. https://doi.org/10.1086/684581.
  30. Stegeman, H. (2025). Transforming economics for sustainability (Doctoral dissertation), Erasmus Universiteit Rotterdam, hoofdstuk 2.
  31. Hobma, E. & Stegeman, H. (2025). How to organize finance for an economy that respects limits? (working paper - forthcoming).
  32. D’Orazio, P., & Popoyan, L. (2019). Fostering green investments and tackling climate-related financial risks: Which role for macroprudential policies? Ecological Economics, 160, 25–37. https://doi.org/10.1016/j.ecolecon.2019.01.029.
  33. Jackson, T., & Victor, P. A. (2016). Does credit create a “growth imperative”? A quasi-stationary economy with interest-bearing debt. Ecological Economics, 120, 32–48. https://doi.org/10.1016/j.ecolecon.2015.09.009.
  34. Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). (2022). Climate Change 2022: Mitigation of Climate Change. WGIII, Ch. 15 “Investment and finance”. Cambridge University Press.
  35. OECD (2023), Scaling Up the Mobilisation of Private Finance for Climate Action in Developing Countries: Challenges and Opportunities for International Providers, Green Finance and Investment, OECD Publishing, Paris, https://doi.org/10.1787/17a88681-en.
  36. The global energy crisis pushed fossil fuel consumption subsidies to an all-time high – Analysis - IEA. Daarna zijn ze wel weer afgenomen, maar nog steeds hoog: Strategies for Affordable and Fair Clean Energy Transitions – Analysis - IEA.
  37. Parry, I., Black, S., Liu, A., & Vernon, N. (2023). IMF Fossil Fuel Subsidies Data: 2023 Update. Washington, DC: International Monetary Fund. IMF.
  38. Ministerie van Financiën. (2023). Bijlage Miljoenennota 2024 – Fossiele subsidies: inventarisatie regelingen (overzicht € 39,7–46,4 mld.). Den Haag: Rijksoverheid. Rijksfinanciën.
  39. European Central Bank. (2021). ECB economy-wide climate stress test. Frankfurt am Main: ECB. ECB
  40. De Nederlandsche Bank. (2020). Indebted to nature: Exploring biodiversity risks for the Dutch financial sector. Amsterdam: DNB. De Nederlandsche Bank.
  41. Network for Greening the Financial System. (2025). NGFS climate scenarios for central banks and supervisors (updated 3 Jan 2025). Paris: NGFS. NGFS.
  42. Climate banking group pauses activities amid rising political pressure, Financial Times, 28-8-2025.
  43. BankTrack – Tracking the Net Zero Banking Alliance.
  44. Rainforest Action Network et al. (2025). Banking on Climate Chaos: Fossil Fuel Finance Report 2025. San Francisco: RAN. BOCC-2025.
  45. Meadows, D. H. (1999). Leverage points: Places to intervene in a system. Hartland (VT): The Sustainability Institute. The Academy for Systems Change.
  46. Haas, W., Abson, D. J., Haberl, H., Spittler, N., Wiedenhofer, D., & Dorninger, C. (2025). Reconceptualizing the role of socioeconomic material stocks in the leverage points framework to enable transformative change. Ecological Economics. Vol 239, 108759. https://doi.org/10.1016/j.ecolecon.2025.108759.
  47. Kallis, G., Hickel, J., O’Neill, D.W., Jackson, T., Victor, P., Raworth, K., Schor, J., Steinberger, J., Ürge-Vorsatz, D. (2025). Post-growth: the science of wellbeing within planetary boundaries. The Lancet Planetary Health, 9(1), e62–e78. Post-growth: the science of wellbeing within planetary boundaries - The Lancet Planetary Health.
  48. Klenert, D., Mattauch, L., Combet, E., Edenhofer, O., Hepburn, C., Rafaty, R., & Stern, N. (2018). Making carbon pricing work for citizens. Nature Climate Change, 8(8), 669–677. https://doi.org/10.1038/s41558-018-0201-2 Sterner, T., Ewald, J., & Sterner, E. (2024). Economists and the climate. Journal of Behavioral and Experimental Economics, 109(C). https://doi.org/10.1016/j.socec.2023.102158
  49. Mazzucato, M. (2021). Mission economy: A moonshot guide to changing capitalism. Penguin.
  50. Geels, F. W., Sovacool, B. K., Schwanen, T., & Sorrell, S. (2017). Sociotechnical transitions for deep decarbonization. Science, 357(6357), 1242–1244. https://doi.org/10.1126/science.aao3760